Ds Wouter Leendert Tukker

Ds. Wouter Leendert Tukker

Deftig, vreedzaam en beminnelijk

In hervormd-gereformeerde kring, maar ook daarbuiten was zijn naam een begrip. Ds. W.L. Tukker had 27 jaar zitting in het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, de laatste acht jaar als voorzitter. In zijn optreden was hij een man die het brede geheel van de Hervormde Kerk op het oog had. Door zijn irenische opstelling maakte hij ook vrienden onder mensen die niet tot de eigen richting behoorden. Portret van een geleerd theoloog en een echte calvinist.
J.P. Neven

De familie Tukker is afkomstig uit de Alblasserwaard. Bleskensgraaf was de geboorteplaats van Baltus Tukker, de vader van ds. W.L. Tukker. Zijn moeder, Cornelia van Wijngaarden, werd geboren in Giessendam. Op 8 april 1898 traden Baltus en Cornelia in het huwelijk. Ze gingen in Nieuwpoort wonen. In 1902 verhuisde het echtpaar naar Hoek van Holland. Daar vestigde Baltus zich als koopman. Later oefende hij het beroep van melkboer uit.
Op 14 september 1909 werd Wouter Leendert geboren (roepnaam Leen), als zesde kind in het gezin. Hij werd in de houten kerk van Hoek van Holland gedoopt.
Leen groeide kerkelijk op in een ethisch-confessionele gemeente. Zijn vader had een meer liberale inslag, terwijl zijn moeder een bevindelijk geloofsleven kende. Op vakantie in de Alblasserwaard maakte hij kennis met wat hij later noemde het

Godvruchtig voorgeslacht.

Thuis onderwees zijn moeder hem uit de Bijbel. Al jong kwam de begeerte om predikant te worden. Zijn moeder wees Leen op de predikant ds. A.F.P. Pop te Monster, om verder onderwijs te ontvangen in de leer der godzaligheid. Het was onder een preek van ds. G. Wisse dat hij de verzoening door het bloed van Christus beleefde, hij was toen zeventien jaar oud. Daarna volgde een krachtdadige roeping tot het ambt. Omdat zijn ouders niet vermogend waren, was het voor Leen niet weggelegd om te gaan studeren. Na het behalen van de M.U.L.O. ging hij naar de kweekschool. Hij brak de studie vroegtijdig af om te gaan werken in Rotterdam. Ondertussen maakte hij zijn vader kenbaar dat hij toch theologie wilde gaan studeren aan de universiteit te Utrecht. Na beraad met de andere zonen stemde Baltus Tukker daarin toe. Leen doorliep het Marnix Gymnasium te Rotterdam, in 1935 verhuisde hij naar Utrecht.

Theologische studie
De studie van Tukker duurde vier jaar. Hij kreeg onderwijs van onder anderen prof. dr. J. Severijn. Indruk maakten de colleges van prof. dr. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, van wie hij trinitarisch leerde denken. Tukker was aangesloten bij de studentenvereniging Voetius, waarvan hij in 1938 preses werd. Opmerkelijk was dat hij niet alleen omging met studenten van eigen richting, hij sprak ook met vrijzinnigen en ethischen, zonder af te wijken van eigen standpunten.
Op 6 juni 1939 werd Leen Tukker toegelaten tot de Evangeliebediening, op 7 september 1939 zou het examen voor het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland afgelegd worden, maar dat werd een week verzet. Op 14 september -het was zijn dertigste verjaardag- werd hij in de heilige bediening gesteld. Het werd hem een wonder, want het dertigste jaar was ook de priesterleeftijd. Die dag ontving hij zijn eerste beroepen, in totaal kreeg hij er acht. Omdat hij niet wist welk beroep hij moest aannemen, liet hij het lot beslissen: het werd het kleine Hei- en Boeicop in de Vijfherenlanden. Toch zag hij achteraf Gods leiding: het was de kerkenraad van deze gemeente die hem een beroep bracht op zijn dertigste verjaardag.

