Conradus Goddaeus en zijn Laus Ululae

Geeraardt Brandt heeft in zijn leven van Hooft aan de twee veluwsche predikanten Goddaeus en Martinius een plaats bezorgd onder de gedenkwaardige personen der nederlandsche letterkunde. „D’ eerste, Conradus Goddaeus, hadt zeer geleerdelijk, in zuiver Latijn, der menschen aardt en zeeden, onder de gedaante van zeeker dier, ontdekt; en al boertende de weerelt haare plichten geleerdt”1) …
Uit de litteraire briefwisselingen dier dagen blijkt dat dit dier de uil was. Zoowel Hooft als van Baerle betuigen Goddaeus in Januari 1643 hun bewondering voor zijn opus de laudibus ululae, dat deze blijkbaar eenige maanden tevoren aan Hooft had gezonden. In October 1642 had W. Schuyl „het lofboeckjen der uylen” reeds van Hooft te leen gehad en zond het hem op zijn aanmaning terug, hoewel hij er zijn lust nog „niet volcomentlijcken” in had „connen boeten”. Hooft verontschuldigt zich dat hij zoolang had gewacht met bedanken en zendt Goddaeus als tegengift een exemplaar van zijn juist verschenen Historien 2). Ook aan Huygens zond Goddaeus op raad van Barlaeus een exemplaar van zijn werkje over den uil 3).

De lof dezer beroemde tijdgenooten over het uilenboekje is steeds weer aangehaald door latere schrijvers, die echter van Goddaeus slechts zijn bundel Nievwe Gedichten sonder rym (1656) kenden. Aan dezen bundel kon niemand veel lof geven; het geprezen werkje over den uil werd reeds als een verloren gedicht beschouwd. Het loont zeker de moeite de aandacht opnieuw op dit inderdaad zeer vernuftige en vermakelijke latijnsche prozawerkje te vestigen, dat allerminst verloren is en waarvan ver-

1) Zie de jongste uitgave door P. Leendertz jr. (’s Grav. 1932), blz. 33 v.
2) Hooft, Brieven (uitg. v. Vloten) IV 61 v., 76; Barlaei Epistolae 899, hierna afgedrukt; daarbij ook Martinius’ Epistolae 366; beneden meer hierover.
3) Zie den brief hierna afgedrukt.

 

232

schillende uitgaven benevens een nederlandsche vertaling bewaard zijn. Vooraf zij nog eens verzameld wat over den schrijver bekend is.

De meest volledige berichten over Conradus Goddaeus bracht J. C. van Slee bijeen in zijn boekje over Franciscus Martinius, Predikant te Epe 1638—1653 (Deventer 1904). Aan de vriendschap met dezen naburigen predikant hebben wij tal van gegevens te danken, die bewaard bleven in de Gedichten maar vooral in de brieven van Martinius, na zijn dood door zijn weduwe uitgegeven: F. Martini Epistolae ad amicos (Harderv. 1653). Wat van Slee in zijn boekje (blz. 71—75) uit deze bronnen verzamelde, geven wij in het kort weer, met allerlei aanvullingen, waardoor vooral Mej. C. J. Welcker, archivaris van Kampen, en Ds. G. van der Zee te Vaassen ons hebben verplicht.

Ds. Conradus Goddaeus

Blijkens zijn hierbij afgebeeld portret van het jaar 1655 was Goddaeus toen 43 jaar oud en sedert 21 jaar predikant te Vaassen. Zijn vader, Hermannus Goddaeus, in diezelfde plaats beroepen als proponent in 1610, was er de opvolger van den laatsten pastoor, die hoewel reeds in 1600 afgezet toch tot 1609 door de Roomsch-katholieke ambtsjonkers van Epe gehandhaafd bleef. Conradus zal dus in 1612 te Vaassen geboren zijn en werd daar als proponent de opvolger van zijn vader, toen deze in 1634 overleed. Hij behoorde tot de oudste studenten van het Athenaeum te Deventer, ingeschreven op 5 Mei 1630, tegelijk met Joannes Goddaeus, die evenals hij wordt aangeduid als Vasensis en dus waarschijnlijk een broeder van hem was (van Slee, De illustere school te Deventer, ’s Grav. 1916, blz. 199). Een andere broeder Fredericus (als candidaat beroepen te Bennekom, 19 Nov. 1648, en overl. 1679) schreef een lofdicht voor Conradus’ Nieuwe Gedichten (1656). Uit het opschrift van een gedicht in dien bundel (blz. 154) kennen wij den naam van Conradus’ vrouw, Cecilia.

 

233

Steffens, en den dag van haar overlijden 24 April 1655. Zij hadden tien kinderen. 1)

Waarschijnlijk kwam Conradus zelf uit een talrijk gezin voort. Wij noemden zijn broeders Joannes en Fredericus. Martinius schrijft in een brief aan rector Wendbejel te Kampen van 2 April 1647 (blz. 530 v.) over tweelingbroeders Goddaeus, die hem op de doorreis hebben bezocht en die beiden verlangden Wendbejel te zien; de namen dezer broeders vermeldt hij niet. In Rotterdam woonde reeds in 1659 Henricus Goddaeus, die als „jonkman van Vaassen” 23 Nov. van dat jaar ondertrouwde; deze en zijn zoon Hermannus zijn in Rotterdam als boekdrukkers en uitgevers bekend 2). Vermoedelijk is ook Henricus een broeder van Conradus en dus mede een zoon van Ds. Hermannus.

1) Het doopboek van Vaassen leert ons een vijftal kinderen met name kennen: Hermannus (5 Trinit. 1643), Conradus (Quasim. 1645), Anna (17 Trinit. 1647), Elisabet (19 Trinit. 1648), Anna (Reminiscor 1650). Uit de brieven van Martinius blijkt dat deze laatste het tiende kind moet zijn geweest en dat het vierde dochtertje, vermoedelijk dus de 1647 geboren gelijknamige Anna, kort tevoren overleed (brief van 5 Maart 1650, blz. 566); 12 Mei 1645 schrijft hij (blz. 474), dat Goddaeus’ zevende kind is geboren, een jongen die den naam van zijn vader draagt, en in een brief van 13 Oct.1648 (blz. 540) bericht Martinius dat hij juist Goddaeus’ negende kind heeft gedoopt; in denzelfden brief is sprake van het bezoek van een puer Wilhelmus Goddaeus, die dus een van het vroeger geboren vijftal kan zijn geweest. Deze Willem, die genoemd was naar zijn grootvader van moeders zijde Ds. Wilhelmus Stephani, komt bij Martinius nogmaals voor in den brief van 13 Oct. ’48 (blz. 540) en van 11 April ’49 (blz. 551), waar gezegd wordt dat hij naar Kampen zal komen om bij rector Wendbejel school te gaan. Tot de oudere kinderen behoorde zeker ook een dochter Abigaïl, die 30 Sept. 1655 met Joannes Peregrinus huwde (Nieuwe Gedichten blz. 160), en nog een dochter Femina, van wier geboorte wij wederom bij Martinius hooren (brief van 11 Maart 1641, blz. 323 v.). Er moeten dus, om het tiental vol te maken, behalve deze drie nog twee kinderen voor 1643 zijn geboren, waaronder nog één meisje, daar Anna het vierde meisje was.
2) Henricus huwde met Johanna Snoek, jongedochter van Stolwijk, wonende te Rijnsburg; tusschen 1660 en 1680 lieten zij elf kinderen doopen: Fenna, Abraham, Sara, Catharina, Hermannus, Jacobus, Isaak, een kraamkind zonder naam, Abraham, Johannes en Hillegonda. Hij was boekdrukker in den Oppert (reeds 1674) en gaf uit: Korte beschrijvinge van het eylandt Westvoorn ende de geschiedenissen van de stadt Goederede, kostelijck bij een versameldt door H. v. Dam, Goeree. Tot Rotterdam. Gedruckt by Henricus Goddaeus, Boekverkooper in den Oppert, Anno 1680. In 1687 wordt de Weduwe Henr. Goddaeus vermeld. De zoon Hermannus, gedoopt 27 Mei 1668, trouwde Sara Elsevier en hertrouwde Willemina Bellaert; tusschen 1698 en 1709 liet hij vijf kinderen doopen: uit het eerste huwelijk Henricus, Abraham en Johanna, uit het tweede Frans en Hillegonda. De eerste uitgave van G. van Spaan’s Beschrijvinge der stad Rotterdam en eenige omliggende dorpen heeft als adres: Te Rotterdam gedrukt bij Hermannus Goddaeus, Boekdrukker in de Lomberdstraat 1698. (Ledeboer, Boekdrukkers enz. 1872, blz. 327; dezelfde, Alfab. lijst, 1876 blz. 63; aangevuld met gegevens uit het Gemeentearchief te Rotterdam).

 

234

De naam Goddaeus, Goeddaeus, Goeddeus, komt in de 17e en 18e eeuw aan de nederlandsche hoogescholen vrij vaak voor, veelal met herkomst uit Steinfurt, Cassel en Marburg. Of het een in het sassische land algemeene naam was, danwel of het hier een uitgebreide familie van gestudeerden betreft, valt voorshands niet uit te maken 1).

