Ippius Fockens wordt door Vaassen beroepen, Verhoeff op twaalftal en zestal

VAASSEN, 24 Maart.

Ter voorziening in de vakature, werd tot Herder en Leraar beroepen Ds. I. J. Ippius Fockens, Pred. te Aaranderveen die, tot ons leedwezen, het beroep met kon opvolgen.

Het twaalftal bestond uit den beroepene en de navolgende Predikanten: DD. Rijnders, te Vleuten; Eigeman, te Loosduinen; Osti, te Hattem; Vermeer te Linschofen; Verhoeff, te Ridderkerk; Creutzberg, te Maarssen ; Schouten te Apeldoorn; Immink, te Cothen; van den Bijtel te Nunspeet; Meerdink, te Vriezenveen en Callenbach, te Gaastmeer. Hiervan werden de eerste zes op het zestal, en de eerste drie op het drietal geplaatst.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 4, 1867, no 1, pag. 287.

Verhoeff en Creutzberg op zestal in Sneek

SNEEK, 22 Mei. Uit het vroeger gemelde Twaalftal werd het navolgende Zestal opgemaakt: DD. H. W. Creutzberg, te Vaassen; E. B. Gunning, te Nichtevecht; H. J. D. Hellendoorn, te de Leur; Dr. F. L. Rutgers, te Eibergen; J. G. Verhoeff, te Ridderkerk; en J. Vermeer, te Linschoten; Drietal: Gunning, Hellendoorn en Rutgers.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede, 1866 [volgno 2], pag 471.

 

Crfeutzberg en Verhoeff op twaalftal voor Sneek

SNEEK, 16 April.

Ter voorziening in de aanstaande vakature, werd hier het volgende alphabetisch gestelde twaalftal gemaakt: DD. A. J. Carpentier Alting, te Dokkum; Dr. A. W. Bronsveld, te Ophemert; H. W. Creutzberg, te Vaassen; E. B. Gunning, te Nichtevecht; H. J. D. Hellendoorn, te de Leur; A. A. Hingst, te Onderdendam; L. G. Roijaards, te Oisterwijk; D. G. M. Eoldanus, te Oostzaan; Dr. F. G. Rutgers, te Eibergen; G. Smit, te Grootebroek; J. G. Verhoeff, te Ridderkerk en J. Vermeer, te Linsehoten.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede, 1866 [volgno 2], pag 367.

 

Verhoeff en Creutzberg op twaalftal in Valburg

VALBURG, 8 Febr.

Ter vervulling van de vakature, heeft de Kerkeraad het volgende alphabetisch gestelde twaalftal van Predikanten gemaakt: DD. A. Couvée, te Doesborgh; H. W. Creutzberg, te Vaassen; J. Gann Dun, te Slijk-Ewijk ca; A. de Hartog, te Lent; J. D. C. Koch, te Losser; F. P. L. C. van Lingen, te Zetten c. a., Th. H. Nahuijs, te Bieselinge; N. Osti, te Hattem; G. D. Rademaker, te Hervelt; L. J. van Rhijn, te Wassenaar; J. G. Verhoef, te Ridderkerk en C. F. H. Wolf, te Klundert.
Uit dit twaalftal werden op het tweetal geplaatst: DD. Nahuijs en Wolf, waaruit, na electie van den Heer Mr. J. Rau van Gameren , Ds. Wolf werd beroepen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede, 1866 [volgno 2], pag 214.

 

Ds Verhoeff bedankt voor Montfoort

MONTFOORT, 15 Oct.

Daar ook Ds. J. G. Verhoeff, Pred. te Vaassen, voor de beroeping herwaarts bedankt had, werd door den Kerkeraad uit het bestaande drietal, met eenparige stemmen tot Herder en leeraar beroepen Ds. G. J. Vos, Pred. te Oostermeer.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 872.

 

Verhoeff gaat naar Ridderkerk

Ds. Jacob Gerard Verhoeff

RIDDERKERK, 11 Nov.

Heden vernam onze Gemeente tot hare blijdschap, dat Ds. J. G. Verhoeff, Pred. te Vaassen, de beroeping naar deze Gemeente heeft aangenomen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 872.

Ds Verhoeff gaat naar Ridderkerk

VAASSEN, 13 Nov.

Werden wij onlangs verblijd door het berigt dat onze geachte Leeraar, Ds. J. G. Verhoeff, voor eene beroeping naar Montfoort had bedankt, heden moesten wij tot onze droefheid vernemen, dat eene andere beroeping naar Ridderkerk door hem was aangenomen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 868

 

Recensie door Verhoeff van Doctor Antonio

Doctor Antonio. Door John. Euffini, uit het Engelsch. Amsterdam, W. H. Kirberger 1864.