Klik hier!

Hervormd predikant
De bevestiging in Hei- en Boeicop vond plaats op zondag 10 december 1939, en werd verricht door ds. Pop van Monster. Diezelfde dag deed de jonge ds. Tukker zijn intree met de woorden uit Jesaja 64: „Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt.
De gemeente werd trouw door hem bearbeid. Samen met een ouderling ging hij op huisbezoek. Ds. Tukker vond dat dit werk ambtelijk moest geschieden, en dat de predikant daarom niet alleen moest gaan. Deze methode zou hij in al zijn gemeenten voortzetten. De wijze ouderling Jan de Jong werd een geestelijke vader voor hem. Ook vond hij steun bij zijn moeder, die hem nodige raad verschafte.
Na het kleine Hei- en Boeicop diende ds. Tukker Elburg, een oude Hanzestad aan de Zuiderzee. Hij werd er op 27 september 1942 door zijn vriend ds. J.J. Poot bevestigd. Elburg was een plaats waar een richtingenstrijd heerste tussen confessionelen en bonders, maar die luwde weldra. Na Elburg volgde Bleskensgraaf. Deze plaats was ds. Tukker niet onbekend. Hij bezocht er meer dan eens de bekende christin Fijgje Bons, die al bij een eerder beroep werkzaamheden gekregen had omtrent de komst van ds. Tukker.

Bleskensgraaf
In de houten noodkerk -de kerk lag door een bombardement tijdens de oorlog in puin- hield ds. Tukker op 5 mei 1946 zijn intreepreek, na door ds. Poot bevestigd te zijn. Bleskensgraaf werd door hem een strakke gereformeerde gemeente van oude stijl genoemd. Hij werd er vergeleken met zijn voorganger ds. J. van Sliedregt, die in het stuk van de rechtvaardiging een leerling van ds. I. Kievit was. Kritiek op zijn prediking bracht ds. Tukker in grote nood. Hij overwoog zelfs zijn ambt neer te leggen, maar de kerkenraad kon hem hiervan weerhouden.
Aan de herbouw van de kerk werd op verzoek van ds. Tukker in alle rust en stilte gewerkt. Op 29 september 1948 vond de ingebruikname plaats. De predikant preekte bij deze gelegenheid over de inwijding van de tempel. Een maand later, op hervormingsdag, nam hij afscheid van Bleskensgraaf, wegens vertrek naar Delft.
Het was ds. Tukker al wonderlijk dat de Heere hem in kleine gemeenten had laten arbeiden, het was hem evenzeer wonderlijk dat hij dat in grote gemeenten mocht doen. Delft, waar hij op 7 november 1948 opnieuw door ds. Poot bevestigd werd, had een hervormde gemeente met verschillende richtingen. Hij werd er de buurman van ds. P. Zandt en ds. T. Lekkerkerker. Drie jaar later kwam zijn vriend ds. Poot over naar Delft. Met hem werkte hij hartelijk samen. Op de zondagavonden werden de preken besproken. Samen reisden zij naar Schotland, om daar de predikant R.R. Sinclair te bezoeken.

Gereformeerde Bond
In 1951 werd ds. Tukker geroepen om de kerk in het bredere geheel te dienen: hij werd lid van het college Visitatoren-Generaal. In 1952 kreeg hij zitting in het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Na de Prinsenstad diende ds. Tukker de havenstad Rotterdam. Hij hield op 24 april 1954 in de Koninginnekerk zijn intrede. Van tevoren vroeg men zich af of hij er zou kunnen aarden, niettemin bleef ds. Tukker ook daar zichzelf.
Het besluit van de Hervormde Synode om de vrouw in het ambt toe te laten, greep bij ds. Tukker diep in. Het gerucht ging dat hij zijn kerkelijke functies zou neerleggen, hetgeen hij echter niet gedaan heeft. Hij verklaarde in een verantwoording de Hervormde Kerk nooit te zullen verlaten. Ook het overlijden van zijn moeder, op zondagavond 29 april 1956, was een grote slag voor ds. Tukker.
Na de Maasstad volgde Katwijk aan Zee, een dorp waar een felle richtingenstrijd woedde, waarin hij als visitator-generaal een bemiddelende rol vervulde. In de Nieuwe Kerk hield hij op 22 november 1959 zijn intredepreek. In Katwijk leerde hij mensen kennen die op de vissersschepen vanouds opgevoed waren bij Hellenbroek en Smijtegelt, zodat er onmiskenbaar een bevindelijke inslag was. Een aantal keren ging hij met vissers mee. Ds. Tukker genoot van het leven op zee.

