Nomaals Goddaeus en zijn uil

Vaassen, die juist gegevens verzamelde over de historie en de vroegere voorgangers zijner gemeente. Dit werkje verscheen thans onder den titel Kerkgeschiedenis van Vaassen van het jaar der stichting 891 tot 1930 (Epe 1934, 100 blz.). Op onderhoudende en eenvoudige wijze is hier de geschiedenis der parochie van de vroege middeleeuwen af uit de schaarsche gegevens opgebouwd, en voorts de ontwikkeling naar de reformatie in de eigenaardige overgangsfiguur van pastoor Peregrinus van Heerde geschetst. Daarop volgt dan Hermannus Goddaeus 1610—1634 als eerste gereformeerde predikant; zijn herkomst is ook aan Ds. Van der Zee onbekend gebleven; een zekere Conradus Goddaeus wordt in 1629 genoemd (blz. 31), voor wien Ds. Hermannus een plaats als leeraar zoekt. Volgens den schrijver kan dit niet doelen op den zoon en opvolger van Hermannus, den bekenden Conradus. Deze zelf stond dan te Vaassen van 1634—I656 en overleed 1658. Ds. Van der Zee wijdt aan hem blz. 32—42 van zijn boek en deelt vele bijzonderheden uit zijn huiselijk en ambtelijk leven mee, waarvan wij in ons vroeger opstel slechts in het kort melding maakten. De volgende 7 bladzijden behandelen Goddaeus’ opvolger en schoonzoon Johannes Peregrinus (1655—57), die de kleinzoon van den laatsten pastoor blijkt te zijn. Na deze onrustige jaren kreeg de gemeente haar vierden predikant Johannes van Loo, die haar van 1658 tot zijn dood in 1708 diende. In dezen predikant leefde nog de herinnering aan de oude letterkundige betrekkingen tusschen Vaassen en

Het Boek XXIII ,

 

98

Epe, toen hij in 1695 een gedicht maakte op de geboorte van Franciscus, kleinzoon en naamgenoot van Goddaeus’ vriend Franc Martinius. Wij wenschen het boek van Ds. Van der Zee ruime verspreiding toe.

*

Reeds thans is het mogelijk een aanvulling te geven van de bibliografie der Laus ululae. Bij uitgave 4 (blz. 247 v.), voorkomend in de Admiranda rerum admirabilium Encomia van 1666, had ik nog gelegenheid het bestaan te vermelden van een lateren druk van 1677 dezer Encomia. Een nadere beschouwing van dien herdruk gaf eenige verrassingen. Terwijl de mij bekende exemplaren der uitgave 1666 geen platen bevatten, bleken in die van 1677 al de platen voor te komen die mij uit het Leidsche exemplaar der Nederlandsche uitgave van Veeler wonderens wonderbaarelijck Lof (1664) bekend waren, en nog enkele meer. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam 1) bezitten exemplaren van dit Wonderbaarelijck Lof, die in dit opzicht vollediger blijken te zijn dan het Leidsche. Deze platen stellen voor:
1. podagra (drinkers in herberg), gemerkt f. 1;
2. podagra (dokter bij zieken man), f. 38;
3. jacht op de vloo, f. 60;
4. de zwemkunst (Diana met nymphen en Actaeon), f. 71;
5. de olifant in de arena, f. 138;
6. de zwaan, f. 213;
7. de zwijgzaamheid, 2 dl. f. 5;
8. de lacher (wijzende op de dwaasheden in de glazen wereldbol),2 dl. f. 109;
10. uil met ezels (zie afb. t.a.p. blz. 249) voor dl. 3; voorts het frontispice, waarover straks meer.
Het exemplaar van de Maatsch. d. Ned. Lett. te Leiden mist de nrs. 3 en 8 en het frontispice. In de beide andere exemplaren komen al deze platen voor bij de bladzijden, die in den bovenrand der gravure zijn aangegeven, en die steeds overeenkomen met het begin van het toepasselijke stuk.

In den herdruk der Admiranda Encomia (1676 volgens het titelblad, 1677 volgens het frontispice) komen nu dezelfde platen alle voor, echter in afwijkende volgorde: bij blz. 1 vindt men nr. 6, bij blz. 94 nr. 5, bij blz. 134 nr. 3, bij blz. 148 nr. 2, bij blz. 203 nr. 1, bij blz. 278 nr. 8, bij blz. 334 nr. 4, bij blz. 602 nr. 7, en aan het slot ook nr. 10. De Latijnsche en de Nederlandsche uitgave bevatten niet geheel hetzelfde en de platen staan dan ook in de Latijn-

1) De U.B. te Amsterdam bezit ook een exemplaar van de uitgave no 2.

 

99

sche wel eens bij minder toepasselijke stukken, zoo de zwaan thans bij den lof van het ei, de allegorie van de zwijgzaamheid thans bij de lof der doofheid en Diana en Actaeon bij Barlaeus’ De ente rationis. De pagineering der Nederlandsche uitgave aan den rechter bovenhoek van den rand is van de platen verwijderd en vervangen door een grof paginacijfer in den linkerhoek.

