05 Een hulpprediker

In 1949 wordt in een vergadering tevens gedacht aan de aankoop van “Hotel de Cannenburgh” aan de Dorpsstraat naast de kerk. Samen met de kerk zou het een mooi geheel vormen voor diverse doeleinden. Helaas durft de kerkvoogdij het niet aan. Eerst moeten er middelen gevonden worden en de tijd om te beslissen is kort. Ook de middelen voor het aanstellen van een hulpprediker zijn nog niet aanwezig.

In december 1949 lezen wij dat de meisjesvereniging “Dorcas” is opgeheven. Het resterende kasbedrag f. 98,01 wordt aan de Diaconie geschonken voor een kerstattentie aan behoeftigen. De Diaconie kan best iets gebruiken want regelmatig zijn er mensen en instellingen die een beroep doen op hun kas. Dat valt niet altijd in goede aarde bij sommige leden van de kerkenraad, zoals het verzoek van de sociale dienst in de Gemeente Epe, om een bedrag van f. 7,85 als bijdrage in de onkosten van een solex voor de maatschappelijke werkster. En als dan blijkt dat deze dienst het bedrag al op de rekening van 1949 heeft geplaatst, geeft dit een zeer opgewonden stemming. Maar tenslotte betaalt men toch maar!

Elke vergadering begint nog steeds met het tellen van de collecten. Dit neemt veel tijd in beslag en het zal nog een hele tijd duren voor hier verandering in komt.

Op 22 december 1949 wordt een kerstwijding gehouden, georganiseerd door de Jeugdcommissie. Hieraan werken mee: de “Lofstem” uit Wiesel, het christelijk gemengs koor “Hosanna”, het mannenkoor “Looft den Heere” en nog een jongeliedenkoor. Hoewel de koren wellicht niet zo groot waren als heden, was het toch wel improviseren in verband met de ruimte in de kerk. Tegenwoordig is er een groot liturgisch centrum, maar door de opstelling van de banken in die tijd was er maar een kleine ruimte voor de preekstoel en stonden de koren vaak opgesteld in de hoeken achter in de kerk, wat de klank enzovoort niet ten goede kwam.

Boeiend zijn de notulen om te lezen die ds. Kalmijn schreef. Zo schrijft hij dat de rekening van de kerstviering van de Zondagschool ter tafel wordt gebracht. De inkomsten zijn f. 377,47 en de uitgaven f. 377,15, zodat het overschot zijnde f. 0,34 bij het kapitaal op het spaarbankboekje gedeponeerd kan worden. Je proeft hier zijn groot gevoel voor humor. Verder in dit verslag: “De rondvraag levert twee opmerkingen; één van de landbouwers wil schrikdraad plaatsen om een weiland (gepacht van de kerk neem ik aan). Het advies van de landbouwers-kerkenraadsleden is “niet doen”. En de vergadering luistert naar dit advies, waarmee het verzoek dus wordt afgewezen.

Op 2 april 1950 doen wij belijdenis des geloofs. De catechisatie was altijd gezellig en goed te volgen. ds. Kalmijn maakte nooit veel problemen en wij ook niet. Toch waren wij met een grote groep die toen belijdenis deed, namelijk zo`n 40 jongelui. Het kwam bij ons gewoon niet op om te zitten `klieren`. Op de aannemingsavond, waar de kerkeraad bij aanwezig was, kregen we om beurten een paar vragen, maar deze waren ons van te voren al bekend, zodat we niet in de problemen raakten. Zij die met beste bekend waren in de Bijbel en de geschiedenis, kregen de moeilijkste vragen. We hebben de catechisatie-lessen altijd met genoegen gevolgd bij ds.Kalmijn

De opbrengsten van de lijkwagen worden steeds minder. Over het jaar 1949 waren de inkomsten f. 761,- en de uitgaven f. 582,46. Van het saldo wordt f.150,- bij het kapitaal gevoegd en de rest is kasgeld.
Tegenwoordig is iedere begrafenis vanuit een aula van de een of andere uitvaartonderneming. Vroeger was dat meestal vanuit het huis van de overledene. De uitvaart werd veelal geregeld door de familie en de buren. Er was wel een ”aanspreker” op het dorp. Vaak een timmerman die ook de kist vervaardigde. In Vaassen was dat in die tijd Jan van Laar. Hij woonde aan de Kerkweg en had daar een kleine timmerwerkplaats. Mijn moeder heeft hem vaak geholpen met afleggen, opbaren en later bij de begrafenis het koffie schenken. Later was het koster Van de Vlekkert die dit werk deed en ook hem hielp mijn moeder wel eens.