***

Dominus Conradus Goddaeus, bedienaar des goddelijken woords te Vaassen is, volgens de bewaarde trouwboeken in het Gemeentearchief, op 31 Dec. 1634 te Kampen ondertrouwd en op 20 Januari 1635 in de Bovenkerk gehuwd met Cicilia Steffens, jongedochter van Wesel. Zij moet een dochter zijn van Ds. Wilhelmus Stephani, te Kampen beroepen uit het Hof van Kleve 1615, om zijn remonstrantsche neigingen 1616 naar Arnhem geweken, doch 1619 teruggekeerd en tot zijn overlijden in 1636 te Kampen predikant. Met de familie van Ds. Stephani zal Goddaeus reeds goed bekend zijn geweest. Een zoon Johannes Wilhelmus was, na een vijftal jaren in IJsselmuiden, sedert 1630 predikant te Epe (waar hij 1637 overleed en 1638 door Martinius werd opgevolgd). De jongere zoons Henricus en Robertus Stephani kwamen Nov. 1631 te Deventer studeeren. Een zuster Anneken was 1627 gehuwd met Hubertus Fabritius, predikant te Oene (die echter reeds in 1631 als weduwnaar hertrouwde). In de naaste

1) In het Album studios. van Groningen vinden wij 1628 een philos. stud. Johannes Henricus en een jurist Wilhelmus Henricus; te Deventer in 1630 de beide broeders uit Vaassen Conradus en Joannes; te Leiden 1635 een Adolphus Fridericus phil. en een Johannes Henricus theol., beiden uit Steinfurt; mogelijk is de laatstgenoemde uit Groningen daarheen getrokken; Adolphus Fridericus vinden wij in 1637 te Groningen als med., in 1640 te Deventer en in 1642 nogmaals als med. te Leiden, de beide laatste malen weer aangeduid als Steinfurtensis (indien de leidsche leeftijdsopgaven juist zijn kan het echter niet vier maal dezelfde persoon zijn); in 1651 promoveert te Groningen Johannes Henricus, theoloog uit Steinfurt (wellicht dezelfde die daar reeds 1628 in de philos. ofwel degeen die 1635 te Leiden in de theol. faculteit werd ingeschreven); 1660 vinden wij te Groningen een jurist Johannes Henricus; 1667 aldaar een philos. Johannes uit Steinfurt; 1671 aldaar een Gerhard Adolph uit Steinfurt, wellicht dezelfde die 1676 te Utrecht verschijnt; 1675 te Groningen een jurist Wilhelmus Bernhardus uit Steinfurt; 1676 te Leiden een jurist Joannes uit Cassel; 1680 te Groningen een theoloog Ernestus Philippus uit Steinfurt; 1712 te Leiden een jurist Nicolaus Guilielmus uit Cassel; 1723 te Utrecht een Hermannus Fridericus uit Marburg; 1725 te Leiden een jurist Fridericus uit Cassel; 1737 te Groningen een literator Johannes Henricus uit Drente. Tenslotte kent Ledeboer (Alfab. lijst) in 1789 te Leiden nog een boekverkooper Cornelis Willem.

 

235

omgeving van Vaassen trof Goddaeus dus reeds een oudere zuster en een broeder van zijn toekomstige vrouw aan; twee jongere broers kan hij als medestudenten te Deventer hebben gekend. Martinius, zeker ook een vriend des huizes, studeerde toen in Leiden en werd blijkbaar door den kamper rector Wendbejel op de hoogte gebracht met het aanstaande huwelijk van Cecilia. In zijn brief aan dezen van midden December 1634 schrijft Martinius daarover (blz. 111 v.): „ik zal aan Uw verzoek om een bruiloftsdicht voldoen en wel zonder al te veel gekheid… Maar hoe zit het met den naam van den bruidegom? Want voor het eerste gedeelte heet hij Conradus, maar voor het tweede is hij tot nog toe anonym… Het is niet voldoende dat Robertus Stephani hier ook in Leiden is. Want uit dien man is geen woord te krijgen… Ik geloof dat als vader Stephani niet wat toeschietelijker was er van geen bruiloft zou komen!”… Hij vraagt dan naam, leeftijd, aanleg en wat er verder te vertellen is over den bruidegom, en den juisten dag van de bruiloft. Zoo treedt dus Goddaeus het eerst als Conradus anonymus op in de brieven van Martinius, die hem later geregeld met den bijnaam Theonymus zal versieren. De gevraagde inlichtingen schijnen spoedig gekomen te zijn. In zijn volgenden brief aan Wendbejel van 1 Jan. 1635 (blz. 113— 117) geeft Martinius allerlei commentaar op zijn met dien brief toegezonden gedicht. Dit bruiloftslied is niet bewaard gebleven, maar de uitlatingen in den brief toonen dat het in het Nederlandsch was gesteld en meer of minder in den trant van Huygens.

Over het ambtelijk leven van den predikant van Vaassen vond Ds. van der Zee belangrijke berichten in het Acta-boek der Classis Harderwijk. In 1638 was Goddaeus scriba der vergadering. Van 1639—41 was hij kerkvisitator. Op 28 Sept. 1642 werd te Oene een buitengewone classicale vergadering gehouden, waarop het verzoek aan de orde kwam om in Vaassen een Kerkeraad te mogen hebben, die er dus blijkbaar nog niet was. Op de vergadering van 11—13 Juli 1643 te Harderwijk werd dit verzoek nader behandeld, met het gevolg dat 20 Sept. d.a.v. te Vaassen zelf een bijeenkomst (waarop ook Martinius aanwezig was) plaats had, die de instelling van den Kerkeraad regelde. Over dorpelingen, die door meer en mindere ernstige vergrijpen en door ontwijding van den zondag met ganstrekken, papegaaischieten en derg. hun predikanten moeite bezorgen, lezen wij zoowel in de classicale acta als in de brieven van Martinius. Ook het katholicisme, dat in

 

236

Vaassen o.a. op het slot de Cannenburgh onder de bescherming der ambtsjonkers van Epe zelf in het geheim voortleefde, gaf den predikant en de classis zorg. Daarvan is o.a. sprake als Goddaeus in 1650 eenigen tijd op reis is. In de doop- en trouwregisters van Vaassen is dan een lacune waarbij staat aangeteekend dat deze boeken niet zijn bijgehouden daar de predikant een reis naar Keulen had ondernomen. Martinius helpt ons ook hieromtrent aan nadere gegevens: in een brief aan Wendbejel van Oct. 1649 (blz. 555) vertelt hij, dat Goddaeus met zijn zwager Henricus Stephani naar Keulen is vertrokken voor een oude blijkbaar financieele kwestie van de erfgenamen van Wilhelmus Stephani en een zekere vrouw Jansen, waarover de vrienden zich al dikwijls vermaakt hadden. In Dec. ’49 (blz. 562) schijnt Goddaeus thuis te zijn, maar met zijn gedachten nog geheel in Keulen. Als Martinius 5 Maart 1650 (blz. 566) over het overlijden van Goddaeus’ dochtertje schrijft, is er geen sprake van zijn afwezigheid. In een brief van 23 Juni 1650 (blz. 572) hooren we van een verzoek van Goddaeus’ vrouw aan Martinius, waaruit wellicht is op te maken, dat hijzelf toen weer op reis was.

Herhaaldelijk vernemen wij over ziekten en ongevallen van Goddaeus; hijzelf schrijft aan Huygens 25 Febr. 1643, dat hij zijn Laus ululae meer dan een jaar tevoren tijdens een langdurige ziekte samenstelde; Martinius bericht 29 Aug. 1641 (blz. 335), dat Goddaeus al een grafschrift voor zich zelf had opgesteld; 21 Dec. ’45 schrijft hij (blz. 496) over een ongemak aan diens rechterarm waardoor hij vreest het avondmaal met de linkerhand te moeten bedienen; 25 Juni ’46 (blz. 509) heeft hij een bloeding gehad, nadat hij uit Kampen is thuisgekomen, en ook zijn voet bezeerd; 13 Oct. ’48 (blz. 540) is hij door hoofdpijn verhinderd met zijn zoon Willem mee naar Epe te gaan. In 1653 meldt Goddaeus zich ziek bij de classicale vergadering en evenzoo in de volgende jaren. Op de vergadering te Nijkerk 8 Mei 1655 doet hij dit met een gedicht, waarin hij ook den dood van zijn vrouw op 24 April 1655 herdenkt en tevens vraagt Johannes Peregrinus voor eenige maanden als hulpprediker te mogen hebben. Hij verzoekt daarbij de classis zijn gedichten te willen keuren, die hij in het volgende jaar met een 1 Juli 1656 gedateerde opdracht aan de Staten van Gelderland in druk liet uitgaan. In dezen bundel treft men het bedoelde gedicht in rijmlooze hexameters aan (blz. 154—158), gevolgd door een gelukwensch in verzen aan Peregrinus op zijn

 

237

bevestiging te Vaassen, 5 Aug. 1655, en een jaardicht op het huwelijk van zijn hulpprediker met zijn dochter Abigaïl, 30 Sept. van dat jaar (blz. 158—160). Goddaeus verkreeg in 1656 emeritaat, doch beleefde nog dat zijn schoonzoon en opvolger Peregrinus in 1657 overleed. Zijn eigen dood wordt in het classicaal Actaboek op 1658 gesteld.