Wij kunnen, zonder eenige vrees om ons aan overdrijving schuldig te maken, al de romans, waarin de liefde de hoofdrol speelt, en zijn zij niet legio ? die van overoude dagen verschenen zijn en nog dagelijks het licht zien, in twee soorten verdeelen, 1°. romans, die zeer gelukkig, 2°. romans, die zeer ongelukkig eindigen. Zij krijgen elkander, of zij krijgen elkander niet. Tot de laatste soort behoort de aangekondigde I — Alles loopt zeer tragisch af. Zij sterft van verdriet, hij kwijnt weg in eene gevangenis!

Wat zal ik verder van dit boek zeggen? Dat het ten minste boven dergelijke werken deze verdiensten heeft, onschadelijk te zijn! Of wilt gij het niet voor verdienste houden, dat het u niet brengt in een gemoedstoestand, waarvan de suffende houding, de turende blik, de diepe zucht, als gij het boek uit hebt, de juiste beschrijving geeft; een toestand van iemand, die van een avontuurlijken togt op een stormachtig meir op eenmaal in eene sloot teregt komt, en nu dat troebele water, dat groene gras, die stompe knotwilgen zoo onuitstaanbaar vervelend vindt! Gij hadt lezende de buitenwereld met hare dagelijks in groote eenvormigheid wederkeerende toestanden vergeten, en nu valt, als het boek uit is, de koude werkelijkheid u weder op het lijf. Gij hadt u in al die toestanden ingewerkt, gij vervuldet als het

855

ware in dat treurspel uwe rol, vooral de laatste bladzijden, waar alles zich haastte tot de ontknooping, zij werden door u verslonden, en nu valt gij op eenmaal uit dien denkbeeldigen hemel op de prozaïsche aarde neder, uwe thee is koud geworden, uwe pijp is uit, de kajjchel snort niet meer. Gij staat op met een diepen zucht, omdat het boek uit is, gij loopt uwe kamer rond, gij gaat eens naar de kagchel zien, gij steekt, eene versche pijp op en — gij neemt het boek weder op, cm nog eens die laatste bladzijden te verslinden. Zie! dat haat ik vooral in zulke romans.

Zoo iets behoeft men van dit boek niet te vreezen. Het is eene liefdesgeschiedenis, welke u hier wordt medegedeeld, met al wat er toe behoort; een geneesheer, een knap, edel mensch, eene sehoone Engelsche dame, eene trotsche Baronet, met een kind op reis naar Italië, een onbarmhartige broeder. De dame breekt den enkel, toevallig is er een jeugdig geneesheer bij de hand; om de dame niet te doen schrikken, geeft hij voor dat zij den’ voet maar verstuikt heeft; de enkel wordt, zonder dat de dame het bemerkt (!) gezet; maar nu moet zij rust hebben, de reis kan niet worden vervolgd, in eene eenvoudige dorpsherberg worden vader en dochter opgenomen; de vader verveelt zich eerst vreeselijk, maar wordt door den doctor met eenige personen in den omtrek bekend gemaakt en begint werkelijk in dat stille dorpsleven zijn genoegen te vinden. — Ondertusschen komt de doctor zijne sehoone patiënte getrouw bezoeken, wordt al meer en meer op haar verliefd en zij op hem, maar zonder dat zij het weet (!). Eindelijk komen aan die sehoone dagen een einde. Lucy Davenne is geheel hersteld en Sir John, haar vader, vertrekt met haar en den uit Indië teruggekeerden broeder uit het stille dorpje, om er Doctor Antonio met een gebroken hart achter te laten. De schrijver heeft boven dit hoofdstuk het opschrift geplaatst: slot der idylle, en wij zeggen als hij: «zoo eindigde de sehoone droom van Doctor Antonio. —»

En nu gaat alles voor Doctor Antonio, den kerspeldoctor van Bordighera, den ouden gang. — Op eenmaal verdwijnt hij, om