Het frontispice van beide uitgaven is eveneens hetzelfde plaatje; het geeft de gecombineerde voorstelling van den podagralijder, den drinker, den vlooienvanger, de zwijgzaamheid en de verkleede vastenavondgangers, tegenover een schilderij (waarop olifant, zwanen en badende nymphen), gedragen door twee ezels en bekroond met een uil op de bovenlijst. Op een steenen tafel het Nederlandsche opschrift Veeler Wonderens Wonderbaarlyck Lof, en in den benedenrand: ’t Amsterdam bij Samuel Imbrecht en Adam Snewater Boeckverkoopers. A’ 1664. Voor de Latijnsche uitgave is het opschrift op de tafel veranderd in: Admiranda Rerum Admirabilium Encomia, en voorts is van onderen iets van de plaat weggenomen, waarop het nieuwe impressum: Noviomagi Batavorum, Ex Typographia Reineri Smetii. A°. 1677. Met de lijn daaronder eindigt thans de plaat; het gedeelte, waarop de twee regels met de namen der Amsterdamsche uitgevers hadden gestaan, is geheel weggesneden. Door dit alles lijdt het geen twijfel dat de prentjes oorspronkelijk voor de Nederlandsche uitgave bestemd waren.

Als nr. 10 noemden wij den uil met de ezels en deelden reeds mede dat dit prentje ook in de Latijnsche uitgave van 1676 terugkeert. Hier treffen wij nu namelijk achter in het Amsterdamsche exemplaar dier uitgave nog eens met eigen pagineering Goddaeus’ werkje, gevolgd door den ezel van Passerat aan, zonder titelblad doch met dit plaatje als frontispice. Met andere woorden: onze uitgave 5 der bibliografie (blz. 248) volgt hier, alsof zij erbij behoort, op den herdruk van uitgave 4. Het plaatje met het gewijzigde Latijnsche opschrift en de tekst komen geheel overeen met de beide onder uitg. 5. t.a.p. genoemde exemplaren in Den Haag en Königsberg. Terwijl de andere plaatjes alle een paginacijfer hebben, vindt men dit niet op het frontispice en op het plaatje van den uil. Smetius bedoelde dit laatste dus wel op deze plaats, vóór het afzonderlijke gedeelte met uil en ezel. Wonderlijk is dit wel, omdat deze beide stukken toch ook reeds in den 660 bladzijden tellenden bundel zelf waren opgenomen (de ezel op blz. 472—482, de uil op

 

100

482—601). De druk is, zooals wij vroeger op blz. 250 reeds aantoonden, letterlijk gelijk, hoewel niet identiek; het papier van het afzonderlijke uil-ezel-deeltje is echter iets dikker. Thans blijkt dus dat Smetius, na het verschijnen van zijn Encomia van 1666, de plaatjes der Nederlandsche uitgave van 1664 in handen kreeg en deze voor zijn herdruk der Latijnsche Encomia van 1676 pasklaar liet maken. Wellicht deed hij reeds vooraf het deeltje met uil en ezel herdrukken, maar dan toch spoedig daarna den geheelen bundel. De wijziging van het opschrift op het uilenplaatje en van de paginacijfers op de andere prentjes lijken van dezelfde hand; alleen de wijziging van het frontispice is keuriger verricht. Hiermee is dus ook de uitgave nr. 5 aan Smetius toegeschreven en wel waarschijnlijk kort voor 1676.

*

De prentjes, waarvan hier voortdurend sprake was, zijn tamelijk slecht; het op blz. 249 afgebeelde uilenplaatje is zeker een van de beste. Wij toonden echter reeds, dat dit in hoofdzaak een copie a rebours is van het toch wel iets betere frontispice der oudere uitgave, afgebeeld op blz. 245. Nog van een ander, namelijk de zwijgzaamheid (nr. 7) is mij toevallig het voorbeeld bekend geworden. In het raadhuis te Lausanne vindt men een schilderij met dezelfde allegorische voorstelling (afgebeeld in: Lausanne a travers les ages, door B. van Muyden e.a., Lausanne 1906, op blz. 156). De bibliothecaris der Bibliothèque cantonale et universitaire te Lausanne, de heer A. Roulin, was zoo vriendelijk mij te berichten, dat dit 1684 gedateerde schilderij wordt toegeschreven aan den Zwitserschen schilder Hans Ulrich Fisch (1613—1686) 1). Het kan een kopie zijn naar een ouder schilderij, ofwel de inscriptie die het jaartal draagt moet later zijn toegevoegd. In elk geval geeft ons prentje reeds in 1664 een ruwe herhaling a rebours van dezelfde voorstelling; slechts enkele bijzaken zijn wat vereenvoudigd en de afmetingen van het geheel zijn in andere verhouding gebracht.

F. Kossmann
Rotterdam

1) Thieme-Becker XII, n, vermeldt hem en nog eenige anderen van zijn familie als wapen- en glasschilders, in hoofdzaak dus wel als decorateurs.

 

Bron: Het boek; Nieuwe Reeks, 1935 [volgno 2], pag 97-100

 

De reformatie in de classis Neder-Veluwe van 1592-1620 (23)

G. VAN DER ZEE.

XXIII.

18. Barneveld.

Het kerkgebouw te Barneveld dateert uit de 15e eeuw en was aan den H. Odulphus gewijd. In 1580 werd aan de kerk van Arnhem opgedragen om de reformatie te Barneveld te helpen bevorderen, en het volgend jaar gaf de Synode opdracht aan de kerk van Harderwijk om op Piniksteravond en volgende weken door prediking de kerk van Christus te Barneveld te bouwen. In 1583 wordt zonder vermelding van den naam de dienaar van Barneveld afwezig gemeld op de Synode van Doesburg.