Zijn dichtbundel verscheen onder den titel: Conradi Goddaei Nievwe Gedichten sonder rym, naa de Griexe en Latynse Dichtmaten, op allerhande soorten van Verssen, ingestelt. Noit voor desen in Neder-duits gesien, noch gebruiklik. Tot Harderwyk, By Joannes Toll, Ordinaris Drukker der Academi des Vorstendoms Gelre, ende Graefschaps Zutphen. In ’t jaer, M D C L V I. Dit boek wordt in alle uitvoerige geschiedenissen der nederlandsche letterkunde vermeld; het bevat zooal niet de oudste dan toch de uitgebreidste proefnemingen met rijmlooze metrische verzen in onze 17e eeuwsche literatuur en geeft over deze verstechniek in een uitvoerige en zeer merkwaardige voorrede rekenschap 1). Het werk van Goddaeus op dit gebied is een curiosum en heeft geen blijvende bewondering of navolging kunnen vinden.

Martinius was hem in den dood voorgegaan. Goddaeus plaatste in zijn bundel het laatste Nieu-jaers-dicht, dat hij den vriend opdroeg „als sy beide op een tyd met een sware siekte waren bevangen” (blz. 151), en liet daarop onmiddellijk het grafschrift in het Latijn en het Nederlandsch volgen, dat hij den 14 Januari 1653 overleden „seer getrouwen herder der Gemeinte tot Epe” nazond. Al kon Martinius dus zelf het verschijnen van Goddaeus’ bundel niet meer met een lofdicht begroeten, toch kende hij diens nieuwe verspraktijk en theorieën reeds en eerde zijn vriend daarvoor dan ook in 1652 met eenige latijnsche verzen. Deze verzen werden als bijschrift gegraveerd onder het in 1655 vervaardigde portret.

Dit portret 2), door den Amsterdamschen graveur Abraham Conradus 3) vervaardigd, toont een sprekenden geestigen kop. De rechterarm steunt op een in leer gebonden bijbel met koperen hoeken; met het opengeslagen oblong liederboek wordt zeker

1) Vgl. F. Kossmann, Nederlandsch versrythme (1922), vooral blz. 54—56.
2) De hier gegeven afbeelding is verkleind; de oorspronkelijke plaat meet 28,7 bij 18 c.M. Het portret is bewaard in het exemplaar der Nieuwe Gedichten van het Rotterdamsch Leeskabinet.
3) Thieme-Becker, Allg. Lex. d. bild. Künstler VII, 316.

 

238

de bundel Nieuwe Gedichten bedoeld. Deze bevat weliswaar geen muzieknoten, maar

In stede van noten vind gij de geheele gedaente
Van verssen, voeten, maten vertoont boven yglik (blz. I).

De graveur kon weten dat het boekje o.a. Psalmen zou bevatten, maar daar het nog niet verschenen was kon hij het niet naar de werkelijkheid afbeelden. Op het frontispice van de Nieuwe Gedichten zelf zijn o.a. koning David en Horatius en een zwaan afgebeeld, en ook zulk een opengeslagen oblong boek met muzieknoten. Het gedicht van Martinius dat onder het portret is geplaatst handelt in zijn 3 disticha inderdaad geheel over Goddaeus’ „nova poesis belgica”, zijn metrische nieuwigheden in de nederlandsche dichtkunst. Het duodecimoboekje in hoornen band, dat de geportretteerde in de linkerhand houdt, stelt natuurgetrouw zijn andere werkje voor: de Laus ululae.

Het is een merkwaardig toeval dat de persoon van Goddaeus en de Laus ululae elkander in de literatuur geheel zijn kwijt geraakt. Nu zij elkaar weer gevonden hebben blijkt dat omtrent hun saamhoorigheid niet de minste twijfel kan bestaan.

In een brief van Martinius van 25 Mei 1639 (blz- 251) lezen wij een aardigheid: de deputaten van onze classis zijn dit jaar Ds. Curtius en Ds. Jaël en dat is net zoo iets als het bekende „ Julio et Caesare consulibus”. Curtius Jaël is dus de bijnaam van één persoon en toen reeds wisten de vrienden wie daarmee bedoeld werd. Op 4 Febr. 1642 schrijft hij aan rector Wendbejel (blz. 340): Onze vriend zit aan alle kanten in den druk, thuis met veel werk, en te Deventer in de openbare persen 1). Begrijpt ge mij? Ik spreek over zijn uil, die alle vogels in verbazing zal zetten. Hij heeft dikwijls gewenscht dat U zijn Aristarchus (criticus) zoudt zijn, doch vergeefs. Nu verschijnt hij

Glaucopoli

Apud Caesium Nyctimenium,

In platea Ulularia, sub signo

Vladislai Regis Poloniae.

1) Amicus noster undique premitur, multis negotiis domi, & publicis prsaelis Daventriae … Het is niet mogelijk al de woordspelingen in de vertaling te laten uitkomen.

 

239

In den volgenden brief van 12 Maart (blz. 341) spreekt hij over Goddaeus als: Theonumos, die sedert eenigen tijd onder den naam Curtius Jaël is schuil gegaan, waarvan het eerste gedeelte aan de romeinsche, het tweede aan de gewijde geschiedenis is ontleend.

Op 15 Nov. 1642 maakt Martinius (blz. 363) allerlei toespelingen op uilen: Wij hebben onlangs op het examen veel moeten lachen over zekere dwaze uilen, maar dag-uilen; want dat men ze om hun belachelijkheid nachtuilen zou mogen noemen ontkent onze Encomiastes (lofschrijver). Eenige maanden later, 10 Febr. 1643, schrijft hij (blz. 366) over het succes van Goddaeus, dien hij bij deze gelegenheid als Cecropides, d.w.z. Athener, betitelt: Onze Tacitus, d.w.z. Hooft, heeft hem zijn Historiën gezonden met een zeer minzaam schrijven. Ook van andere latinisten had hij vlei-

 

240

ende brieven ontvangen en dezen zouden onder anderen ook aan den secretaris van den Prins, d.w.z. aan Huygens, schrijven. Men wilde blijkbaar moeite doen om hem van het platte land naar een standplaats in een stad te helpen.

Het boekje over den uil, door Conradus Goddaeus geschreven en onder het doorzichtige pseudonym Curtius Jaël 1) uitgegeven, werd dus in Febr. 1642 te Deventer gedrukt, met het door Martinius vermelde fictieve uitgeversadres. Deze zeldzame eerste uitgave der Laus ululae is mij in drie exemplaren bekend geworden, waarvan een thans in de Gemeentebibliotheek te Rotterdam.

Van de briefwisseling met de beroemdheden die Martinius vermeldt is inderdaad een en ander bewaard gebleven. Goddaeus moet in den loop van 1642 aan Hooft een exemplaar van zijn boekje hebben toegezonden. Uit het briefje van W. Schuil aan Hooft, dat trouwens niet van veel begrip getuigt, blijkt dat deze het ter lezing had behouden en het nu, 18 Oct., op Hooft’s verzoek, na vluchtige kennismaking, terug zond (Hooft’s brieven, uitg. v. Vloten, IV, 61 v.). Hooft zelf zond dan als dank op 12 Januari 1643 een exemplaar van zijn Nederlandsche Historiën aan Goddaeus met een wel erg deftig latijnsch briefje; daarin spreekt hij over den brief van Barlaeus waarmee hij geheel instemt (t.a.p. IV, 76). Deze brief van Caspar van Baerle was blijkbaar bij Hooft’s zending ingesloten. Hij komt voor als nr. 460 in Barlaei Epistolarum liber (Amst., J. Blaeu, 1667 blz. 899— 900). De hartelijkheid en het gunstige oordeel van dezen geleerde, die zelf ook wel dergelijke latijnsche werkjes vervaardigde, mogen hier nog eens blijken:

Vir doctissime,

Concessit mihi lectionem Satyras tuae nobilissimus Hoofdius, Satrapa Muydensis. Valde me affecerunt Ululae tuae laudes, in quibus cum eruditione urbanitatem, cum utraque prudentiam junxisti. Prodes & delectas: prius facis saluberrimis monitis, posterius non illiteratis jocis & salibus. Doctrinam tuam per tot scriptorum paginas & latifundia diffusam prodis, apposite quae ad rem praesentem faciunt explicando, ut nusquam vel delphinum sylvis appingas, nee fluctibus aprum. Istiusmodi scribendi genus amo, & simili fere modo res serias dixi, in Orationibus meis de Ente Rationis & Reali, etiam in Nuptiis Peripateticis. Quae severitate dictionis persuaderi non possunt, incrustas venustate & verborum suavitate, ne fastidio sint. Multum tibi

1) Curtius = Koert, Conradus; Ja-el, hebreeuwsch = Jahwe is God = God-deus.