Richtingenstrijd
De arbeid vond plaats in wijkgemeente Noord-Oost. Ook hier luwde de richtingenstrijd. Er werd afgesproken dat in de toekomst gezamenlijk opgetrokken zou worden bij kerkbouw en stichting van predikantsplaatsen. In Katwijk begon ds. Tukker zijn meditaties voor het Gereformeerd Weekblad te schrijven, bewerkingen van zijn preken.
Katwijk aan Zee werd verwisseld voor Zwolle, waar de predikant voor de zware opgave stond om de evangelisatie Elim te integreren in de hervormde gemeente Zwolle. Op 22 november 1964 preekte hij intree in de Grote Kerk van Zwolle. Hij kreeg een gedeelte van de binnenstad te bearbeiden. Daarnaast vielen alle hervormd-gereformeerden buiten de wijk onder zijn pastoraat. De wijkkerk was de Broerenkerk, een oude kloosterkerk, die van binnen opgeknapt werd om er diensten te kunnen houden.
Na vijftien jaar kwam een einde aan Tukkers lidmaatschap van het college van Visitatoren-Generaal. In december 1966 werd hij tweede voorzitter van de Gereformeerde Bond, vier jaar later eerste voorzitter. Hij bleef dat tot 1978. Na Zwolle diende ds. Tukker Groot-Ammers, een middelgrote gemeente aan de Lek. Hij deed er intrede op 20 april 1969. Tijdens het huisbezoek merkte hij er de sporen die zijn voorgangers hadden getrokken. Hij begeerde niets anders dan hun voetstappen te volgen. Ook hier werd de kerk gerestaureerd.