Ds. Kalmijn is nog steeds niet opgeroepen als legerpredi­kant, maar dat kan nu ieder ogenblik gebeuren. Dit volgens de notulen van 10 maart 1950. Toen het dan ook eenmaal zover was, was ds. Kalmijn ook bijzonder trots op zijn uniform en het moet gezegd worden, het stond hem ook bijzonder goed.

In de vergadering van 8 mei 1950 wordt er nog eens over een hulpprediker gesproken. Er wordt nu besloten een advertentie te plaatsen in de “Hervormde Kerk”. Er wordt gezocht naar iemand die in het bezit is van de akte Godsdienstonderwijs of een emeri­tus predikant. Er melden zich 60 personen.
Er zijn twee zaken aan de orde. Er moet op korte termijn en op langere termijn een oplossing gevonden worden. Op korte termijn kan de heer De Jonge uit Terwolde benoemd wor­den, maar op langere termijn moet de kerkvoogdij een oplossing zien te vinden en er de financiën voor vrij maken.

Uit de lijst van sollicitanten wordt ook de naam genoemd van ds. Quéré. Deze dominee staat in Numansdorp. Hij is geboren op 6 oktober 1884 en is emeritus. Op dat ogenblik kan hij echter niet naar Vaassen komen, maar gaat als hulp in het pastoraat naar Helenaveen in Noord-Brabant. Later komt hij toch nog naar Vaassen. Niet als hulpprediker, maar als bewoner van de boven­verdieping van de pastorie aan de Dorpsstraat, bij ds. Kalmijn. Na een jaar verhuizen ze echter al weer naar Apeldoorn. Ds. Quéré kende deze omgeving want hij heeft ook in Emst en Nijbroek gestaan. Hij is overleden op 10 mei 1969. Hun zoon woont nog steeds in Vaassen en hun kleinzoon heeft in verband met vijftig jaar bevrijding van Vaassen een boek geschre­ven: “En de dorpsklok luidde weer”. En dat was onze dorpsklok. En zo zie je maar weer.

De kerkvoogdij heeft nog geen geld voor een hulpprediker. Wel is er geld voor een rijwiel met hulpmotor voor de dominee, zo­dat hij wat sneller door Vaassen kan toeren en de heer De Jonge kan de catechisaties op de scholen blijven doen. Daarmee is echter de kwestie van een hulpprediker niet opge­lost en er zal toch iets moeten gebeuren. Al in de vergadering van 10 juli komt het weer ter sprake en de notulist schrijft: “Het is half twaalf als de kwestie van een hulpprediker nog eens ter tafel komt. “Door rook en damp zijn de geesten niet meer zo helder, daarom zal deze zaak nog eens op een extra vergadering besproken worden.” Voorlopig dus even op een zijspoor.

De Diaconiewoningen aan de Kerkweg moeten afgeschilderd worden, de kosten zijn f. 450,-. Ook heeft de Diaconie nog een huisje aan de Jonasweg en volgens de notulen vanaf 1832 be­doeld als “armhuis”. De Diaconie weet niet precies hoe ze aan dit huisje is gekomen. Maar zij denkt er over om het te verko­pen. Hoewel dit huisje steeds veel reparaties met zich mee brengt gaat de classis niet akkoord met de verkoop.

En dan in eens is er schot in de benoeming van een hulp­prediker. In de vergadering van 22 augustus 1950 wordt de Eerwaarde heer W.G. de Jonge uit Terwolde benoemd als hulpprediker gedurende de diensttijd van ds. Kalmijn. Zijn taak zal zijn het houden van catechisatie op de scholen, zieken bezoeken, het bezoeken van ouden van dagen en het leiden van begrafenis­sen. Omdat het werk meestal per fiets moet gebeuren, krijgt hij bij slecht weer in de winter autokosten vergoeding. En voor zijn fiets met hulpmotor, benzinevergoeding.

Ik mocht meestal wel graag naar de preken van “meneer De Jonge” luisteren. Hij preekte bijna geheel uit zijn hoofd en vrij eenvoudig. Hij wilde ook altijd graag weten hoe de mensen op zijn preken reageerden. Vaak kwam hij in de week bij mijn moeder en vroeg dan of ze iets aan zijn preek had gehad. Zo ontspon dan vaak een gesprek over de preek. De heer De Jonge woonde met zijn vrouw aan de Kerkweg. Zijn vrouw was naar ik mij herinner wat ziekelijk. Hij heeft heel veel bezoekjes afgelegd en ik denk dat hij vooral bij de ouderen goed stond aangeschreven.