856

na 8 jaren weder op te treden en wel te Napels, om aldaar in het koninklijk paleis, gezien en herkend te worden door Lucy Davenne, die zich daar ook bevindt; nu als de weduwe van Lord Cleverton, met wien zij na hare terugkomst in het huwelijk getreden, maar die niet lang daarna gestorven was. Is er veel met Lucy gebeurd, met Doctor Antonio niet minder! — Wij vinden hem weder niet als den nederigen kerspeldoctor, maar als den krachtigen verdediger van de staatkundige vrijheid, pleitende bij het Napolitaansch Gouvernement ten gunste van zijn Vaderland, het eiland Sicilië; waar in Januarij 1848 de vaan des oproers tegen de despotieke regering van Perdinand den tweede ontrold was. Dat tweede gedeelte van dezen roman is veel belangrijker van inhoud en laat zich over ’t algemeen met genoegen lezen. Het deelt in een behagelijken vorm iets mede uit dien gedenkwaardigen tijd, toen met de troonsbestijging van Pius den negende, een betere tijd voor Italie’s politieken toestand scheen aan te breken. Bekend is het, dat deze opstand van het eiland Sicilië naar het vaste land is overgeslagen, dat Milaan en Venetië mede in opstand geraakten en dat op den 15 Mei 1848, den dag dat de wetgevende Vergadering in Napels zou bijeen komen, in de straten van Napels gestreden werd tusschen de revolutionairen en de koninklijke troepen. Als offer ingevolge van dezen strijd, die met de nederlaag der vrijheidsmannen eindigde, viel ook Doctor Antonio, terwijl hij zich op eene der barrikaden met de verpleging van de gewonden en stervenden bezig hield; hij werd gewond, gevangen genomen, later in het beruchte Staatsproces tegen het Genootschap der Italiaansche eenheid (dat niet minder dan 8 maanden duurde,) beschuldigd van misdadige handelingen tegen het Gouvernement, op grond daarvan tot 19jarige gevangenschap veroordeeld en naar het eiland Ischia, later toen er pogingen waren aangewend om hem te bevrijden , naar elders gevoerd. —

Met de geschiedenis dezer politieke gebeurtenissen nu zijn die van Doctor Antonio en Lucy, Burggravin van Cleverton, zaamgeweven. Zij ontmoeten elkander na 8 jaren scheiding voor het

857

eerst aan het hof te Napels, waar Lucy nu op aanraden van Antonio een hotel huurt, met een schoon uitzigt over de baai van Napels en op den Vesuvius. Daar wordt het aangename leven in de Osteria (herberg) van Bordighera voortgezet, het kweeken van bloemen, het schilderen, het spelen en zingen van Siciliaansche liederen; ziedaar nu weder het dagelijk^sch werk! — Het was het ontwaken van een langdurigen en smartelijken droom!

Maar zoo bleef het niet lang. De gelukkigen moesten dat Paradijs verlaten op denzelfden dag dat zij voor het eerst beleden wat #ij lang voor elkander gevoeld hadden. Doctor Antonio verliet haar op denzelfden oogenblik, dat hij haar zijne vurige liefde beleed; hij verliet haar om te snellen naar de plaats des oproers, en Lucy zag hem eerst weder, toen hij met een en veertig andere slagtoffers van de trouweloosheid des Gouvernements geboeid voor de regtbank gebragt werd. Zij, die geen enkele zitting van het hof had overgeslagen, moest toch nog eindelijk die vreeselijke straf eener 19jarige gevangenschap over haren geliefde hooren uitspreken. Was het wonder dat zij bezwijmd werd weggedragen? —

Hoogst tragisch is het slot. «Doctor Antonio in de kleeding van een gemeenen misdadiger, sleept zijne kluisters in gindsch grimmig kasteel» (dl. 2 pag. 257). Op dit eiland (Ischia) bewoont nu ook Lucy eene villa, waar zij met enkele vertrouwde vrienden een plan vormt om Antonio te bevrijden. Dit plan mislukt, omdat Antonio de vrijheid weigert zonder dat zijne vrienden daarin deelen; het wordt ontdekt, en Antonio naar elders gebragt. Het berigt dat dit geschieden zal, heeft op de reeds geschokte gezondheid van Lucy zulk een nadeeligen invloed, dat zij sterft, met het hoofd naar het kasteel gekeerd, waar haar beminde in ballingschap zucht. En nu eindigt de schrijver aldus: Doctor Antonio lijdt, bidt en hoopt nog altijd voor zijn Vaderland!

Zietdaar den hoofdinhoud van dit boek. Is het een dusgenaamde historische roman? — Zijn de hoofdpersonen, Lady Lucy en Doctor Antonio, werkelijk bestaande personen? — In

858

eene noot op bl. 287 wordt verzekerd dat de bijzonderheden in het 26ste en 27ste hoofdstuk medegedeeld, een uittreksel zijn uit eene correspondentie, destijds in het licht gegeven door een gematigd en kundig geredigeerd dagblad te Turijn, de Risorgimento. — Is al het andere inkleeding ? En zoo ja : dan vraag ik voor welke gedachte? Wat is het streven van den schrijver met dezen roman geweest? —