Op het ons bekende pastoors-examen van 4 Juli 1592 te Harderwijk, wordt ook van Barneveld geen gewag gemaakt, waaruit wij mogen vaststellen, dat Barneveld reeds tot de Reformatie is toegetreden.

Van de geheele Classis Is eigenlijk Barneveld met zijn pastoor Regnerus Wincopius (Reinier Wijnkoop) de eenige plaats waar weinig of geen verzet Is geweest. Pastoor Wijnkoop betoonde zich de Reformatie goed gezind, al bleek hij een onbekwaam predikant te zijn. Hij pleegde geen daadwerkelijk verzet als die van Putten, viel niet naar Rome terug als die van Ermelo en Doornspijk, hield de zaak niet slepende als die van Vaassen, liep niet weg, gelijk die van Heerde, maar werd cok niet gaandeweg zoo goed mogelijk bekwaam als die van Oosterwolde.

We treffen hem aan op de Synode van Arnhem, in September 1593, al staat er achter zijn naam niet het brevet van „dienaer des woorts”, hoewel hij daar toch voor doorging. In AprU 1594 stelde de Classis zijn bevestiging uit, totdat hij eerst ergens zich ten H. Avondmaal begeven had. In September werd hem dan opgedragen dit te Nijkerk te doen, een plechtigheid, welke hij nog nooit had gezien. Ook moest hij alle vlijt aanwenden „umb tho Barnefeldt etn gemeinte ahn tho richten”. Den 20 Mei 1595 werden hem deze opdrachten herhaald, en desgelijks nogmaals tn September op de vergadering te Nijkerk. Gelijk dfe Acta van Jimi 1596 melden, is zulks: dan ook geschied.

Om zich aan de nieuwe orde van zaken te gewennen, moest hij zorgen In het bezit te komen van de Acta der Synode van ‘s-Gravenhage 1586, die de predikanten van elkander overschreven.

Uit alles blijkt, dat Wincopius een meegaand man was, doch ten «enenmale onbekwaam. Jaren achtereen wordt er over geklaagd, zonder protest zijnerzijds. In 1595 lezen” wij : „dat oock mocht Bernevelt, als een herlioke plaets wesende, versocht worden met ‘een bequaemen dienaer”. Niet, dat men Wijnkoop, zoo maar op zij wüde schuiven, integendeel, doch men wüde hem een collega ter zijde steUen, maar dit voorstel werd uitgesteld tot de volgende vergadering. Daar werd: hem opgedragen een preek te leveren over Johannes 3 vers 16, aan welke elsch hij 27 Aprü 1597 voldeed. Maar de preek voldeed niet aan den elsch, wani, zoo staat er : „is deselvighe bevonden seer slecht”. Daarop werd hlj gewezen op zijn zwakte en „de grote Gemeente die hij hadde” te bedienen, waarop hij er In bewüUgde, dat hem zonder fmantieele schade een adjimct zou worden toegevoegd. Tevens beloofde ‘hij zich te beijveren om des Heeren H. Avondmaal te Barneveld te gaan bedienen.

Nu was er wel een knappe schoolmeester te Barneveld, doch een profeet is nu eenmaal in zijn eigen vaderland niet geëerd, en zoo werd deze schoolmeester, Johannes Hessellus, bevorderd tot predikant van Elspeet. Maar hulp moest er komen, ‘daar de gewezen pastoors van Putten en Hoevelaken te Barneveld de heden van ‘de reformatie poogden afkeerlg te maken, door b.v. kinderen te doopen.

Nu hadden Classis en Synode besloten om de dorpspredikanten gelegenheid te geven om zich in de stadskerken te oefenen in het prediken, doch Wijnkoop verontsohuldigde zich wegens zijn ouderdom, en gevraagd naar den staat der kerk, gaf hij in 160O te Epe het volgende verslag : „Barneveld verklart dat dar veü hoorders sind, ock sonamige haer thot den Avontmal verf ogenals het in den naest gelegenen kercken utgedelt wort”. Hij deed he^ dus zelf te Barneveld nog niet. Daarom bracht de Classis ‘de zaak van een hulpprediker weder voor de Synode, daarover sprekende in 1601, 1602 en 1603, waarbij men hem zijn jaarlij’ksch onderhoud toeloofde. In 1603 hield hij nog eens een preek ter gelegenheid van de vergadering te Barneveld gehouden, doch het was wederom mis.. Datzelfde jaar besloot de Synode hem aan het Hof voor te dragen om met behoud van tractement als een „oide ipastoor” te ontslaan, hetgeen bhjkbaar geschied is> daar wij na dezen niets meer van hem vernemen.

In 1603 was er ook een arme schoolmeester Everhardus Johaimis geheeten, die een aanbevelingsbrief kreeg om eenig onderhoud te krijgen uit de geestelijke goederen „opdat hy door desperaetheyt ende gebfeck van onderhoudt niet en verghae.”

In 1604 komt als predikant van Barneveld Antonlus Wedaeus, die door ds. de Bruin van Voorthuizen is bevestigd. Hij blijkt een hekwaam predikant geweest te zijn, daar de klachten verstommen. In 1608 werd hij benoemd om namens onze Classis de reformatie te heipen .bevorderen in de Betuwe, waarover later groote kwestie is gerezen met de Classes van Tiel en Zalt-Bommel.

Het jaar 1609 is voor Barneveld nog al belangrijk geweest, aangezien toen .besloten werd tot het instellen van een kerkeraad, waartoe gecommitteerd werden ds, van Mehen van Harderwijk en ds. de Bruin van Voorthuizen, die den predikant van Barneveld bijstonden.