 

04 Maatschappelijke betrokkenheid

Ook de andere buitenwijk (ten oosten van Vaassen) heeft de aandacht. Er wordt gedacht om er een zondagsschool te beginnen “vanwege de geringe Bijbelkennis op de openbare lagereschool aldaar”. Hier wordt de school in de Geerstraat mee bedoeld.
Ook het peil in onze eigen dorpsgemeente wordt trouwens niet zo hoog aangeslagen. Op een vraag van de administratie van het “weekblad de Hervormde Kerk” om te proberen in Vaassen meer lezers te winnen, antwoord de kerkenraad: “Hier is een geringe leeslust en de inhoud gaat vaak boven het bevattingsvermogen van de doorsnee lezer”.
Maar het laat de kerkenraad echt niet koud wat er zoal in het dorp gebeurd. Dat blijkt, wanneer het Vaassen FanfareCorps er over denkt om te veranderen in een harmonieorkest en daarom een kermis tijdens de Pinksterdagen wil houden, komt de kerkenraad hier tegen in verweer. Zij wil de burgemeester verzoeken dit niet toe te staat tijdens de Pinksterdagen. Dat was in 1947.

De jeugdraad was ook anti-kermis, want in 1946 hebben zij een onderhoud met de Oranjecommissie. Dit onderhoud vindt plaats in Hotel de Valk. De Oranjecommissie is namelijk van plan om tijdens de bevrijdingsfeesten een kermis te houden. De jeugd­raad is hier op tegen. De commissie hoort de uitleg van de jeugdraad aan, maar het wordt niet overgenomen. En toch, zo schrijft de notulist, 5 mei zal een feestdag zijn zonder kermis. En zo zie je maar weer.

Broeder de Wilde verlaat de kerkenraad wegens vertrek naar Apel­doorn, in zijn plaats wordt gekozen broeder J. van Laar.

Tegenwoordig wordt er veel gecollecteerd voor allerlei doel­einden. Dat was echter ook na de oorlog het geval. Veel kerken waren door het oorlogsgeweld verwoest of zwaar beschadigd en moesten weer opgebouwd worden. Hiervoor werden in de kerken collecten gehouden. Zo werd ook in 1947 voor de opbouw van de kerk in Ochten in de Betuwe een collecte gehouden. De opbrengst mocht er zijn. Er wordt f. 2.534.05 opgehaald. Zowaar een fors bedrag voor die tijd.

Ons dorp is nog niet zo groot en één predikant en 4 ouderlin­gen moeten de Hervormde gemeente bewerken. Dat gebeurt meestal op de fiets. Herhaaldelijk blijft ds. Kal­mijn dan ook bij een gezin eten als hij over het kanaal (hij noemt dat het Overjordaanse) de gezinnen bezoekt. De afstand is te groot voor hem om tussen de middag even naar huis te fietsen. Voor één predikant is het aantal Hervormde zielen voor die tijd niet gering. Als de kiezerslijst in 1947 wordt opgemaakt blijken er 695 mannelijke en 700 vrouwelijke lidma­ten te zijn. Het aantal Hervormde zielen is 2.500.

In 1920 telt de Herv. Gemeente in Vaassen 1.600 zielen. In 1923 zijn er dat 2.000 en in 1938 al 2.300. Vaassen groeit dus nog steeds. In de jaren na de oorlog doen veel jongeren belijdenis des geloofs. In 1947 zijn er dat maar liefs 51, verdeeld over 2 catechisaties. In 1938 zijn dat toch nog 36 jonge mensen die belijdenis doen. Er wordt besloten om de belijdeniscatechisa­tie als een tweejarige cursus te houden voor jongens en meisjes van 19 jaar en ouder. Dit alles verzorgt door 1 predi­kant, dat is niet mis. Kom daar nu eens om!

Steeds beginnen de kerkenraadsvergaderingen met het tellen van de collecten. De opbrengst in de maand juli 1948 is: voor de Diaconie f. 134,58, voor de inwendige zending f. 55,28, voor Zonnegloren f. 88,95 en voor kinderzorg f. 59,95, totaal dus f 338,76.

Hierbij enkele collecten uit vroegere jaren:

  • Zondag 29 april 1855:
    In de morgendienst f. 5,15 en in de middagdienst f. 2,30.
    De predikant was ds. Nijhof.
  • Zondag 21 maart 1858:
    In de morgendienst f. 7,25 en ’s middags f. 3,05.
    De predikant was ds. Nonhebel.
  • In de maand augustus 1894: f.14,70.
    De predikant was toen ds. Lucas.
  • In de maanden mei en juni 1907: f.57,58.
    De predi­kant was ds. Geselschap. Zie hier een blik in het verleden.