 

241

debent Ululae, quas aeternitati consecrasti, uti Moria plurimum debet Erasmo, Calvitium Synesio, Umbra Douzae. Certe hae nugae seria ducunt, & ingenia mortalium moresquehominum depingunt, sub speciosi animalis imagine. Si verum est Pythagorae placitum de animarum transmigratione, puto saepius ulularum animas in nostra corpora transire, ad quarum indolem mortales singuli plus minusve componuntur. Vnum dicam: non debebas in ulularum sedibus, & desertis Velavise locis vivere, verum in luce hominum, & quidem doctiorum, ne praeclarae ingenii tui dotes cum jactura publica int er ruricolas evanescant. Fui nuper Hagae Comitis, & doctrinae tuae apud Zulechemi Dominum praeco fui. Exemplar illi mittas velim libelli tui. Vellet Muydensis Satrapa te hic apud populum dicere, ut amoenissimi ingenii tui fructu propius frui liceret. Ego amore tui, & libelli suavitate captus, haec ad te scribere in animum duxi, ut credas non deesse alibi, quibus vis est dijudicandi bene dicta. Vale. 11 Ianuar. 1643.

Goddaeus heeft den goeden raad van Barlaeus opgevolgd en ook aan Huygens een exemplaar van zijn boekje gezonden. Worp vermeldt in het kort den inhoud van het briefje dat deze zending begeleidde (Briefwisseling van Const. Huygens uitg. J. A. Worp, III blz. 370, nr. 3227). De brief zelf is bewaard in het British Museum en werd nog niet uitgegeven. Wij laten hem hier volledig volgen, omdat hij juist over den aard van het uilenboekje met Goddaeus’ eigen woorden een indruk geeft.

S.P.

Nobilissime, Amplissime Domine.

 

Quod in tanta fama ac fortuna tua, quae publicis tantum negotiis destinata est tam familiariter ad Te scribo, non nostra impudentia est, sed aliena impulsio; quamvis non ita alieni hominis, ut non amor ejus tibi domesticus sit, mihi certè authoritas ejus plus quam publica fuit. Clarissimus D. Barlaeus est, quimihi literas ea de re persuastrices scripsit. Itaque si pecco (quomodo enim non peccem, nisi vitium authore redimam?) ille mei criminis patronus erit, qui mihi Dux ad audendum fuit. Utinam autem, quam facilis mihi persuasor erat, tam felix quoque Tui conciliator esset, non alio proxeneta merces meas Tibi obtruderem. Annus est, & quod excurrit, quod in morbum incidi lentum & morosum, quo tempore cum nihil serii cogitare poteram, coepi meditari argumentum aliquod jocosum, & in solitudine nostra nobis obvium, De Ulula. Sed ut divina dementia paulo post me mihi restituit; ita humana quoque benevolentia meas nugas nimis avidè arripuit: Ulula nostra in lucem protracta est, & nescio quo pacto Mostellum hoe medio die placere potuerit illustribus ingeniis, nisi cogitarem, illam ipsam Noctuam avibus reliquis admirationi esse solere non pulcritudinis caussa, sed deformitatis. Quicquid sit, Tibi certè, Nobillissime vir, mittenda

Het Boek XXII 16

 

242

non erat, qui fortasse libellos hos pro elegantia tua aversaris, ut Augustus terrarum dominus pumilos atque distortos & omnes generis ejusdem, ut ludibria naturae malique ominis abhorrebat: adeö ut nihil in Te magis sit monstrosum, quam quod nihil hac parte monstri habeas. Docent hoe exactissima ingenii tui monumenta inter qua nuper legi illud de usu Organi nostri. Profecto si ullus divini istius instrumenti usus superest, Tuus ille, quem propugnas, verus & unicus est, ita quidem, ut si quis contra sentiat, nihil sentiat. Interim vides humanam imbecillitatem — Taedet.

 

Quae pueri didicere, senes perdenda fateri.

 

Adeò nobis etiam vitia nostra placent, si ab usu & astate corroborentur. Veruntamen non omninö peribunt Pleuritides istae regulae aureoli operis, quamvis non omnibus arrideant: Suus olim pietati fructus constabit. Vale, Nobilissime & spectatissime D[omi]ne. Et, si clariss. D. Barlaeum criminis absolvis, me quoque excusa, quod authoritatem ejus secutus sim. Dabam in Vaessen V. Kal. Mart. M C I C C X L III (???).

 

Tuae Nobilissimae Magnificentiae studiosissimus et observantissimus

 

Conradus Goddaeus, Pastor in Vaessen.

Het antwoord van Huygens is niet bekend en hoe de briefwisseling door Goddaeus werd voortgezet weten wij niet; uit de eerstvolgende jaren is niets bewaard dat daarop betrekking heeft. Van een kans op een predikantsplaats in een der steden of zelfs maar van een reis naar Holland blijkt nergens. Martinius, die zelf nog al eens onder weg was en juist weer familie had bezocht in Amsterdam, schrijft 26 Feb. ’43 uit Epe aan Wendbejel (blz. 370): Goddaeus heb ik na mijn reis nog niet gesproken, maar ik geloof dat hij die beroemde Amsterdammers reeds heeft geantwoord. Hij zelf had intusschen met die beroemdheden nog geen kennis gemaakt, doch zou bij een latere reis in 1645 juist door een aanbeveling van Goddaeus daartoe gelegenheid krijgen. Op 13 Febr. 1645 namelijk schreef Goddaeus aan Hooft een latijnschen brief, die voorkomt in een verzameling Epistolae celeberrimorum virorum uitgegeven door Joh. Brandt (Amst. 1715) blz. 188— 190, en nog eens herdrukt werd door G. Penon in zijn Bijdragen tot de geschiedenis der nederlandsche letterkunde II (Gron. 1881) blz. 76 v. Deze brief begint met een verontschuldiging dat hij in zoo lang niets van zich had laten hooren. Hij verbreekt dan nu dat zwijgen en spreekt zijn bewondering uit voor Hoofts Historien en andere werken, die hem dikwijls hebben vertroost in de droeve

 

243

eenzaamheid van de Veluwe. Hij vraagt hem zijn nabuur Martinius te willen ontvangen, waardoor Hooft de beide vrienden gelijkelijk zal verplichten, en verzoekt hem ook Barlaeus te groeten. Martinius doet in een tweetal brieven aan Wendbejel van 26 Febr. en 2 Maart uitvoerig verslag van zijn bezoeken en roept dan ook uit, dat hij dat alles aan Goddaeus te danken heeft (blz. 466 v., 477 v., bij Penon t.a.p. 77—79 en ook omstandig naverteld bij van Slee blz. 7 v. 82, 85). Hooft gaf aan Martinius een pakje voor Goddaeus mee, waarin een exemplaar van Huygens’ Heylige dagen met een briefje van den drost en ook weer een brief van Barlaeus. De brief van Hooft, gedateerd 7 Maart 1645 te Amsterdam (bij van Vloten IV, 166 v., bij Penon 80 v.) is ditmaal in het Nederlandsch en bevat de twee vaak geciteerde uitspraken, dat hij hem zijn „gouden Latijn” betaalt met „dit kooperen Dujtsch”, doelende op de taal van den brief, en dat hij door de kennismaking met Martinius als tweeden veluwschen literator heeft geleerd „dat het den doornen van dat gewest aan maght mangelt om de roozelaars te verstikken”. Meer dan een zekere hoofsche welwillendheid kan men uit dit briefje niet lezen. Iets meer persoonlijke belangstelling blijkt wel uit het schrijven van Barlaeus, die blijkbaar aan Martinius ook eenige epigrammen voor Goddaeus had meegegeven. De brief is te vinden in Barlaei Epistolae blz. 923 v. en daar foutief gedateerd 7 Feb. (moet zijn 7 Maart) 1745. Ook hier blijkt wel dat Goddaeus geen geregelde betrekking met deze Amsterdammers heeft onderhouden. Ik zie uit uw brief aan Hooft, schrijft van Baerle, dat gij ons nog niet vergeten zijt. Ik zou wel willen dat gij dichter bij ons waart, opdat gij Uw Uil met nieuwe veeren kondt voorzien en onthalen. Verder heeft hij het over het kwaad van de wereld, kerkelijken twist en oorlogsrumoer: gij die ver daarvan leeft en dat alles slechts bij geruchte verneemt, zijt er te gelukkiger om. Op 13 April schreef Martinius nog eens aan Hooft (Epist. celeb. vir. 190, bij Penon 81) en sloot daarbij een gedicht in, waarover Hooft 20 April aan van Baerle schrijft (v. Vloten IV, 182), dat hij achter dien predikant geen dichter gezocht had. De voorstelling als zouden Goddaeus en Martinius tot den zoogen. Muiderkring te rekenen zijn heeft door Brandt’s woorden in zijn leven van Hooft wel wat vaster vorm aangenomen dan zij verdient.