Door de leergeschülen ‘die alom, in den lande zich openbaarden, werd in 1612 te Barneveld een gecombineerde Classicale vergadering gehouden van Over-en Nederveluwe, waarheen telkens tot 1618 wordt verwezen bij het onderteekenen der formulieren.

Gelijk ‘haast overal, zoo ook Mer, komt de ‘koster ook voor den ‘dag, die om zijn onbehoorlijk gedrag wordt voorgedragen tot afzetting. Maar de koster, hiervoor bevreesd, beterde zijn leven en bleef gehandhaafd.

In 1615 is ds. Wedaeus nog aanwezig in het land der levenden, doch in 1616 lezen wij dat hij „m den Heere gerust is”.

Het volgende jaar komt ds. Joannes Alberti Hattemius van éloten naar Barneveld’, wiens • stukken accoord zijn. Hij onderteekende de Confessie, de Catechismxis en de Barneveldsche Arti­ kelen van 1612. De predikant van Voorthuizen moest hem driemaal van den predlkstoö afkondigen, en hem na be’kom.’en „aggregatie des E. Hooffs in den dienst der fcereke tot Barnefelt”

bevestigen. De tegenwoordige Schout van Barneveld Dirk van ‘Ghejm was daarbij aanwe:2lg, zijnde ook ouderling der gemeente.

Ten slotte zij nog gemeld, dat de predikant in 1620 ‘klaagde over de leermgen eeniger Jesuiten .ygeliok deselve nu in syn kerspel by dage en by nachte bestaen worden”. Dit werd naar de G-elder-

sche Synode verwezen.

(Slot volgt).

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 26 september 1935

 

De reformatie in de classis Neder-Veluwe van 1592-1620 (17)

G. VAN DER ZEE.

XVII. PUTTEN.

Het kerkgebouw te Putten dateert uit de 14e eeuw en was voorheen aan den H. Pancratius gewijd.

In 1580 gelastte de Geldersche Synode de Kerk van Harderwijk om het kerspel Putten te reformeeren, waar echter niets van kwam, doordat de steden Nijmegen, Zutfen en Deventer van den Prins afvielen. Doch toen Maurits in 1591 deze steden hernam, kwam in 1592 het bevel tot reformatie, ook al bleek Putten met zijn pastoor, beschermd als deze werd door de Kehiary aldaar, er „nog niet rijp voor”. In de geheele Classis is niet zoo’n strijd geweest als te Putten, daar de pastoor Willem de Wees zich tot 1610 heeft verzet, en dat niet lijdelijk zooals de i)astoor te Vaassen tot 1608, doch krachtdadig, trotseerende elk protest. Dit maakt de geschiedenis des te interessanter.

Zoo werd hij dan tegen 4 Juli 1592 te Harderwijk opgeroepen ten einde onderzocht te worden naar leer en leven en gezindheid. Maar dit examen beviel hem direct al bitter slecht, en zoo bewoog hij Henricus Wolteri, pastoor van Voorthuizen, met hem zich aan het examen te onttrekken reeds na den eersten dag, waarvan’ zij schriftelijk de reden opgaven, gelijk wij bij de schets over Voorthuizen hebben beschreven.

Aan de Synode, den 11 Sept. 1592 te Nij broek bijeen, had hij te kennen gegeven Roomsch te willen blijven of afgezet te worden. De Synode raadpleegde het Hof en kreeg machtiging om de onwUhge pastoors af te zetten, waartoe zij dan ook in 1593 te Arnhem besloot. Er waren pastoors, die zich dit geheel of ook gedeelteUjk lieten welgevallen, doch de pastoor van Putten in het geheel niet. Hoewel hij dus eigenlijk in 1593 was afgezet, was er practisch nog niets geschied’. De Classis, den 13 April 1594 te Harderwijk vergaderd, besloot de Heeren gecommitteerde Raden van Veluwe aan te schrijven, ten eüide zijn verwijdering gedaan te krijgen, daar hij met die van Elspeet, „j edoch die schadeliokste onder den pastoren” waren. In September werd dit verzoek herhaald, geadresseerd aan ds. Fontanus van Arnhem, doch er staat bij aangeteekend, dat het wel geschreven is, doch niets heeft uitgewerkt.

Aangezien de reformatie ziender oogen veld won, was het vermoeden gegrond, dat Putten eerlang wel vacant zou zijn. Zoo vroeg ds. Johs. Hookel, van Nijland, bij Bols ward, of hy niet naar Putten mocht komen. De Classis was echter voor vreemdelingen beducht, doch beloofde hem informaties te nemen bij ds. Thomas Ruthuis, van Bolsward. Van zijn overkomst naar Putten is echter niets gekomen.

Het aanWijven van den pastoor was de Classis echter een doorn in het oog, en zoo drong de Synode van 15 Juli 1595 wederom op zijn afzetting, di. zijn verwijdering aan. De Classis van 23 Sept. daaraanvolgende schrijft aldus in de acta :

^Belangende Putten dwyle daer noch is een papistighe pape, die de omliggende reformeerde kercken grote schade, doet, is van de samptelioke broderen gesloeten, ‘dat aent Hoff versocht worde, dat hy geheel syntz dientst metten eersten ontset worde, und soe daer geen diener soo balde ^ waer toe crygen, opdat dat kerspel nyet gansseUok gefinstreert ^) en worde” dat dan de nabiurige gemeenten en vooral Garderen daar uit Gods Woord zullen prediken< .