Koninklijke boodschap
Op 29 april 1974 ontving ds. Tukker uit de hand van burgemeester Boer de versierselen die horen bij het officierschap van de Orde van Oranje Nassau. De burgemeester typeerde de hervormde predikant als iemand met een profetische gestalte, een priesterlijke bewogenheid en een koninklijke boodschap.
In 1971 werd de laatste hand gelegd aan een revisie van de Statenvertaling, waarvoor het Nederlands Bijbelgenootschap een commissie had ingesteld met predikanten uit drie verschillende kerkgenootschappen. Ds. Tukker was daarvan voorzitter. Hij waardeerde het niet dat de Editie 1977, zoals de uitgave officieel heet, door veel mensen de Tukkerbijbel werd genoemd.
Op 29 september 1974 nam hij wegens emeritaat afscheid van Groot-Ammers, hij was echter niet uitgediend. Als bijstand in het pastoraat was hij vervolgens in Sirjansland, Wassenaar, Arnemuiden en Ridderkerk werkzaam. In Arnemuiden mocht ds. Tukker zijn veertigjarig ambtsjubileum vieren. In een indrukwekkende toespraak gaf hij God de eer, en noemde hij tal van zaken die hij van de kerk had ontvangen.
In Ridderkerk overleed in mei 1988 zijn (derde) huishoudster Rika Zoet. Het was sindsdien voor hem niet mogelijk om alleen te wonen. Hij verhuisde naar de Eper pastorie van zijn neef dr. C.A. Tukker. De laatste weken van zijn leven verbleef ds. W.L. Tukker in een verzorgingstehuis te Epe, waar hij op 6 december 1988 overleed. Vier dagen later vond de begrafenis te Hoek van Holland plaats. De dienst werd geleid door dr. C.A. Tukker, die preekte over Handelingen 4 vers 12.
Man van de kerk
Ds. W.L. Tukker had de kerk waarin hij was gedoopt van harte lief. Zijn persoon bond samen. Gemeenten waar kerkstrijd was, kwamen na zijn komst in rustiger vaarwater terecht. Hervormde evangelisaties wilde hij een plaats geven in de kerk, liefst door volledige integratie. Hij had daarnaast omgang met predikanten die niet tot de hervormd-gereformeerde richting behoorden, zoals de confessionele predikant W.A.B. Hagen. Vriendschappen had hij ook buiten de Hervormde Kerk. De Schotse predikant R.R. Sinclair ontmoette hij bijna jaarlijks, verder had hij goede contacten met de Hongaarse predikant Toth Kalman.
De zondag was voor hem een dag van afzondering. Naar de kerk ging hij lopend, ook als hij een tiental kilometers moest afleggen. De sabbatsrust was hem veel waard, al wilde hij anderen niets opleggen. Tijdens een reis door Zuid-Afrika, eind 1979, stapte ds. Tukker voor het eerst op zondag in de auto, omdat hij moest preken in een plaats nabij Pretoria.
Ds. W.L. Tukker was een heer. Hij was altijd gekleed in het zwart, op zijn weg door de gemeenten lichtte hij zijn hoed op voor een ieder die hij tegenkwam. Wie hem hoorde, kwam onder de indruk van wat men noemde zijn koninklijke stem. Zijn Schotse vriend Sinclair omschreef hem als „een waardige, christelijke persoonlijkheid. Ook was hij een zeer vriendelijk en beminnelijk man met betrekking tot allen in wier vriendschap hij zich verheugde. Hij was een geleerd theoloog en een echte calvinist. Maar steeds hield hij vast aan een genadevol en evangelisch aanbieden van Christus en Zijn heil aan zondaren en geheiligden; niet alleen in onze gesprekken, maar zeker ook op de preekstoel.

Terdege, 10 oktober 2001
J.P. Neven

 

Een bemoediging voor boeren

Kerken leven mee met slachtoffers mkz-epidemie

STEENWIJK – Steeds meer kerken geven publiekelijk blijk van hun meeleven met de boeren nu de mkz om zich heen grijpt. De Confessionele Vereniging in de Hervormde Kerk (CV) heeft een “bemoedigingsbrief” gestuurd aan de getroffen kerkelijke gemeenten in de regio Apeldoorn, Deventer en Zwolle. Ook de hervormde classis Woerden en de doopsgezinde gemeente van Zaandam wijzen op het leed in de agrarische sector.
Van onze kerkredactie

De brief van de CV is gericht aan de predikanten en kerkelijke werkers in Wezep, Welsum, Epe, Vaassen, Nijbroek, Heerde, Vorchten en Veessen. “Persoonlijk bent u betrokken bij het leed van gedupeerde boeren en bij de drastische oplossing van het probleem van de ruiming van betrokken bedrijven.” De CV zegt dat deze oplossing ook bij haar vragen oproept omdat “vele niet zieke dieren uit voorzorg geruimd worden.”

De Confessionele Vereniging spreekt van een “zware wissel” die dit alles op het leven van de kerken trekt. “Wij gedenken u in onze gebeden, persoonlijk maar ook ’s zondags bij het voorgaan in kerkdiensten. Wij bevelen u allen aan in de hoede van Hem aan Wie het vallen van een mus van het dak en een haar van ons hoofd niet ontgaat.”

Klik hier!

Intens medelijden

De hervormde classicale vergadering van Woerden heeft een brief aan de minister Brinkhorst van Landbouw gestuurd waarin gewezen wordt op het feit dat boeren met de rug tegen de muur staan. “Er leven gevoelens van intens medelijden met de boeren wier schuren en landerijen opeens leegstaan, van diepe zorg om de dieren in eigen stal en land, van leven tussen hoop en vrees, van machteloosheid en radeloosheid.”