De Diaconie stond toen en staat nu nog voor de hulp aan diverse personen die in moeilijkheden zijn. In de jaren na de oorlog deden veel mensen een beroep op de Diaconie. Vaak was hier jarenlange hulp nodig voor bijvoorbeeld mensen die opgenomen waren in instellingen zoals een sanatorium. Ook kinderen in pleeggezinnen waren een voortdurende zorg voor de Diaconie en de kerkenraad. Heel vaak brengt de kerk hulp in natura bij gezinnen waar hulp nodig is. Die hulp bestaat vaak uit het bezorgen van brandstof in de vorm van kolen en turf. Ook wordt wekelijkse geldelijke steun gegeven, of een plaatselijke krui­denier brengt boodschappen die dan weer door de Diaconie worden betaald.

De Diaconie was ook in het bezit van een lijkwagen. De zorg voor deze wagen en voor alles er om heen was ook voor de Diaconie. Steeds is er weer wat nodig. Dan moeten de dekkleden van de paarden aangeschaft worden voor f. 260,- per stuk, dan weer jassen voor de dragers. Of er is weer een reparatie aan het koetswerk. Daardoor moeten af en toe de tarieven bijge­steld worden bijvoorbeeld:

  • 1e klasse begrafenis, dragers met tressen kost f. 32,50;
  • 2e klasse begrafenis, dragers met tressen kost f. 27,50;
  • 3e  klasse begrafenis, dragers zonder tressen kost f. 22,50

De huur van de lijkwagen zonder dragers is f. 20,-. In een dergelijk geval dragen meestal de buren of de familie.
Het huisje waar de lijkwagen in stond, stond op de plaats waar nu “de Rank” is. We speelden daar heel veel in de buurt en als dan de lijkwagen ‘uitrukte’ was dat voor ons een hele beleve­nis. Het was een angstig gezicht als de paarden ingespannen werden en de zwarte dekkleden er over gingen, met de zwarte kappen over hun hoofden. Koetsier was de heer Brummelkamp van de Stationsstraat. Bij een 1e klas begrafenis droeg hij een steek.
Later is de lijkwagen verkocht. Ik kom daar nog wel op terug

Weer naar de kerkenraad. In 1949 komt ‘meester’ Smit van de Julianalaan in de kerkenraad als ouderling. Deze zal jarenlang dienst doen, evenals broeder Heering als diaken. Ds. Kalmijn krijgt het verzoek zich als legerpredikant beschikbaar te stellen. Dat geeft veel stof tot besprekingen, want er zal dan voor een vervanger gezorgd moeten worden. Ds. Groenewoud is bereid de bejaarden en zieken te bezoeken en ook begrafenissen te lei­den. Hij wil ook wel huwelijken inzegenen. Hij zal het westelijk deel van Vaassen voor zijn rekening nemen en ds. Lindenburg uit Nijbroek zorgt voor het oostelijk deel. Deze zal tevens de catechisaties op zich nemen samen met de Eerwaarde heer De Jonge uit Ter­wolde.

Het is misschien hier de plaats om iets meer te vertellen over ds. Groenewoud. Hij werd geboren op 5 augustus 1871 te Harlin­gen. Na zijn studie werd hij bevestigd en deed zijn intrede in Vriezenveen. Het leek hem niet verstandig om na zijn emeritaat daar te blijven wonen en zocht een andere woonplaats. In Vaassen kwam een huis vrij na het overlijden van Mevrouw Voor­horst. Haar dochter woonde en werkte in Hattem. Daar stond in die tijd ds. Israëls. Deze dominee was bevriend met ds. Groene­woud en via ds. Israëls en de dochter van Mevrouw Voorhorst kwam ds. Groenewoud met zijn vrouw en dochter in Vaassen te wonen. Dat was op 6 aug.1942, in de oorlogsjaren dus. Het gezin kwam te wonen aan de Apeldoornseweg in het huis -de Sukerbrink-.
In 1943 dreigden de Duitsers het huis te vorderen. Ds. Groenewoud werd tot hulpprediker benoemd voor een jaar. Hij had nu een baan en zo kon hij blijven wonen. Later werd de benoeming met nog een jaar verlengd. Het was wel een onbezoldigd baantje. In 1944 werd hij benoemd tot ouderling. Ik kan mij hem nog heel goed herinneren. Hun dochter Dirkje, oor­spronkelijk werkzaam in de verpleging, kwam in Vaassen bij het kleuteronderwijs. Zij heeft heel veel gedaan in het kerkelijk jeugdwerk hier ter plaatse. Tevens als leidster van een meisjesvereniging en in de jeugdcommissie. Ds. Groenewoud is hier na een lang en werkzaam leven in 1966 overleden en begraven. Op de Eerwaarde heer De Jonge komen we later nog terug.