Hoewel de Classis nu voorheen besloten had om de weigerachtige pastoors niet meer op te roepen, zoo is dit toch tegen 2 Juni 1596 geschied. De pastoors van Epe, Vaassen en Oosterwolde boden schriftelijk hun excuus aan, doch die van Oene en Putten lieten niets van zich hooren, weshalve de Classis aan de Synode schreef, dat deze beide „umb viele wichtige ursachen” behoorden verwijderd te worden.

Twee maanden later schrijft de Classis in de Acta als volgt:

Naedien men verstaedt dat niettegenstaende die hochge Overhelt den pastor van Putten den predickstoel beefft verboden, hij nochtans int predigen vortgaet, tot grote versterokinge van die papistische pastoren, ende verachtinge van die overhelt, heeft men besloten, dat men wederom ant Hoff sal schryven om hem van den predickstoel doen affblijven, oock dat het Hoff wil gelieven den Dienaren van Harderwij ck ende tot Vorthuisen den dienst een tijt lang bevelen te bedienen*.

In 1597 blijkt er verandering gekomen te zijn, daar op de Aprü-vergadering der Classis in 1598 aanwezig is als predikant van Putten ds. Petrus Kinsius. Die hield daar een preek naar aanleiding van Handelingen 13 vers 38, waarover de broeders hun critiek tot genoegen uitbrachten. Met het oog op de omstandigheden was deze vergadering van 1598 te Putten belegd, en werd meteen ds. Petrus Kinsius door den voorzitter dr. Wirtzfeldius, van Harderwijk, in den dienst bevestigd, zoodat dit geen sleepende geschiedenis werd als te Garderen. Hij was afkomstig uit de •Classis Arnhem, van welke hy twee jaar later zijn attesten toonde, tot voldoening der Classis.

Hoewel Putten nu een predikant had, zoo was nochans de pastoor ook nog in het dorp, en dat niet als ambteloos burger, doch hij ging voort met hetmeiyk te doopen, gelijk Everhardus Swaer van Nij’kerk. De Synode van 1599 verzocht aan het Hof hem uit Putten te verwijderen, daar hij ge­ steund werd door „der keiler to Putten”, die een Jesuit was, en ook door een vroom man diende vervangen te worden. (Over de keUery te Putten staat een artikel in „Gelre”). Ook ds. Kinsius klaagde over de keUerij, die de reformatie tegenstond, en den pastoor Willem de Wees steunde. En de Classis klaagde in 1605 dat de afgezette pastoor zich geheel verstoutte, door in het openbaar de R.K. godsdienst voor te staan, gehjk hij dat bij klaar lichten dag den 3den Maart te Nijkerk gedaan had, „alwar hie gekommen slnde mit ein kar von Putten ten huse van Henrich van der ‘Scheur”, waar hy een kind doopte, gelijk hij in November 1604 vier kinderen gedoopt had.

De Classis bracht de zaak voor de Synode, die besloot om het Hof te verzoeken, dat door deszelf s toedoen de keHer van Putten (door wien Willem de Wees onderhouden werd) zich van den pastoor losmaakte, zoo deze in zijn opstandigheid bleef volharden.

Het baatte echter niets, en de oude pastoor ging geregeld met beslistheid voort, zoowel met prediken als doopen, zoodat in 1608 wederom dezelfde iklachten inlswamen bij Classis en Synode.

In 1609 begon de Classis het bewijsmateriaal te verzamelen tegen den pastoor, opdat de lijst van doopelingen aan het Hof kon worden voorgelegd. Het volgend jaar bracht ds. Kinsius verslag uit, stelde dit de classicale deputaten ter hand, die er brieven bij voegden, voor het Hof bestemd, met uitdrukikelijk verzoek om Wülem de Wees uit Putten te verdrijven, daar luj nooit zou naiaten de Roomsche religie voor te staan.

Na ‘dezen lezen wij er niets meer van, en blijkt de strijd beslecht te zijn.

In 1612 staat de Classis aan ds. Kinsius, die maar één ouderling had, toe, dat hij dezen om bet andere jaar mee ter irergadering nemen mag, daar het anders wat te ‘bezwaarlijk viel.

Omstreeks 1618/19 komt er verandering door het overlijden van ds. P. Kinsius, die blijkens de Augustus-notulen is opgevolgd door ds. Johannes Rutgeri Verbruggen, van Brummen overgekomen naar Putten, en bevestigd door ds. Otto van Heteren, predikant te Harderwijk.

(Wordt vervolgd).

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 12 september 1935

 

De reformatie in de classis Neder-Veluwe van 1592-1620 (24)

G. VAN DER ZEE.

24. (Slot).

19. Harderwijk.

De geschiedenis der Hervorming te Harderwijk is in 1592 reeds lang een feit geworden, zoodat dit buiten ons bestek valt. Niettemin is er in deze plaats nog al wat voorgevallen, dat voor een belangstellend lezer de moeite waard is te vernemen. Het Archief, doorgaans een gesloten kerkhof met welverzegelde grafkelders, zullen we thans een oogenblik openen, waarna de geheele zaak weer op slot gaat, en de mij voorgestelde taak volbracht is.

In „Gelre” vinden we een uitvoerige ‘beschrijving over oud-Harderwijk, en de Voorl. lijst, blz. 95, zegt ons, dat de Groote Kerk oorspronkelijk aan Onze Lieve Vrouwe was gewijd. Met de reformatie waren alle beschreven kerken inderdaad gewijd, niet meer aan een of andere heilige, doch aan den dienst des Goddelijken Woords en der Heilige Sacramenten.