Intusschen had het letterkundige leven op de Veluwe niet stil gestaan en de uil was inderdaad opnieuw in de veeren gestoken.

 

244

Op 13 Juni 1644 berichtte Martinius (blz. 445) aan den Kampenschen rector: om hier ook nog iets over Minerva en haar vogel bij te voegen, onze vriend is van plan morgen naar Epe te komen en met mij over een nieuwe uitgave te spreken. En 24 Nov. 1644 schrijft hij (blz. 456) daarover: onze vriend is wederom onder de drukpers en de zaak van de uilen is weer hevig in bedrijf. Wij mogen hieruit dus opmaken, dat Goddaeus in het najaar van 1644 een tweeden druk van zijn Laus ululae bezorgde.

Met deze gegevens is het thans mogelijk de verschillende drukken van Goddaeus’ boekje te rangschikken.

1. LAUS ULUL.E Ad Conscriptos Ululantium Patres & Patronos. Authore Curtio Jaele. [houtsnede: uil en spiegel] Prostat Glaucopoli Apud Csesium Nyctimenium, In platea Ulularia, sub signo Uladislai Regis Poloniae. [Gedrukt te Deventer 1642].

blz. [2] [een distichon:] Noctua blanda veni… blz. 3—5 Lectori festivo salutem [de beginletter A is met een uil versierd]. blz. 6—7 (…) authoris ad Ululam et Ululantes Patronos. [blz. 8 wit], blz. 9—70 Laus Ululae [de eerste letter van den tekst, een D, is met een uil versierd], [blz. 120 foutief gepagineerd 229, blz. 162— 163 foutief 193—193]. blz. [171]
I Phaedrus De cicada & noctua. blz. [172]
II Jacobi Micylli Epigramma. . . Idem Latinum, mterprete Reusnero. blz. [173] Candido Lectori S. [errata], [blz. 174 wit], blz. [175] [distichon:] Noctua blanda vale… blz. [X76] [houtsnede: uil en spiegel, grooter dan op het titelblad]. Spiegel der blz. 11 bij 5,5 c M.

Exemplaren in de Gemeentebibliotheek te Rotterdam (49 E 15) en in de Universiteitsbibliotheken te Königsberg (V82) en Münster (X2200).

 

245

2 [Gegraveerd frontispice: mannenfiguur met uilenkop en uilenklauwen, een uil houdend in de rechterhand, zittend op de wereldbol, waarin menschen van alle standen met uilengezichten zijn afgebeeld; opschrift op de borst van de hoofdfiguur Laus ululae].

3 [Titelblad blz. 3:] LAUS ULULAE… [enz.] Authore Curtio Jaele. Editio secunda, priori multò auctior & emendatior. [dezelfde houtsnede als op den titel van de 1e uitgave]. Prostat Glaucopoli…. [enz.] [Gedrukt te Deventer 1644].

blz. [4] Noctua blanda veni. .. blz. 5—7 Lectori festivo Salutem [dezelfde met een uil versierde beginletter A als in de 1e uitg.]. blz. [8]—9 (…) authoris. .. [blz. 10 wit], blz. 11—195 Laus ululae [dezelfde versierde beginletter als in de 1e uitg.].

 

246

[foutieve pagineering: vel H begint i.pl.v. met blz. 169 met 159 ….
Exemplaren in de Gemeentebibliotheek te Rotterdam (49 E 6) + Koninklijke Bilbliotheek in Den Haag (183 M 36) …
Deze druk wordt beschreven door: Gabr. Martin, Bibliotheca Bultelhana seu catalogus bibliothecae Caroli Bulteau (Paris 1711) 1 nr. 4406, en door Barbier in zijn Dictionnaire des ouvrages anonymes et pseudonymes III nr. 12348.

3 [Gegraveerd frontispice: in een landschap een soort bouwval met een uil (als lokvogel?) Op een staak, waaromheen vogels vliegen; op den voorgrond zit een man (vogelaar?); in de lucht een banderol met opschrift: Laus Vlvlae]. [Titelblad blz. 3:] LAUS ULULAE [enz.] Authore Curtio Jaele. [Fleuron met vruchten]. Prostat Claucopoli Apud Caesium Nyctimenium, In platea Ulularia, sub signo Amatoris Ululae. [Gedrukt te Amsterdam! omstr. 1655}].

blz. [4] Noctua blanda veni…. blz. 5—7 Lectori festivo salutem blz 8—10 (…); authoris… blz. 11—243 Laus Ululae. blz. [244-245],
I Phaedrus. De cicada & noctua. blz. [246]
II. Jacobi Micylli Epigramma. .. Idem Latinum, interprete Reusnero. [blz. 247—248 wit]. Spiegel der blz. 8 bij 3 3/4 c M.
Exemplaren in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam (398 F 31), de Preussische Staatsbibliothek te Berlin (G 9523, een prachtig geheel onafgesneden exemplaar) en de Univ. bibl te Komgsberg (Bea 35 G 7953).
Deze druk wordt beschreven bij Martin nr. 4405 en Barbier t.a.p. (zie onder 2), bovendien in Vinc. Placcius, Theatrum anonymorum et pseudonymorum 2e afd. p. 207—208 en bij Graesse, Iresor de livres rares IV, 124, die het werkje op 1630 stelt. Éd Rahir vermeldt in zijn Catalogue d’une collection unique de volumes imprime par les Elzevier et divers typographes Hollandais du XVIIe siècle (Paris 1896) op blz. 224 onder nr. 2036 een exemplaar van deze uitgave, waarin echter blz. 243 foutief gepagineerd is 143, en schrijft deze toe aan Jodocus Janssonius te Amsterdam, vermoedelijk op grond van het fleuron op den titel, dat hij bij meer stukken van denzelfden drukker aantrof, dat echter zeker ook door anderen werd gebruikt (o.a. in Paulus Matthijsz. uitgave van Erasmus’ De civilitate morum puerilium Amst. 1653). Zeker is dat deze herdruk der eerste uitgave typografisch zeer goed verzorgd is in bijzonder

1) Dit gedicht komt reeds voor in Iacobi Eyndii ab Haemstede Poemata, Lugd Bat. Henr. ab Haestens 1611, in de afdeeling Nugae op blz. 170—176.

 

247

klein formaat en door een der groote firma’s van dien tijd moet zijn vervaardigd. Het exemplaar te Berlijn heeft de door Rahir bedoelde foutieve pagineering 143 i.pl.v. 243. Het vel Q, blz. 241—[246] is blijkens dit en enkele andere typografische verschillen opnieuw gezet, zonder dat er overigens iets in is gewijzigd. Een andere foutieve signatuur H 3 i.pl.v. M 3 op blz. 181 hebben de 3 exemplaren gemeen. Deze druk komt letterlijk overeen met de 1e uitgave, tot zelfs in drukfouten, b.v. twee maal het woordje ut op blz. 139 (ie uitg. blz. 98) en pulum i.pl.v. paulum op blz. 213 (1e uitg. 149). Deze fouten zijn verbeterd in de 2e uitg. en in 4 en 5 die haar volgen (resp. op blz. 123, 551, 69 en 172, 287, 105). De eenige wijziging die de drukker van 3 aanbracht is in het adres op den titel, waar hij foutief Claucopoli zette en den koning van Polen (Wladislaw IV regeerde van 1632—48 en was dus inmiddels overleden) verving door den Amator Ululae.

4. LAUS ULULAE … Authore Curtio Jaele. Prostabat Glaucopoli… [adres overeenkomstig de uitgaven 1 en 2].

Herdruk van de 2e uitgave, onmiddellijk beginnend met den tekst, zonder het voorwerk of de toevoegingen, komt voor op blz. 482—601 in de verzameling: Admiranda rerum admirabilium encomia. Sive diserta & amcena Pallas. .. Noviomagi Batavorum. Typis Reineri Smetii 1666. Het frontispice stelt een gewapende Pallas voor. De bundel bevat 23 stukken van soortgelijk gehalte, encomia op allerlei vreemde en onaanzienlijke zaken;

 

248

in de inhoudsopgave wordt bij het Encomium Ululae als schrijver opgegeven Conradus Goddaeus. Daaraan vooraf gaat hier het Encomium asini van Jean Passerat, dat midden op blz. 482 eindigt. Spiegel der blz. 101/2, bij 5 1/2,, cM.

Exemplaren in de Universiteitsbibl. te Leiden (2008 H 18) te Amsterdam (563 F 45) en Utrecht (Misc.litt. 8°. 302); een latere druk Noviom. R. Smetius 1676, letterlijk gezet naar den vorigen met dezelfde pagineering, is eveneens aanwezig in de Univ. bibl. te Amsterdam (328 G 4), deze heeft een frontispice met het jaartal 1677, waarop een aantal der res admirabiles in één voorstelling zijn samengebracht; twee ezels dragen hier een schilderij, waarop o.a. een olifant en zwanen voorkomen, en waarboven op de lijst een uil zit.

Deze uitgave wordt vermeld bij Graesse t.a.p. IV, 124. Zij is wellicht een nadruk van 5, vgl. beneden.