In oktober 1949 kreeg ds. Kalmijn een beroep naar Ommen. Hij bedankte echter hiervoor. In Ommen vergaten ze Vaassen niet want in 1972 hebben ze meer succes, dan neemt ds. Rietberg het beroep naar Ommen wel aan. Zo zie je maar weer. Naar aanleiding van het afgewezen beroep van ds. Kalmijn is er een bespreking tussen kerkvoogdij en kerkenraad om te komen tot een bijstand in het pastoraat.

 

03 De inrichting van de oude kerk

Interieur en liturgisch centrum voor 1962

Toen ds. Van Deelen vertrok werd door de kerkenraad naarstig naar een andere predikant gezocht. In die tijd stond de kansel nog tegen de zuidge­vel, tussen de beide middelste ramen. De banken stonden er in een halve cirkel omheen. De eerste banken waren voor de kerkenraadsleden. Vanaf de kansel gezien: links de vier diakenen en rechts de vier ouderlingen, allen natuurlijk mannen. Dikke kerkenraadbijbels sierden de banken. Heel indrukwekkend. Een eindje achter hen was de bank voor het gezin van de predikant, met daarachter de bank voor de notabelen en de kerkvoogden. En zo hoort het, orde moet er zijn.
De ruimte voor de preekstoel was niet groot. Met het avondmaal was er niet zo veel ruimte. Ook voor de medewerking van een koor was alles erg krap.
De meeste banken, ofwel zitplaatsen, waren verhuurd. Dat lever­de de kerk een mooi bedrag op. In 1945 was dat bijvoorbeeld een bedrag van f. 2.283,50, een fors bedrag voor die tijd. Wij hadden ook een gehuurde zitplaats. Als het druk was, dan moest je wel op tijd komen, maar je was verzekerd van een plaats. Later werd er een lampje aan de kansel aangebracht en een paar minuten voor de aanvang van de dienst ging deze branden en daarna waren alle zitplaatsen vrij. De achterste banken waren de z.g. vrije zitplaatsen. Daar zaten dan ook meestal de jongelui.

De ouderlingen in deze vacaturetijd waren: Ds. O. Groenewoud, H. Kleiboer, G. Pol en J. Brouwer.
De diakenen waren: G. Beek­huis, H.J. de Wilde, H. Kers en W. Vosselman.
Kerkvoogden en notabelen ga ik hier niet vermelden. De be­schrijving van de kerkvoogdij voert mij te ver. Graag wil ik mij beperken tot het meer “geestelijk” gebeuren in de kerk.

De kerkenraad zet het beroepingswerk in gang. Op 28 oktober 1945 neemt Ds. Van Deelen afscheid en zijn laatste kerkenraads­vergadering is op 26 oktober. De predikant was in die tijd altijd de voorzitter van de kerkenraad en tevens notulist. Er is wel een ouderling-scriba, maar die zet alleen maar zijn naam, na het voorlezen van de notulen, in het dikke boek waarin de notulen werden geschreven.
Het was zo de gewoonte dat voor de aanvang van de kerkenraad­vergadering de collecten van de afgelopen maand werden geteld. Af en toe zal ik een paar bedragen vermelden. Bij het lezen van de notulen valt het op dat de diaconale zaken een groot gedeelte van de vergadering vullen. Voor de ouderlingen lijkt dat misschien niet zo interessant, maar dat is schijn. Ik denk dat het juist heel goed is dat de ouderling weet wat de socia­le noden zijn in de gemeente. Dat was in de oorlogsjaren en zeker in de jaren daarna nog veelvuldig het geval.
Later kwamen de sociale wetten die moesten zorgen voor verbe­tering in vaak armoedige situaties. Met het werk van de diaconie kwam ik ook al vroeg in aanraking.

In 1932 woonden we nog in Gortel en in dat jaar overleed mijn vader. Wij woonden aan de Oranjeweg, in een huis van de Koninklijke Houtvesterijen. Mijn vader werkte daar o.a. als timmerman. Na het overlijden van mijn vader moesten wij het huis verlaten. In Gortel zelf was niets te huur, dus zocht mijn moeder in Vaassen een woning. Ze was nu weduwe zonder inkomen en het pensioen was maar matig, dus de huur mocht niet te veel zijn. In Gortel was er erfhuis gehouden en de opbrengst was niet hoog. Het bedroeg f. 245,75. De begrafeniskosten, f. 150,-, zijn uit deze boedel betaald. Het was dus geen bedrag om hoge sprongen mee te maken.
Er was een huis vrij aan de Kerkweg no. G 73. Het behoorde toe aan de Diaconie en het was in de volksmond “het armhuis”. Niet omdat de mensen die er in woonden nu direct arm waren, maar het was een huis van de Diaconie, van de armenzorg, dus armhuis. Hoe dan ook, voor ons geen bezwaar, we woonden er goed en niet duur en daar ging het om. Het was een blok van vier wonin­gen en toen wij er kwamen wonen waren de andere bewoners: naast ons woonde Frits Krijgsman, de vader van Jan Krijgsman die jaren lang schilder was en deze woonde ook aan de Kerkweg, daarnaast woonde Anna Goudkuil, een wat excentrieke vrouw en daarnaast dus aan het andere kant van het blok de familie Kamp­huis. Dit waren heel gezellige mensen, waar ik de fijnste herin­neringen aan heb.