Het is onmogelijk en tevens onverkwikkelijk om alle feiten op te noemen waarbij de kerk van Harderwijk wordt genoemd, daar deze stad van meet af aan een leidende positie heeft ingenomen bij schier alle plaatsen van Neder-Veluwe. Dit zegt ons genoeg.

Er werden vele vergaderingen gehouden, en een buitengewone Class, vergadering was altijd te Harderwijk. De Classis heet dan ook sedert 1816 Classis Harderwijk, en bleef binnen dezelfde grenzen, die in 1592 zijn vastgesteld op de particuliere Synode van 11 Sept. te Nij broek gehouden.

Toen stonden te Harderwijk drie predikanten : Henrieus Heiningius, Johannes Caesarius en Wilhelmus Wtrtzfeldius, die wij 4 Juli 1592 allen op bet pastoors-exam.en aantreffen. Eerstgenoemde wordt in 1598 opgevolgd door Ellardus Maenius of \4n Mehen, laatstgenoemde in 1603 door Joh. Rbodius. In 1614 komt ds. Otto van Heteren uit Velp naar Harderwijk voor Joh. Caesarius.

Het aanleggen van een Classicaal Acta-boek werd aan de kerk van Harderwijk opgedragen, en tot heden mag de Classis zich in een waardevolle verzameling verheugen.

Hoewel Harderwijk nu een leidende positie toekleedde, zoo kwamen er ook, gelijk overal elders, wel eens dingen voor, die de Classicale broeders niet goed vonden. Zoo b.v. in 1595, toen men ter oore kwam, dat „het loffelijk gebruik van het opzeggen der vragen van den Catechismus in de kerk” werd nagelaten. Dit diende weer in eere hersteld te worden, daar „dit in alle gereformeerde kerken gebruikelijk was”.

Het volgend jaar vermaande de Classis de dienaars van Harderwijk om bij hun Magistraat er op aan te dringen, dat hij des Zondagsvoormlddags de poorten der stad wilde sluiten, opdat er geen wagens konden passeeren, en dat hij de lieden van Hierden het arbeiden op Zondag wilde verbieden.

Ook doen zich zaakjes voor van dronkenschap, vechtpartijen en dergelijke, een ellenlange censuurkwestie van Gideon de Haas en zijn huisvrouw, alsmede de overdadige kieederdracht van een vluchtelinge, die als een pauw proökte en de gemeente niet weinig ergernis gaf.

In 1598 werd ds. Van Mehen, pas te Harderwijk, eroepen naar Delft, doch de Classis oordeelde at hij behoorde te blijven. In 1618 was hij de fgevaardigde naar de Dordtsche Synode, en in 1619 werd hij naar Amsterdam beroepen. Hierover erden twee buitengewone Classicale vergaderinen gehouden, en daar Harderwijk hem niet wilde aten gaan, kwam de Synode er aan te pas, die ook oordeelde, dat ds. Van Mehen te Harderwijk blijven moest (zie Reitsma en Van Veen, IV). Hij blijkt een degelijk predikant geweest te zijn, die voor vele functies werd benoemd, zoo b.v. in 1602 voor veldprediker, doch daar in 1603 ds. Wirtzfeldius stierf, werd dit aan een naburig predikant pgedragen, daar Harderwijk hem nu niet missen kon.

In 1605 klaagde men over de vele conventikels die in de stad werden gehouden, waardoor de gereformeerde kerk afbreuk werd gedaan, welke zaak naar de Synode verwezen werd. Hierover was reeds eerder geklaagd en het blijkt, dat er „heimelijke papistische” vergaderingen m^ee bedoeld zijn.

In 1606 werd er een belangrijke vergadering gehouden met het oog op de komende Nationale Synode, die echter nog twaalf jaren op zich zou laten wachten.

In 1609 werd de concierge van de Hoogeschool ontslagen, ging naar de Betuwe, wierp zich op als predikant en werd zonder getiiigschriften door de Classis Tiel bevorderd, waartegen Harderwijk protesteerde.

Overigens zijn er geen schokkende gebeurtenissen of heuglijke feiten te vermelden. Wie alles omtrent Harderwijk uitvoerig wenscht te weten, raadplege de Acta 1592—1620, die gepubliceerd worden in „Gelre” 1935.

Einde.

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 3 oktober 1935

 

De reformatie in de classis Neder-Veluwe van 1592-1620 (15)

G. VAN DER ZEE.

10. Doornspijk.

Toen in den tijd der Zendelingen de Christenen alhier een bedehuis wilden bouwen, stuitte dat op den tegenstand der heidenen, die het gereedliggende bouwmateriaal naar de zeekant droegen, waarin de Christenen een aanwijzing Gods zagen, om. aldaar de kapel te stichten. Zoo stond de oude kerk van Doornspijk, die in 1825 afgebrand is en aan den H. Nicolaas gewijd was, dicht bij de zee. De tegenwoordige kerk dateert van 1831 en staat aan den grooten straatweg. (Men zie Ned. Arch. V. Kerkg. 1912 bl. 96. Voorts jaarg. 1852).