5. [Gegraveerd frontispice, vgl. beneden]. [Geen titelblad]. [LAUS ULULM authore Curtio Jaele, ace. Joannis Passeratii Encomium Asini. s.l. e.a.].

blz. 1—119 Laus Ululas authore Curtio Jaele. blz. 120—129 Joannis Passeratii Encomium Asini. [blz. 130 wit]. Spiegel 10 1/2 bii 5 1/2 cM.

Exemplaren in de Kon. Bibl. te ’s Gravenhage (183 M 38) en in de Universiteitsbibliotheek te Königsberg (Bea 40 G 7060 2e stuk).

6. [Gegraveerd frontispice, vgl. beneden]. HET WAARE LOF DES UYLS, Aan alle haare ingeschreeve Uylagtige Heeren, en Liefhebbers. Door koertje juyle, Te Glaskou, by Graauaardt Nagtenrijk, in de Uylestraat, in Uyladislay, Koonink van Poolen. En Het waare Lof des Ezels. Door Johannes Passeraat. [Fleuron]. ’t Amsterdam, By Samuel Imbrecht, en Adam Sneewater, Boekverkoopers. Anno 1664.

blz. [II] [Twee verzen:] Weest wellekom liefste Uyl… blz. [III— VI] Voor-reeden aan den boertminnende Leezer, Mijn Heeren, en Liefhebbers aller Uylen. blz. [VII—VIII] Aanspraak des Autheurs, tot zijn beminde Uyl, en alle uylagtige Liefhebbers. blz. 1—208 Het waare lof des Uyls, voorgedragen, en geschreven aan alle Uylagtige Heeren en Lief-hebbers, blz. 208 [onder den tekst twee verzen:] Vaardt wel mijn liefste Uyl… blz. 209—227 Jean Passerats Loff van den Eezel. [onder den tekst hetzelfde fleuron als op den titel], [blz. 228 wit]. Spiegel 11 1/2 bij 6 1/4 c M.

Deze vertalingen der beide stukken van Goddaeus en Passerat vormen tevens het 3e deeltje van een verzameling met den algemeenen titel: Veeler Wonderens wonderbaarelijck Lof. Behelsende het Lof van Het hatelick Podagra Dien aldertreffelicksten Uyl. Dien alderzede-stichtelicksten Ezel. [Fleuron]. t’ Amsterdam, By Adam Sneeuwater, Boeck-verkooper,

 

249

in de Stilsteeg, in ’t Cantoor Inct-vat, 1664. Een gemeenschappelijke Voorreden van 10 ongepagineerde bladzijden bespreekt in het kort alle opgenomen stukken. Het eerste gedeelte telt 222 bladzijden. Het titelblad van het tweede deeltje luidt: Harpocrates, ofte den Swygaert…. [drukkersmerk: de hoop op een anker zittend aan het strand, op den achtergrond schepen op zee], t’ Amsterdam, By Samuel Imbrecht, en Adam Sneewater, Boekverkopers, Anno 1664. Dit gedeelte telt 232 blz.

Exemplaar in de bibliotheek van de Maatsch. d. Ned. Lett. te Leiden (1225 H 6).
Tusschen de uitgave 5 zonder titel en de vertaling 6 bestaat een onmiskenbaar verband. De laatstgenoemde heeft bij het begin van verscheiden stukken gegraveerde prentjes, in het geheel zes. Het prentje voor het 3e gedeelte is in hoofdzaak een nabootsing a rebours van het frontispice der oorspronkelijke 2e uitgave. Alleen

 

250

is de wereldbol hier geplaatst op de ruggen van drie ezels, waarvan twee de koppen en de middelste de staartzijde naar voren keeren, staande op een stuk land met bergachtigen achtergrond. De hoofdfiguur heeft ook hier een bordje op de borst met het opschrift in het Nederlandsch: Lof des Uyls. De latijnsche uitgave 5 heeft in beide bekende exemplaren als frontispice een afdruk van diezelfde gravure, alleen is hier het nederlandsche opschrift weggemaakt en eenigszins grof vervangen door de woorden: Laus Ululas, terwijl daaronder op de wereldbol dan nog scheef is toegevoegd: & Asini. Deze uitgave 5 is dus naar alle waarschijnlijkheid een deel van een gelijktijdige of iets latere verzameling, die geheel of gedeeltelijk dezelfde stukken in het latijnsche origineel bevatte. Dit zou dan een soortgelijke bundel geweest moeten zijn als de door Smetius uitgegeven Admiranda… encomia.
De Voor-reden der nederlandsche verzameling is geen vertaling van het Lectori S. der uitgave van Smetius en ook de keuze der stukken is lang niet dezelfde. Strikt chronologisch zou dus waarschijnlijk de volgorde der drie laatstgenoemde uitgaven moeten zijn: vertaling 6 (1664), latijnsche tekst 5 (1664 of later), tekst Encomia 4 (1666). Zekerheid hierin is slechts te bereiken indien titel (en voorwerk?), ofwel de volledige bundel, die bij uitgave 4 behooren, werden teruggevonden. Wel staat vast dat 4 en 5 van elkaar zijn nagedrukt; in beide uitgaven ontbreken op dezelfde plaatsen de nederlandsche voetnoten, ook hebben zij enkele grieksche citaten alleen in latijnschen vorm; op blz. 595 = 113 hebben beide eenige regels overgeslagen; zij zijn trouwens van blz. 492 = 10 af regel voor regel en bladzijde voor bladzijde gelijk gezet; ook is dezelfde lettersoort gebruikt, doch het zetsel is niet identiek. De nederlandsche vertaling, wellicht dus de oudste van deze drie, blijkt in elk geval onmiddellijk naar de oorspronkelijke 2e uitgave te zijn bewerkt, daar zij, in afwijking van de uitgaven 4 en 5, ook de disticha aan het begin en einde, het Lectori festivo salutem en de (…) authoris (in verzen) weergeeft, en daar zij op de plaatsen waar de 1e en 2e uitgave verschillen geheel aansluit bij deze laatste. De vertaler is een ervaren classicus geweest, die de vele geciteerde verzen vlot in nederlandsch rijm overbracht, en die behalve Latijn en Grieksch ook Hebreeuwsch kende. Dit neemt niet weg dat de vertaling door breedsprakigheid en allerlei uitbreidingen in geestigheid ver achter staat bij het heldere en bondige oorspronkelijke Latijn.

 

251

Zoo groeit thans, nadat de betrekking tot den Muiderkring minder belangwekkend was gebleken dan men op Brandt’s voetspoor wel heeft gedacht, onze belangstelling voor Goddaeus en zijn satirisch prozawerkje deste meer. Daarmee blijkt hij zich in zijn eeuw een plaats te hebben verworven in de humanistische literatuur, waar hij mannen als Puteanus, Dousa, Lipsius, Heinsius, Barlaeus naast zich vond, allen met hun geleerde nugae geschaard in het gevolg van Erasmus, den lofredenaar der dwaasheid zelf. Het is een wonderlijke speling van het noodlot, die dit gedrukte, meermalen herdrukte en vertaalde werkje aan den roem van zijn auteur ontfutselde. Bij verscheiden oudere bibliographen vindt men inderdaad onder Curtius Jael de vermelding van den naam Goddaeus of Gaeddaeus (o.a. bij Graesse, Barbier, Vincentius Placcius, Emil Weller). Waar echter over Conradus Goddaeus en zijn Nieuwe Gedichten gesproken wordt (en dat is sedert Witsen Geysbeek vrijwel in alle literatuurgeschiedenissen), blijkt nergens dat de schrijvers ooit met Curtius Jael hadden kennis gemaakt. Sommigen gaven zelfs duidelijk te kennen dat zij de geroemde lof van den uil als een verloren nederlandsch gedicht beschouwden. En nog zouden ook wij de nederlandsche vertaling niet hebben weergevonden, als de combinatie met den naam van Passerat ons niet naar Koertje Juyle den weg had gewezen.