Ds. L.J.R. Kalmijn

Terug naar het beroepingswerk in de vacature van ds. Van Dee­len.
In de vergadering van 24 januari 1946 werd een beroepingsbrief voorgelezen en daaruit blijkt dat ds. L.J.R. Kalmijn uit Woerden naar Vaassen komt. Dat zal, zo blijkt uit de notulen van de volgende vergadering, in april plaatsvinden. Tot vreugde van de Hervormde gemeente van Vaassen wordt op 14 april 1946, ds. Kalmijn bevestigd door ds. Burgersdijk uit Hattem. De tekst voor de bevestiging was Johannes 10:11 “Ik ben de goede Herder”.
’s Middags doet ds. Kalmijn zijn intrede met de tekst uit Lucas 23:34, “Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen”. Mooie woordspeling!

Pastorie aan de Dorpsstraat.

De toen 46 jarige predikant trekt met zijn vrouw Antoinette in de pastorie aan de Dorpsstraat. Later is deze voorname pastorie afgebroken en is er een bank gebouwd. Daarna werd het politiebureau. Dat is ook weer opgeheven. Alles verleden tijd.
Al de volgende dag is er een kerkenraadsvergadering waarin afscheid word genomen van ds. Hop uit Emst.
De manier waarop ds. Kalmijn de notulen schrijft typeert hem. Een groot gevoel voor humor blijkt door zijn manier van schrijven. Af en toe komt in deze terugblik hiervan iets naar voren. Een maand later, op 5 mei 1946, herdenken wij dat Nederland 1 jaar bevrijd is van de Duitse bezetting.

Een van de taken van de kerkenraad is te zorgen voor het jeugdwerk. Hierbij ben ik zeer nauw betrokken geweest en ik zal hier een apart ge­deelte over schrijven. U kunt hiervan ook wat vinden in de uitgave Ecclesia In Fasna van Wim van `t Einde.

Het werk van de kerkenraad staat nu onder leiding van ds. Kal­mijn. Er breekt een tijd aan van rust in de gemeente en van de wederopbouw van ons land. Er is veel werk in de gemeente. Vaas­sen groeit en de buitenwijken moeten ook bewerkt worden. Ds. Kalmijn houdt om de veertien dagen in Niersen een Bijbelkring op zondagavond. Dat bevalt blijkbaar zo goed, dat er later in Niersen geregeld op zondagmiddag een kerkdienst wordt gehou­den. Deze dienst vindt plaats in het “Zusterhuis”. Zelf heb ik daar later ook dienst gedaan als ouderling. Meestal gingen we met de fiets, want veel auto’s waren er nog niet. Als Jaap Smit als diaken dienst had gingen we nog wel eens met de auto. Ds. Kal­mijn vond dat prachtig en zat heel knus voorin van het ritje en zijn sigaar te genieten. Na de dienst dronken we een kopje thee bij de zuster. Een dominee had toen een drukke dag. Eerst de morgendienst, middagdienst in Niersen en later nog weer de avonddienst. Die dienst in Niersen was maar een keer in de maand, maar toch drukke dagen.

 

02 De dertiger jaren

Het kerkenwerk heeft mij altijd geboeid. Als kind van 5 of 6 jaar ging ik met mijn moeder mee naar de kerk. Zij ging altijd en ik moest dan mee. Moeder was weduwe en ik zou alleen thuis zijn. Mijn beide zusters waren de deur al uit, alleen thuis blijven dat ging niet, dus ging ik mee. Meestal voelde ik dat kerk gaan niet als een last. Je wist niet beter. Als kind begreep ik niet veel van de preek, maar ik vond het wel fijn om in de kerk te zitten. De preken duurden voor een kind soms wel erg lang en dan stootte ik mijn moeder aan en fluisterde:”Duurt het nog lang?” Meestal zei ze dan:”Nog maar een paar minuten”.

Dat was het begin in 1934. Ds. van de Zee de toenmalige predikant, preekte nog met een tussenzang. Er werden alleen maar psalmen gezongen en ook niet ritmisch. Maar toch vond ik het wel prettig om er te zitten. Moeder had altijd wel iets in haar tasje, een pepermuntje of een snoepje en soms een velletje papier met een potloodje, dan verveelde ik mij niet zo. Maar toch alles bij elkaar, de sacramenten van doop en avond­maal, het orgel, het zingen, de ruimte en de rust, het was toch wel de “moeite” waard.