In 1592 treffen we hier als pastoor aan Johannes Uitslach. Hij is 4 Juli te Harderwijk op het examen tegenwoordig, en gaat voor ’t grootste gedeelte met de Reformatie mee, doch op voorwaarde, dat hij evenals de pastoors van Vaassen, Oene en Heerde zich beraden mag op het stuk van de leer van den Catechismus en kerkelijke tucht. Dit wordt hem toegestaan, en den 11 September daaraanvolgende laat hij op de Synodale vergadering te Nij broek het bezwaar tegen den Catechismus vallen, doch blijft volharden bij zijn bezwaar tegen de gereformeerde kerkelijke tucht.

Dit bezwaar heeft hij niet kunnen overwinnen, en zoo is hij in 1593 vertrokken, althans buiten dienst gesteld, daar in September van dat jaar als predikant van Doornspijk wordt genoemd ds. Wesselus Joannis Groeningensis, die de Synodale vergadering te Arnhem bijwoont.

Wij ontmoeten hem voor ’t eerst in de Classicale Acta van 13 April 1594, waar hem wordt opgedragen in de vacature te Oldebroek, ontstaan door het vertrek van T. Elberti, om de veertien dagen te voorzien, hetgeen die van Doornspijk danig gaat vervelen, daar dit al te lang aanhoudt.

In deze dagen was te Doornspijk geen ordentelijk kerkgebouw, doch waar men een aanzienlijke som gelds verzameld had, drong de Classis er bij den Schout op aan om een huis (waarschijnlijk pastorie) naast den toren te timmeren, alsook een kerk op te bouwen, daar men tegenwoordig godsdienstoefening hield in een herberg. Om al deze redenen was ds. W. Groeningensis (Wessel van Groningen) ook nog niet bevestigd. Zelfs was dit in Mei 1595 nog niet geschied om dezelfde redenen : „Die confirmatie Wesseli Groningensis wordt opgeschurt aen naestvolgende Classe, dewijle men verhoopt dat die kercke toe Dornspyck tegens die tyt sal onder dak syn”.

In 1596 wordt medegedeeld, dat hij des Heeren H. Avondmaal te Elburg had gebruikt, waartoe de dienaars van het platte land opdracht was gegeven, en tevens werd hem een veertiendaagsche predikdienst te Oosterwolde in het vooruitzicht gesteld, daar de voormalige pastoor Johs. Nuche onbekwaam werd geacht. Zoover is het echter niet gekomen.

In 1597 droeg de Classis aan ds. Winandus Johannis van Elburg op, om met een ouderling naar Doornspijk te gaan, ten einde den Schout vriendelijk te verzoeken, of deze erin bewilligde, dat voortaan in de kerk de Psalmen Davids gezongen werden, en dat er een collecte werd ingesteld tot onderhoud der armen. Tevens kregen die beide opdracht om met den Schout en kerkmeesters te spreken, datse Wesselum haeren Dinaer voer een stedigen predigher wolden accepteren” en zijn tractement wilden verbeteren, en zoo dit niet geschiedde, dat dan de predikant genoopt werd om te vertrekken.

In 1600 verklaart de predikant dat zijn gehoor bevredigend is. Na dezen vernemen wij niet eerder iets van hem dan in 1607, toen hij wegens ziekte de vergadering niet kon bijwonen. Dit is dan ook het laatste, want dan dient zich een ander predikant aan, terwijl ons later blijkt, dat ds. W. Groningensis gestorven is.

Deze nieuwe predikant wa^ Laurentius Borcholonius „studiosus theologiae tot Leyden”. Hij werd in een buitengewone Classicale vergadering den 29 October 1607 te Harderwijk gehouden, geëxamineerd en toegelaten.

De Classis was echter tot voorzichtigheid gemaand, en zoodoende staat zijn examen uitvoerig in de Acta beschreven. Hij was het met de Ned. Geloofsbelijdenis en Catechismus goed eens, hield deze conform den Woorde Gods „jae dat meer is, was daervan genoechsaem in syn gemoet overtuycht.” Maar aangezien hij eens een boekje vertaald had, dat aanleiding geven kon om de menschen terug te roepen tot het Pausdom, haddeai sommige broeders in Holland hem opgelegd, het Pausdom openlijk af te zweren. Dit moest hij schriftelijk doen, en aan de Classis voorleggen. Zijn examen liep over de volgende punten : De H. Schrift, de R. K. Kerk, Paus en pausdom, predestinatie, voorzienigheid, vrije wil, algemeene genade, erfzonde, rechtvaardiging, volmaaktheid der wet, volharding dêr heiligen, en staat der ziel buiten het lichaam.

„Is neffens desen veerder opgeleit, testimonium Gomari te verthonen, zoo al niet van zijn geleerdheid, dan toch in elk geval van zijn wandel. Indien hij dit kon bijbrengen, zou hij in den dienst te Doornspijk worden geduld tot de eerstvolgende Classis, waarna men verder met hem zou handelen.

Het volgende jaar, AprU 1608 is hij niet ter vergadering, ja heeft reeds gedurende tien weken zonder kennisgeving aan de Classicale Deputaten Doornspijk verlaten, zoodat ook de kerkdienst al dien tijd had stilgestaan. De Classis was hierover hoogst verontwaardigd, doch wilde hem evenwel handhaven, mits hij binnen vier maanden na zijn terugkomst aan de gestelde eischen voldeed, bij gebreke waarvan hij geacht werd van den dienst ontslagen te zijn. Tevens moest hij zijn stukken van het Hof binnen den zelfden tijd toonen, en ten slotte „dewyl hy seer ohnordentlick met opspraeck end ohnstichtinge seiner gemeinten vertrocken is” en men over zijn terugkomst in het onzekere verkeert, hij voor Pinksteren (1608) terug moest zijn, daar anders de Classicale Deputaten zouden omzien naar een anderen dienaar. Dit geschiedde, want Borcholonius kwam niet terug, en in 1609 vervulden de predikanten van Harderwijk, Elburg en Garderen de plaats. De Schout werd gevraagd deze predikanten te halen en te brengen.