De classis wijst op het belang van een beleid waarin het welzijn van mens en dier vooropstaat, “ingegeven door de opdracht tot verantwoord beheer die we van God de Schepper kregen met het oog op het door hem gegeven leven.” Dit moet het uitgangspunt zijn in de keuzes die gemaakt worden bij de bestrijding van het mkz-virus en bij de toekomstige beleidsontwikkeling. De classis vraagt nadrukkelijk aandacht voor de emotionele en sociale lasten van de ramp en de genomen of te nemen maatregelen bij de betrokkenen. De waarde van het welzijn van mens en dier moet hoog gehouden worden in een samenleving waarin steeds meer alleen economische belangen toonaangevend zijn, aldus de classis.

Schrijfactie

De doopsgezinde gemeente Zaandam is een schrijfactie begonnen uit protest tegen de manier waarop minister Brinkhorst de mkz-crisis aanpakt. Ze heeft alle kerkgenootschappen in Zaanstad en andere doopsgezinde gemeenten in het land opgeroepen protestbrieven aan hem te sturen.

De gemeente noemt het volstrekt onethisch dat de overheid de betrokken dieren als product behandelt door voorrang te geven aan het economisch belang boven het welzijn van dieren. “Deze dieronvriendelijkheid is de mens onwaardig”, staat in een voorbeeldbrief.

Een entingsprogramma zou het dierenleed, maar ook de wanhoop onder boeren kunnen voorkomen. Exportbeperkingen mogen nooit de doorslag geven, zoals dat in de huidige aanpak wel het geval is, aldus de doopsgezinden. De gemeente toont begrip voor de situatie waarin Brinkhorst verkeert, maar roept hem toch dringend op alles in het werk te stellen om “deze waanzin” een halt toe te roepen.

Reformatorisch Dagblad, 11 april 2001

 

Schijnwerper op de jongeren

HERVORMDE SYNODE BESPREEKT HGJB-BELEID

Omdat de Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond (HGJB) in 1988 een samenwerkingsverband met de hervormde synode sloot, waarmee ook het jeugdwerk vanuit hervorm gereformeerde kring een officiële plaats binnen de Hervormde Kerk heeft, komt he van de jeugdbond van tijd tot tijd aan de orde op de synode. Het was zeljs de hoofdschotel van het synodemenu op 21 septemberjl. Geen pleidooi voor vernieuwing, wel voor aandacht en ontmoeting.
P. J. VERGUNST

Dichtbij jongeren

Ter voorbereiding op de gedachtewisseling had de HGJB enkele hoofdstukken uit het beleidsplan 1999-2002 geselecteerd, waaruit geconcludeerd kan worden dat een gesprek met de synode in 1999 logischer geweest was. Enkele gedachten uit dit beleidsplan ‘Dichtbij jongeren’: In de komende jaren wil de bond dichterbij jongeren zelf staan, wat zijn eigen positie kwetsbaarder maakt. Daarbij klinkt de vraag: Wat wil God met jongeren? ‘Ook dan geldt dat God wil dat jongeren zullen leven voor Zijn aangezicht, in geloof, hoop en liefde. In een leven van bekering, navolging, toewijding en volharding.’ Als eerste opdracht formuleert de HGJB daarbij ‘Het geven van ondersteuning aan jongeren om te leren beantwoorden aan het doel van hun leven, in de wereld en de samenleving waarin zij staan.’ Hierbij dient ook oog voor de enkeling te zijn.

Klik hier!