Toch niet het schrijven van een dusgenoemden godsdienstigen roman, want er komt niets in voor, dat dit boek op dezen naam regt geeft. Als de schrijver bedoeld had,, om zijn held Doctor Antonio te maken tot type van een waarlijk godsdienstig man, dan had hij hem deze woorden niet in den mond gelegd: Ik mag ver—d zijn, als ik het doe! (dl. I. bl. 111). Dan zouden wij deze woorden niet lezen «Lucy, Lucy, mijne edele vriendin! help mij om uwer en mij zeiven waardig te zijn (2, bl. 198), of «uwe liefde zal mijn schild zijn» (bl. 199). Zulke uitdrukkingen kunnen onmogelijk uit den mond van een Christen voortkomen. Zij bewijzen dat de schrijver van dit boek nog onbekend is met datgene, waarin de ware Christen zijne heerlijkheid en zijne sterkte zoekt. Niet in den lof des menschen, niet in het steunen op het vleesch. «Daar komt,» zal men zoggen, «volk van God in,» en dit is voor dosgenoem.de godsdienstige menschen reden genoeg om nog- met zulke menschen, met eene tint van godsdienstigheid overdekt, te zijn ingenomen; maar wat moet men dan denken over eene uitdrukking als deze: «Daarna was er niets, wat Antonio langer te Napels terughield, niets anders dan de toovermagt die hem boeide, of wij zouden er moeten bijvoegen nzijn noodlot» (!).

Kwaad zal deze roman niet doen, en dit is reeds eene, ofschoon negatieve verdienste; maar zal hij goed doen? — Wij betwijfelen dit. Ware hier slechts de treurige ervaring van de hopeloosheid der aardsche liefde voorgèsteld als prikkel om te staan naar de nimmer hopelooze liefde tusschen God en den boetvaardigen zondaar, dan had de schrijver een goed werk volbragt. Daar wordt in dezen roman het bewijs geleverd, dat

859

zij, die elkander opregt beminnen, niet altijd hier beneden hun wensch verkrijgen; welk eene heerlijke tegenstelling had nu met de herinnering aan aardsche teleurstellingen, die aan hemelsche verwachtingen kunnen vormen! Wij hebben medelijden met allen die alzoo ondervinden, dat het hier beneden op het gebied der huwelijksliefde veelal is een zoeken zonder te vinden, ook al krijgen zij elkander; daarom hadden wij zoo gaarne hier gewenscht de voorstelling van de heerlijke vergoeding, welke in de liefde van den Heer en tot den Heer is gelegen. Dat men de schaduwzijde van dit leven ontdekt, het kan geen kwaad, het is goed, menigmaal zeer goed, ofschoon het geneesmiddel bitter is; maar men vergete toch nimmer dat het romanlezend publiek het dringend noodig heeft, om van de bouwvallen des aardsehen geluks te worden gewezen op het waarachtig en blijvend geluk der opregte dienstknechten Gods. Eerst dan en dan alleen brengt het schrijvers of vertalers en uitgevers van romans eene waarachtige winst aan, eene winst, waarvan de waarde genoten wordt aireede terwijl men leest en ook dan als men gelezen heeft. Dan mag men onder het woord einde een ander woord plaatsen, begin, begin van een nieuw leven, een leven van ernstig nadenken over het ijdele vau alle lectuur die, wat noodig is tot zaligheid, bedekt; begin van een leven der ernstige bekommernis over het eenenoodige, zij het door Gods genade, begin ook van een leven des gebeds en des geloofs en der waarachtige goddelijke liefde!

Vaassen, Nov. 1864. J. G. VERHOEFF.

 

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 855-859

 

Verhoeff wordt door Montfoort beroepen

Ds. Jacob Gerard Verhoeff

MONTFOORT, 11 Oct.

Nadat ook Ds. P. J. R. Laan, Pred. te Hoenderloo, voor de beroeping herwaarts bedankt had, werd het drietal aangevuld met Ds. J. G. Verhoeff, Pred. te Vaassen, en deze daarop met eenparige stemmen tot Herder en Leeraar dezer Gemeente beroepen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 780.

Verhoeff wordt beroepen door Ridderkerk

Ds. Jacob Gerard Verhoeff

RIDDERKERK, 27 Oct.

Op nieuw heeft de Kerkeraad de navolgende nominatiën geformeerd;
Twaalftal: DD. H. C. Bervoets, te Hattem; J. Cramer, te Charlois; J. J. Eigeman, te Hengelo; W. J. Geselschap, te Heemstede; W. H. Krijt, te Berkel; J. C. Matthes, te Bergambacht; W. Mense, te Voorthuizen; S. P. W. Roorda van Eysinga, te ’s Grevenbicht; J. E. van Toorenenbergen, te Lienden; J. G. Verhoeff, te Vaassen; P. H. Wolf, te Klundert en G. J. Zijnen, te Zwijndrecht.
Zestal: DD. Geselschap, Krijt, Mense, Verhoeff, Wolf en Zijnen.
Drietal: DD. Krijt, Mense en Verhoeff;
Waaruit beroepen is Ds. J. G. Verhoeff, Pred. te Vaassen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 774.