De preken in de kerk zijn volgens de meesten niet erg kind­vriendelijk en in de meeste gevallen is dat ook wel zo, maar in die jaren zeker niet. Maar ’s middags was er weer Zondags­school en dan kon je luisteren naar de mooie verhalen uit de Bijbel en mooie liederen zingen. Tegenwoordig zijn er nog al wat kinderliederen. In mijn kindertijd waren er alleen maar Psalmen en Liederen uit de bundel van Johannes de Heer.

Natuurlijk had ik ook wel eens geen zin om naar de kerk of naar de zondagsschool te gaan, want je moest ook altijd nog een versje leren. Voor de kleinen was dat een versje van vier regels maar voor de grote kinderen soms wel een versje van twaalf regels. En dan ‘s maandags moest je weer een versje kennen voor de lagere school. En zo leerde je heel wat versjes en dank zij het overhoren van mijn moeder kende ik ze dan ook meestal wel. Dat leren van die versjes is toch niet voor niets, want later toen ik ouderling was en bij de mensen op bezoek kwam, merkte ik dat de mensen een heleboel vergeten waren, maar een eenmaal geleerd psalmversje bleef hangen. Vaak was dat ook het enige aanknooppunt. Ondanks deze voor een kind, zo op het oog minder prettige dingen, denk ik na al die jaren toch met genoegen hierop terug. Ik blader graag in oude geschriften en dan komen de herinneringen vanzelf weer naar boven.

Natuurlijk geldt dit niet voor alle mensen. Heel wat mensen hebben niet zulke prettige herinneringen aan kerk en geloof. Ze ervaren het als een drukkende last en zo gauw ze zelf konden beslissen werd de kerk vaarwel gezegd. Dat is jammer. Het zijn vaak omstandigheden die hier toe leidden. Omstandigheden thuis en in hun omgeving en ook in de kerk zelf waren hier wel eens schuldig aan. Het ligt nooit aan de Heer der kerk, maar helaas nog wel eens aan Zijn “personeel”. De Heer wil graag dat alle mensen blij en gelukkig worden, maar de mens is soms zo dwars en dwaas.

Maar in elk geval wil ik trachten om de herinneringen die ik zelf heb uit die tijd en dan vanaf de oorlog naar boven te halen en op te schrijven. Geschiedkundig zal ik misschien wel eens geweld plegen, maar dan zonder bijbedoelingen. Ik wil proberen om het kerkenwerk hier in Vaassen van onze Hervormde ­Gemeente, verricht door mensen, op te schrijven zoals ik het beleefd heb en ervaren.
Dan denk ik met eerbied aan al die werkers in de kerk die zoveel tijd en moeite gegeven hebben aan een kerk die hun lief was en van uit hun geloof zo veel voor anderen gedaan en betekend hebben.

In de oorlogsjaren van 1940-1945 was Ds. Van Deelen hier predi­kant. Hij had het niet gemakkelijk. In een tijd waarin voedsel en brandstof zeer schaars was. Hij had een groot gezin en al die monden moesten gevoed en gekleed worden. Hij was geboren op 15 november 1900. In Adorp werd hij bevestigd in 1925. Na Oostermeer en Oosterend kwam hij in 1937 naar Vaassen. Op 4 juni 1993 overleed hij in Utrecht.
Ds. Van Deelen preekte niet gemakkelijk. Hij was wel eens moei­lijk te volgen, althans voor de jongeren.
Ds. Van der Zee, zijn voorganger, behoorde tot de Gereformeerde Bond.
Ds. Van Deelen was een confessionele predikant in Vaassen. Aan zijn beroep naar Vaassen ging een soort kerkstrijd vooraf. Hier weet ik weinig van en ik laat het ook maar liever rusten.
Na de oorlog stopt ds. Van Deelen met zijn loopbaan als predikant. Hij wordt aangesteld als 2e secretaris van de Bond voor Predikanten. Als consulent kregen wij ds. Hop uit Emst. Hij kwam op de catechisatie waar ik toen ook op zat. Het eerste wat hij vroeg was: “Met welke zondag uit de catechismus zijn jullie bezig?” Nou we waren helemaal niet met de catechismus bezig. We hoorden er wel eens van in de middagdienst op zon­dag, dan werd er vaak uit gepreekt, maar we behoefden er nooit uit te leren. Dat werd nu anders. We moesten maar meteen begin­nen met zondag 1, deze moesten we de volgende week kennen.