De meening, dat de cultus van het Latijn tegen het midden onzer 17e eeuw niet meer was dan een reeds verouderde of verouderende hebbelijkheid van de geleerde klassicisten, is op zichzelf gewettigd. Met dit inzicht echter kan men een boekje als de Laus ululae niet waardeeren. En ook veel van hetgeen de opkomende letterkundige beschaving in de landstaal toen nastreefde is slechts te begrijpen, als men daarin den universeelen en internationalen geest der geleerde urbaniteit van dat tijdvak herkent. Het verzorgde Latijn, dat volstrekt niet altijd tot onnatuurlijke of opgeschroefde gedachten dwong, bracht den schrijver en zijn lezer reeds dadelijk op een terrein van verstandhouding buiten de alledaagsche werkelijkheid. Daar kon men een conversatie voeren, die ook vanzelf los bleef van de zorgen en strubbelingen van ieders persoonlijk bedrijf; daar kon men elkaar door citaten en gedachtensprongen herinneren aan de verheven uitingen der bekende klassieke schrijvers en het wellicht onstichtelijke of ruwe van het leven opheffen in een sfeer van hooger begrijpen; daar

 

252

kon men zelfs het heilige met een luchtige wending in den gedachtengang betrekken, buiten gevaar dat dit slechts als spot of profanatie zou worden verstaan. Op dit plan kon men wijs en stichtend zijn, zonder dat geest en humor verstooten hoefden te worden. De ongeletterden, die tot zulk een peil van geestelijke beschaving niet reikten, konden dit Latijn niet lezen. Als later dergelijk werk ook in nederlandsche vertaling verschijnt zullen zeker ook lang niet alle kringen dezen humor begrijpen of waardeeren. De geestverwante tijdgenoot van Baerle heeft in den aangehaalden brief dezen toon van Goddaeus’ geschrift gekarakterizeerd: „Uw lof van den uil heeft mij zeer aangetrokken, waarin gij fijnen geest met geleerdheid, en met deze twee wijsheid hebt vereenigd. Gij sticht en vermaakt: het eerste doet gij met zeer heilzame vermaningen, het tweede met literairen scherts en geestigheid… Ik houd van die wijze van schrijven en heb zelf op dergelijke manier ernstige dingen gezegd. Wat door gewichtigheid van woorden niet inslaat, kleedt gij in eleganten en vriendelijken vorm, zoodat het niet meer tegenstaat”. Goddaeus zelf vertelt in zijn boven afgedrukten brief aan Huygens, hoe hij tot het schrijven van zijn uilenboekje gekomen is, toen hij, een jaar of iets langer geleden, langen tijd aan een slepende ziekte leed. Terwijl hij zich met niets ernstigs kon bezighouden begon hij over iets dwaas te denken en toen drong zich de uil aan hem op, die met haar nachtelijk geluid zijn eenzaamheid op de Veluwe vervulde. Hij brengt dan geestig de tegenstelling naar voren tusschen zijn dwaze verzinsels over den gedrochtelijken nachtvogel en Huygens’ helder en ernstig betoog over het gebruik van het orgel, dat hij met instemming gelezen heeft. Naast een zekere beleefde onderdanigheid ligt hierin toch vooral de verklaring, dat de lofrede op de uilen in de eerste plaats als een geestige dwaasheid is bedoeld. Dat daarachter de gedachten van een geleerd, wijs en vroom man verscholen liggen, konden de scherpzinnigheid en het oordeel van Huygens zelf wel ontdekken.

De uil is in Goddaeus’ boekje niet zelf aan het woord, zooals de dwaasheid bij Erasmus. De lofredenaar spreekt tot de denkbeeldige vergadering van hen, die als het ware tot eer van den uil vereenigd zijn, over het onderwerp van hun gemeenschappelijke vereering. In de inleiding wordt gezegd dat het, aangezien de Atheners algemeen bekend zijn om hun attischen geest, niet behoorlijk zou zijn als Athene’s heilige vogel van geest en aardigheid

 

253

verstoken zou blijven. De lofrede is dan ingedeeld als een grondige verhandeling: de naam, de aard en eigenschappen in het algemeen, en vervolgens de afzonderlijke soorten uilen worden uitvoerig ontleed, met klassieke citaten omkleed, van alle zijden toegelicht en van commentaar voorzien. Het geheel houdt den plechtigen betoogtrant van een academische redevoering goed vol; de humor schuilt in den ernst waarmee de onzinnigste dingen met elkaar in verband worden gebracht en in de dwaze wendingen waardoor weer op zich zelf ernstige gedachten daartusschen worden gevlochten. Welke grieksche en hebreeuwsche geleerdheid komt er al niet te pas aan de etymologie van den naam, naast de zotste verklaringen waarbij op middeleeuwsche wijze aan elken letter van het woord een symbolische beteekenis wordt gegeven! Hoe treffend wordt de goddelijke waardigheid van den uil bewezen uit het feit dat hij, die ’s nachts kan zien, het licht in zich zelve heeft, waardoor hij deste nader bij den oorsprong der schepping staat; allerlei beroemde mannen konden in het donker wel een beetje zien, maar niemand zoo volkomen; bovendien is dat zuinig, want er gaat in een huishouden anders heel wat weg aan olie en kaarsen. Sommigen denken wel dat het huilen iets wolfachtigs heeft, omdat men immers ook spreekt van huilen met de wolven in het bosch; maar dat is onzinnig want ieder weet dat de vogels eerder geschapen werden, zoodat alle gehuil inderdaad aan de uilen ontleend moet zijn. Hoe overredend is het thema uitgewerkt dat alles wat nachtelijk is zeer ten onrechte in een kwaad licht wordt gesteld! De maan b.v. is toch niet verachtelijk omdat zij ’s nachts schijnt? En Venus zelf wordt ook wel de nachtelijke bijgenaamd. Met liefde en uitvoerigheid beschrijft Goddaeus in dit verband den zang van de nachtegalen en wij voelen na, hoe de geluiden van den nacht den geest van dezen slapeloozen zieke vervulden. Welke spitsvondigheden moeten al niet dienen om de ingetogenheid, wijsheid, moed en verdere deugden van de uilen te bewijzen en aan de menschelijke uilenaanhangers voor te houden!

Tusschen de vele latijnsche en grieksche citaten ontbreken ook de toespelingen op het Nederlandsch niet. Ons woord huylen wordt naast ululare geplaatst; de naam noctua is bij ons nacht-uyl en nachtrave; glauci oculi noemen wij glas-oogen; de nachtegael, aldus genoemd omdat zij in den nacht zingt, heet in het Latijn luscinia „quod canat ante lucem”; op blz. 37 vinden wij in de 2e

 

254

uitg. als noot toegevoegd de uitdrukking: met de Weert van Bylevelt nae de Galge slenderen; bij den overgang naar de onderscheiden soorten heeft de 2e uitgave een uitbreiding (1e uitg. blz. 49, 2e uitg. 55—58), waarin vooraf allen met name worden genoemd en wel in het Nederlandsch, omdat deze wel hier te lande voorkomen maar niet allen bij de ouden worden gevonden: steen-uylen, kat-uylen, rans-uylen, kerck-uylen, oor-uylen, wout-uylen, nachtuylen, velt-uylen en veen-uylen; over de kat-uyle heeft de 2e uitg. blz. 62—64 een nieuw gedeelte, waarin de uitspraak van een boer wordt vermeld die in zijn moedertael uitriep: siet daer een katte met veeren; op blz. 65 begint dan het gedeelte over de aluine ofte ransuyle (1e uitg. blz. 52), waarbij de amsterdamsche wederdoopers van 1535 te pas komen; op blz. 55 (2e uitg. 68) wordt de mantel met kap genoemd dien de vrouwen dragen „zooals wij zeggen” een Capertjen; op blz. 57 (2e uitg. 73) komt de steenuyle, wier roep kiwiw veel lijkt op die van de kivit; in de 2e uitg. volgen dan op blz. 74 nog eenige wetenswaardigheden over de kerckuylen en hiermee zijn op blz. 75 (1e uitg. blz. 57) de soorten afgehandeld. Heel veel roemruchte namen staan in het teeken der uilen, zooals Uladislaus, de Poolsche koning, en o.a. de families den Uyl, Uylenkamp, Uylenburg, Uylendorp, ook de naam Lissabon wordt uit Ulyssibona afgeleid en zoo tot den uilenstam gebracht en dan de heele amsterdamsche buurt Ulenburg (2e uitg. blz. 76; in de vertaling is dit blz. 70—72 nog uitgebreid met een heel stuk over St. Oelof en de Oude-zijds-kapel). Dan zijn er ook de nachtvlinders die wij Uyltjens en mot-uylen noemen (2e uitg. 77). Daarna worden in den breede de verdiensten der uilen naar lichaam en geest beschreven. Op blz. 97 heeft de 2e uitg. een vergelijking met andere vogels die allerlei dwaze praat verkoopen, waarbij de noot hun roepen in het Nederlandsch geeft: papegaaien herhalen altijd hun eigen naam (belgicè moey Papegaeytjen), spechten roepen maget, maget, als om zich voortdurend op hun maagdelijkheid te beroemen, raven zeggen telkens goeden dach Swager, alsof iedereen familie van hun was (de vertaler heeft dit weer vermeerderd met de eksters die Kladdegat roepen, blz. 92). Op blz. 94 (2e uitg. 120, vert. 117) is sprake van een veluwschen boer, die een heelen bijenkorf in den IJsel gooide omdat de bijen hem gestoken hadden en hij zeide baas te willen zijn over zijn eigen bezit. Op blz. 102 (2e uitg. 127) spreekt Goddaeus van een nederlandsch werkwoord uylen, blijkbaar in een beteekenis als nu bij ons „pes-

 