De vacature duurde tot 1610, en werd vervuld door ds. Joachimus Straetmannus, die reeds mogelijk in 1609 daar arbeidzaam was. Een en ander was geschied tegen de gewone orde van zaken in. De Classis was hierover ontstemd, zoodat ds. Straatman hierover werd berispt. Hij gaf echter te kennen, dat een en ander zonder zijn wil en weten was geschied, weshalve hij zijn excuses aanbood, waarop de Classis hem tot een lid aannam, na zich van zijn goede getuigschriften overtuigd te hebben. Hij zou ten spoedigste worden bevestigd. Dit was echter, ondanks de approbatie van het Hof, in April 1611 nog niet geschied, doch werd aan den predikant van Elburg alsnog opgedragen, terwijl ds. Straatman het H. Avondmaal te Oldebroek moest gaan gebruiken. Waar nu alles weer op een ordelijk verloop van zaken, vroeg de weduwe van ds. Wessel van Groningen aan de Classis om haar behulpzaam te zijn tot het verkrijgen van een weduwe-pensioen.

Tot 1618 heeft alles een rustig verloop, doch hij had zich gelijk zijn collega van Oldebroek op de laatste vergadering vergaloppeerd. De acta luidt als volgt:

„Edoch betreffende ds. Joachim Straetman heeft de Classis bevonden de sake anders geschapen te zyn, als dewelcke door den dranck was overrompelt geweest, ende also seker mis-use begaen, doch niet in alle deelen, also gelyck als de geruchten wydt ende sydt liepen. Waerover hy ditselvige voor den Classe ende oogen Gods bekent hebbende uyt menschelycke swackheydt geschiedt ende sulcks hertelyck leedt te zyn, versocht dat de vergaderinge hem sulcks ten besten wilde houden ende vergeven, met belofte van voortan sich so te dragen, dat diergelycke noyt van hem soude worden gehoort.

De Classis in de H. vrese Gods dese sake rypelyck overwegende, heeft tot wechneminge van de gegevene ergenissen, hem seer serieuselyck hyer over bestraft ende tot een amende opgeleyt tot drie verscheyden reysen, maendt op maendt aen malcander volgende tot Harderwyck aen d’ armen der kercken (alwaer d’ ergernisse gegeven is) te betalen telkens een pont groot, [zes gulden] daervan het eerste betaelt sal worden van nu over een maendt ende so volgens, welcke censura ende straffe Ds. Straetmannus voorsz. in de vrese Gods heeft aengenomen ende belooft nae te komen, ende voortan sich also te gedragen en voegen te voren uytgedruckt”. (Wordt vervolgd).

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 14 februari 1935

 

Opening gebouw voor Christelijke Belangen

Te Vaassen is onder geweldige belangstelling vorige week Woensdag-en Donderdagavond geopend het „Gebouw voor Christelijke Belangen”, uitgaande van de Chr. Nat. Schoolvereeniging alhier (voorzitter ds. Van der Zee).

Dit gebouw is gesticht door milde bijdragen, veel belangeloozen-arbeid en rentelooze aandeelen, heeft een conciergewoning, twee vergaderzalen en een groote zaal voor 300 personen met cabine voor lichtbeelden. In deze zaal staan 202 eiken klapstoelen, terwijl een ruim podium met afneembare katheder plaats biedt voor zanguitvoering.

De voorzitter heette allen hartelijk welkom, liet zingen Psalm 68 vers 10, las Psalm 78 vers 1-8 en ging voor in gebed. Na een uiteenzetting van het Gebouw te hebben gegeven, ging hij de geschiedenis van deze zaak na en stelde het doel duidelijk voor oogen: elke Vereeniglng van chr. beginselen kan hier onderdak vinden, terwijl het Schoolbestuur de teugels in handen houdt.

De burgemeester feliciteerde daarna de Vereeniglng in hartelijke bewoordingen, waarna de heer Renger, hoofd der school, sprak over: één man met God heeft altoos de meerderheid. Daarna huldigde hij den voorzitter, die niets gespaard had om dit doel te bereiken, gesteund als deze is door de medestrijders voor de School.

De Chr. Zangvereeniging zong af en toe eenige liederen, verschillende afgevaardigden lieten zich hooren, terwijl met een tableau werd besloten.

Tenslotte werd nog gezongen „Een vaste burcht is onze God” en tevens herdacht het 75-jarig bestaan van de Vereeniging voor Chr. Nat. Schoolonderwijs in Nederland. Het aantal bezoekers beliep 612, terwijl de collecte ƒ 101.65 opbracht.

Een afdeeling van den Gereformeerden Bond zal eerstdaags worden opgericht.

Den heer J. W. Kok, die den grond voor dit gebouw geschonken had, werd toegezongen Psalm 134 vers 3.

Onder den indruk, dat eensgezindheid en liefde in deze zeer verdeelde gemeente nog veel vermag, gingen beide avonden de bezoekers dankbaar huiswaarts.

De Waarheidsvriend, 7 november 1935