 

01 Inleiding

Laat ik beginnen mij voor te stellen. Mijn naam is Lubbert (Lub) Visch. Geboren te Gortel op 30 april 1928.
Mijn vader was Aat Visch, geboren in Gortel op 15 augustus 1885 en overleden op 16 september 1932. Mijn moeder was Maria Bosch ook geboren te Gortel en wel op 13 juni 1893. Zij is overleden op 7 juli 1982 te Vaassen. Beide zijn begraven te Emst. Ik had twee oudere zussen. Gerritje en Annetje.
Ik ben op 18 juni 1952 getrouwd met Evertje (Eef) Prins. Zij is geboren 8 februari 1929. Haar vader was Albert Prins, geboren 16 juni 1895 en overleed op 12 december 1970. Haar moeder was Janna Rozendal, geboren 18 februari 1890 en overleed op 9 februari 1962. Beide zijn begraven in Vaassen
We hebben drie dochters: Marianne, Joanne en Arita Marijke.

Ik ben gedoopt in de Hervormde kerk te Emst. Mijn vader was Gereformeerd en daar Gortel kerkelijk onder de Gereformeerde Kerk te Epe ressorteerde moest mijn vader zijn dochter Gerritje in Epe laten dopen. Mijn vader noch mijn moeder waren belijdende leden. De dominee van Epe stond erop dat mijn ouders eerst belijdenis deden alvorens hun dochter te laten dopen. Mijn ouders waren bereid belijdenis te doen, maar pas nadat hun dochter gedoopt was. Dat mocht niet. Mijn vader is toen naar de dominee van de Hervormde gemeente te Emst gegaan om de doop te vragen. Die wilde wel, als zij beloofden daarna belijdenis te doen. Dat was beloofd. Mijn zuster werd gedoopt en mijn ouders deden op 28 maart 1920 beiden belijdenis des geloofs in de Hervormde Gemeente te Emst.
Had de Eper dominee gehandeld als zijn collega uit Emst, was ik Gereformeerd geweest. En zo loopt het soms in het leven.

Na mijn geboorte woonden we dus nog in Gortel, maar mijn vader was nog maar 47 jaar toen hij stierf en daar wij woonden in een huis van de Houtvesterijen moesten we verhuizen. Mijn moeder vond een huis in Vaassen aan de Kerkweg, dicht bij de kerk en daar begon mijn leven in de Hervormde Gemeente van Vaassen.

Voor we verder gaan even het volgende: Wie wil reageren op mijn verhaal, kan dat doen via e-mail, lvisch@zonnet.nl.
Er mag zonder mijn toestemming niets, op welke wijze dan ook, van mijn verhaal gebruikt worden. Ik hoop dat u dat respecteert.

Waarom doe ik dit? Omdat het kerkelijk leven voor mij meer dan boeiend is. Niet alleen omdat er van alles in en om de kerk gebeurt, zoals de organisatie, de kerkenraad, het beheer en alles daar omheen. Het leeft in de kerk. Letterlijk en dat komt omdat het in de kerk altijd om mensen gaat. En in de eerste plaats om de Heer der kerk, die het ook om de mensen gaat.

Geslachten komen en geslachten gaan. Zij hebben in de kerk geleefd en gewerkt. Het evangelie is er gebracht op vele manieren aan jongen en ouden, door vele predikers. Ik spreek dan nog maar van eigen ervaringen en dat is nog maar ruim een halve eeuw. Ook is het een aaneenschakeling van gebeurtenissen, feiten en mensen. De predikant Ds. W. Vijfvinkel, schreef in Hervormd Vaassen van januari 1991, in het kader van Vaassen 1100 jaar. Het was ter gelegenheid dat Vaassen 1100 jaar geleden een kapel kreeg en daarmee ook het kerkelijk leven in Vaassen is begonnen. Hij schreef: “In gedachten zie ik hen bij het doopvont staan, een eindeloze rij. En de kerk gaat altijd door”. “De kerk is er bij vreugde en verdriet, met al haar eenheid en verdeeldheid”. En zo is het. Het is een werk dat door gewone mensen gedaan wordt in alle gebrekkigheid en niets menselijks is hen vreemd. Het wordt verricht door falende mensen, die dat weten, maar toch bezig zijn in die kerk, omdat ze zich daartoe geroepen voelen. Door predikanten, door ouderlingen en diakenen en niet te vergeten de kerkvoogden die altijd maar weer moeten zorgen dat de gelden bijeen gebracht worden, zodat het kerkenwerk voortgang kan vinden. De kerkvoogden werden vroeger bijgestaan door de notabelen. Dat college is tegenwoordig verdwenen en de kerkvoogden maken nu deel uit van de kerkenraad.