HGJB-directeur N. Belo leidde ter synode de bespreking in. Hij pleitte ervoor samen te spreken over de jongeren en kinderen in de kerk, in plaats van over het beleid van zijn organisatie, en lichtte de wens van de HGJB toe om het werk samen met SoW-jeugdwerk te mogen presenteren. ‘De HGJB wil zijn werk in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gebondenheid aan de belijdenis doen en zo het kerkelijk jeugdwerk bevorderen.’ In een angstige samenleving wilde Belo de beginsituatie van jongeren volop serieus nemen, om vervolgens in oefenplaatsen – gezin, clubs, de gemeente – te vertellen dat God dezelfde blijft. ‘Wie weet dat jongeren seismografen in de samenleving zijn, zal graag bij hen in de leer gaan.’ Hij noemde het luisteren naar jongeren een kwaliteitscriterium voor een goede gemeente. Belo gaf ook aan dat de contacten met het SoW-jeugdwerk intensiever geworden zijn. ‘Er is herkenning in het belang van kerkelijk jeugdwerk.’

H. J. Hogendoorn, verantwoordelijk voor SoW-jeugdwerk op het LDC, zei dat veel onderzoeken naar jongeren in de buitenkant blijven steken, terwijl hun binnenkant veel beweeglijker is. Hij sprak van een ‘generatie search’, waarvoor binnen de gezinnen onvoldoende koers wordt aangegeven. Onder meer met een video liet hij zien dat muziek een van de steunpilaren voor jongeren is: ‘Muziek geeft troost op je kamer, een kick tijdens een feest, maakt huiswerk verdraaglijk.’ Jongeren zijn bezig met de zin van hün leven, niet van hét leven. Vrienden en familie vormen voor hen het kader, waarbinnen de dingen op hun plaats vallen. Hogendoorn stelde dat niet onze vorm normatief is, maar dat het gaat om inspiratie van jongeren.

Ontmoeting met ouderen

In groepjes besprak de synode een aantal vragen. Als lijn kwam hieruit naar voren dat aandacht voor jongeren niet beleidsmatig is op te lossen: het gaat om het scheppen van mogelijkheden, waarin ze ouderen ontmoeten die laten zien wie God voor hen is. In die zin is een gezamenlijke preekbespreking een goede vorm. Diverse synodeleden kregen vervolgens het woord. Ds. G. de Fijter, (classis) Kampen, pleitte voor een persoonlijke (vriendschaps)relatie met jongeren, waarin sprake kan zijn van geloofsoverdracht en de grote daden van God centraal staan.

Oud. W. R. Hartman, (classis) ‘s-Gravenhage, wilde jongeren ook inspraak geven in de wijze waarop de viering plaatsheeft. Hij zei onder de indruk te zijn van de manier waarop de HGJB van internet gebruik maakt.

Oud. meur. M. Bons-Storm uit Oegstgeest (classis Leiden) vroeg of afwijkend gedrag in kleding etc. bij jongeren ook echt kon in de gemeenten. ‘Hoe gaan we ermee om als jongeren ook anders over de boodschap denken? ‘

Hetty van Triest uit Rouveen, als HGJBjongere aanwezig, gaf haar antwoord. d- ‘Zijn er bij ouderen niet evenzeer veel t denkwijzen werk als bij jongeren? ‘ Ze gaf aan dat jongeren niet uit zijn op vernieuwingen. ‘Er hoeft voor ons geen drumstel in plaats van een orgel in de kerkte komen, maar wij willen aandacht!’ Ze pleitte ervoor aan jongeren duidelijk te maken waarom we aan bepaalde tradities in de kerk vasthouden. Oud. H. Reurink uit ’t Harde (classis Harderwijk) pleitte voor het uitkiezen van thema’s die jong en oud samen bespreken.

Ds. I. Frenay uit Mensingeweer (classis Middelstum) verhaalde zijn positieve ervaringen met het gemeenteopbouwplan van Willemien Wikkes, gebaseerd op scharnierpunten in de ontwikkeling van jongeren met passende momenten in de liturgie.

Ds. H. van Wingerden uit Vaassen (classis Hattem) wilde als kerk daar zijn waar de jongeren zijn, op de straat en in de huizen.

Synodepreses ds. A. W. van der Plas vroeg naar de verhouding tussen het investeren van geld en tijd in jongeren én in zending en evangelisatie.

Dr. B. Plaisier, secretaris-generaal van de Nederlandse Hervormde Kerk, merkte op dankbaar opgemerkt te hebben hoe HGJB en SoW-jeugdwerk zoveel dingen samen doen, ‘verbazend als we naar het verleden kijken.’ Hij wilde van beiden horen wat deze samenwerking inhoudt.

Belo sprak van een groeiproces, waarbij ervoor gekozen is de ander niet af te schrijven. Op beleidsmatig niveau worden de plannen aan de ander bekendgemaakt, wat een motivatie noodzakelijk maakt. ‘Je beseft, werkend vanuit een identiteit, dat je niet de pretentie hebt alleen de juiste vorm te kiezen.’

Concrete samenwerking is er slechts geweest in een boekje rond werkvormen.

Hogendoorn zei dat de erkenning en het begrip dat de ander andere keuzen maakt, van belang is. Hij hoopte dat beide organisaties in de kerk dienstbaar zijn.

Heldere uitleg

Het is van belang dat de synode aandacht vroeg voor het jeugdwerk binnen de kerk. Dat zou vaker moeten dan tot nu toe gebeurt. De jongeren zijn immers niet de toekomst van de kerk, maar behoren reeds tot de kerk. Juist in het gesprek met elkaar moeten we leren onze doelstelling helder voor ogen te houden. In een bezinning waarin nogal eens gesproken werd over authenticiteit, luisteren, duidelijkheid, samenwerking enzovoorts herhaal ik de woorden die Belo in zijn toelichting ook uitsprak: ‘De HGJB wil een heldere uitleg geven van het Woord van God, dit vertalen naar een praktische toepassing in de levens van jongeren en zoeken naar oefenplaatsen in de gemeente.’ Daarom gaat het in het jeugdwerk. Hoe concreet is immers de leidraad uit Psalm 78, waarmee de synodezitting geopend werd: ‘Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des Heeren, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.’ Wie in die traditie staat, heeft de beloften en de zegen van God mee. Om die zegen bidden we voor onze jeugdbond én onze jongeren, ook voor de komende jaren.

P. J. VERGUNST, APELDOORN

De Waarheidsvriend, 4 oktober 2001

 

Permanente kerkdienst houdt ruiming niet tegen

HEERDE (ANP) – Ondanks de permanente kerkdienst, zijn de dieren bij hobbyboer Wiegman in Heerde vanmorgen toch geruimd. De familie had een compromis gesloten met de Rijksdienst voor Keuring van Vee en Vlees (RVV). Als de dieren op een waardige manier zouden sterven, konden de werknemers van de RVV hun gang gaan.

De familie is overstag gegaan nadat de hoofdofficier van justitie in Zutphen gisteren had aangegeven dat de dieren ook weg konden worden gehaald zonder de kerkdienst te verstoren. Daarmee zou artikel 145/146 van het Wetboek van Strafrecht niet worden overtreden. Hierin staat dat het hinderen of verstoren van kerkdiensten verboden is.

De dieren zijn niet levend afgevoerd in veewagens, maar kregen van de RVV rond negen uur op het erf een dodelijke injectie. Daarvoor had een groepje mensen in een kring bij de stal religieuze teksten opgezegd. Vervolgens had dominee J. Bok van de vrijzinnige kerk van Vaassen en Apeldoorn de veertien geitjes en schapen en twee hangbuikzwijntjes gezegend. Daarmee was de kerkdienst beëindigd.

Maandagmiddag was dominee Bok een permanente dienst begonnen als protest tegen het ruimen van gezonde dieren op het bedrijf van Wiegman, dat in de mkz-driehoek Apeldoorn-Deventer-Zwolle ligt. Het bedrijf is een van de laatste in de driehoek die zijn geruimd.

Ondanks de ruiming gaat de openluchtdienst in de weilanden bij de familie Wiegman die voor Hemelvaartsdag gepland stond, gewoon door. Gisteren nodigde ds. Bok, ook een van de oprichters van de Stichting Boer en Vee, daarvoor “heel Nederland” uit.

Reformatorisch Dagblad, 23 mei 2001