255

ten” (de vertaler schijnt deze beteekenis niet te kennen, blz. 125) ; op 104 (2e uitg. 129) vinden wij de uitdrukking op krukken gestelt, door den vertaler weergegeven als den uyl op zijn kruk (blz. 126) 1); op 108 (2e uitg. 133) is weer in een noot sprake van hoorndragers (vertaling 131 breidt dit in den tekst uit); weer alleen in de 2e uitg. (blz. 137) geeft de noot een uyltjen vanghen voor een dutje doen (vert. 138); evenzoo blz. 144 ’t Is soo veel, als gheeft de duyven eens drincken, volgens den vertaler een oud spreekwoord, dat zeggen wil: het helpt evenveel als een boon in een brou-keetel (blz. 145). Op blz. 123 (2e uitg. 149, vert. 150) lezen wij over pijpkannen ; op blz. 136 (2e uitg. 164, vert. 166) de uitdrukking inde uylenvlucht, d.i. bij het vallen van den avond. Bij een verhandeling over afbeeldingen van den uil hooren wij (2e uitg. blz. 178, vert. 190) dat in Amsterdam op de „kakhuysen” een uil met een tabakspijp in den bek was geschilderd; in de 2e uitg. 180 (vert. 192) wordt een afbeelding beschreven van een uil aan een spinnewiel, waarbij een westfaalsch deuntje wordt aangehaald: Daer sat ein Uul und span; en wederom alleen in de 2e uitg. op blz. 182 (vert. 195) vinden wij de uitdrukking: Elck meynt dat zijn Uyltjen een Duyfjen is; evenzoo 2e uitg. 184 (vert. 198) als vertaling bij een choor van Aristophanes in het Duitsch: Ich sal tantzen, Ich muss tantzen, Ich will auch tantzen. Aan het slot wordt dan ook nog herinnerd aan Uilenspiegel (blz. 161, 2e uitg. 185, vert. 198).

Zoo bevat het boekje, naast de biologische, historische, litteraire en theologische bijzonderheden waar het vol van is, ook allerlei dat de nederlandsche folklore raakt. De tweede uitgave heeft inderdaad vele toevoegsels en omzettingen die verrijkingen zijn; de vertaler heeft hier en daar nog weer uitgebreid; toch is de latijnsche 2e editio auctior zeker aan te bevelen voor wie mogelijk nog

1) Het frontispice van de 3e uitgave (boven afgebeeld) toont ons den uil op zijn kruk, terwijl de andere vogels om hem heen zwermen en hem bespotten; waarschijnlijk is daar afgebeeld hoe hiervan gebruik wordt gemaakt bij de vogelvangst; Goddaeus beschrijft dit (ie uitg. blz. 144, 2e uitg. blz. 163 der tweede telling) en in de vertaling blz. 175 wordt het aldus weergegeven: „Want door zijn toedoen weeten de Weyluy alderly slagh van Voogelen aan lijm stangen, en stocken vast, of in haare netten te krijgen. Hier in gaan zy hem voor eerst stellen op een heerlijcke kruk, daar hy naauw een ooghenblick gherust, en met vreede op zitten mach, of daar komdt hem daadelijk een geweldigh gesnor van alderley Vooghelen om de ooren snuyven: Eeven of het een wonder groot miraakel was, dat men zyn stal, en weezen dus by den helderen dach verneemdt”.. . Het lijkt wel of de man op het prentje tracht het vogeltje, dat reeds bij den uil op de schutting zit naar zich toe te lokken om het te pakken.

 

256

eens nader met den geest van dit origineele geschriftje zou willen kennis maken.

Het is juist drie eeuwen geleden dat de jonge Conradus Goddaeus zijn intrede deed in zijn geboortedorp. Nu wij zijn leven en zijn werk opnieuw overzien rijst daar voor ons het treffende beeld op van den stillen veluwschen dorpspredikant, die zulk een geestig student en beschaafd klassicist was; die zijn kort leven tusschen zijn simpele landlieden en zijn talrijk gezin doorbracht; en die zich op zijn ziekbed vermaakte met het bijeenbrengen van zijn narrenwijsheid over de uilen en hun gezang.

Rotterdam. F. Kossmann.

 

De hexameter in goddaeus’ brief aan Huygens (blz. 242).

Na eenig vruchteloos zoeken is het nog gelukt dit vers weer te vinden, nml. in Horatius’ Brieven, boek II, Epist. 1, vs. 85.

……….. quae

Imberbes didicere, senes perdenda fateri.

Goddaeus heeft zich dus een kleine vrijheid veroorloofd bij het citaat. Een fout in den afdruk van den brief is echter de punt achter: taedet. Hiervan toch hangt het geciteerde fragment af: „het staat tegen om als men oud is te bekennen dat hetgeen men in zijn jeugd heeft geleerd verworpen moet worden”.

F. Kossman.
Rotterdam

Bron: Het boek; Tweede reeks van het tijdschrift voor boek- en bibliotheekwezen jrg 22, 1933/1934 [volgno 5], pag. 231-256.

 

02 De dertiger jaren

Het kerkenwerk heeft mij altijd geboeid. Als kind van 5 of 6 jaar ging ik met mijn moeder mee naar de kerk. Zij ging altijd en ik moest dan mee. Moeder was weduwe en ik zou alleen thuis zijn. Mijn beide zusters waren de deur al uit, alleen thuis blijven dat ging niet, dus ging ik mee. Meestal voelde ik dat kerk gaan niet als een last. Je wist niet beter. Als kind begreep ik niet veel van de preek, maar ik vond het wel fijn om in de kerk te zitten. De preken duurden voor een kind soms wel erg lang en dan stootte ik mijn moeder aan en fluisterde:”Duurt het nog lang?” Meestal zei ze dan:”Nog maar een paar minuten”.

Dat was het begin in 1934. Ds. van de Zee de toenmalige predikant, preekte nog met een tussenzang. Er werden alleen maar psalmen gezongen en ook niet ritmisch. Maar toch vond ik het wel prettig om er te zitten. Moeder had altijd wel iets in haar tasje, een pepermuntje of een snoepje en soms een velletje papier met een potloodje, dan verveelde ik mij niet zo. Maar toch alles bij elkaar, de sacramenten van doop en avond­maal, het orgel, het zingen, de ruimte en de rust, het was toch wel de “moeite” waard.

De preken in de kerk zijn volgens de meesten niet erg kind­vriendelijk en in de meeste gevallen is dat ook wel zo, maar in die jaren zeker niet. Maar ’s middags was er weer Zondags­school en dan kon je luisteren naar de mooie verhalen uit de Bijbel en mooie liederen zingen. Tegenwoordig zijn er nog al wat kinderliederen. In mijn kindertijd waren er alleen maar Psalmen en Liederen uit de bundel van Johannes de Heer.

Natuurlijk had ik ook wel eens geen zin om naar de kerk of naar de zondagsschool te gaan, want je moest ook altijd nog een versje leren. Voor de kleinen was dat een versje van vier regels maar voor de grote kinderen soms wel een versje van twaalf regels. En dan ‘s maandags moest je weer een versje kennen voor de lagere school. En zo leerde je heel wat versjes en dank zij het overhoren van mijn moeder kende ik ze dan ook meestal wel. Dat leren van die versjes is toch niet voor niets, want later toen ik ouderling was en bij de mensen op bezoek kwam, merkte ik dat de mensen een heleboel vergeten waren, maar een eenmaal geleerd psalmversje bleef hangen. Vaak was dat ook het enige aanknooppunt. Ondanks deze voor een kind, zo op het oog minder prettige dingen, denk ik na al die jaren toch met genoegen hierop terug. Ik blader graag in oude geschriften en dan komen de herinneringen vanzelf weer naar boven.

Natuurlijk geldt dit niet voor alle mensen. Heel wat mensen hebben niet zulke prettige herinneringen aan kerk en geloof. Ze ervaren het als een drukkende last en zo gauw ze zelf konden beslissen werd de kerk vaarwel gezegd. Dat is jammer. Het zijn vaak omstandigheden die hier toe leidden. Omstandigheden thuis en in hun omgeving en ook in de kerk zelf waren hier wel eens schuldig aan. Het ligt nooit aan de Heer der kerk, maar helaas nog wel eens aan Zijn “personeel”. De Heer wil graag dat alle mensen blij en gelukkig worden, maar de mens is soms zo dwars en dwaas.

Maar in elk geval wil ik trachten om de herinneringen die ik zelf heb uit die tijd en dan vanaf de oorlog naar boven te halen en op te schrijven. Geschiedkundig zal ik misschien wel eens geweld plegen, maar dan zonder bijbedoelingen. Ik wil proberen om het kerkenwerk hier in Vaassen van onze Hervormde ­Gemeente, verricht door mensen, op te schrijven zoals ik het beleefd heb en ervaren.
Dan denk ik met eerbied aan al die werkers in de kerk die zoveel tijd en moeite gegeven hebben aan een kerk die hun lief was en van uit hun geloof zo veel voor anderen gedaan en betekend hebben.

In de oorlogsjaren van 1940-1945 was Ds. Van Deelen hier predi­kant. Hij had het niet gemakkelijk. In een tijd waarin voedsel en brandstof zeer schaars was. Hij had een groot gezin en al die monden moesten gevoed en gekleed worden. Hij was geboren op 15 november 1900. In Adorp werd hij bevestigd in 1925. Na Oostermeer en Oosterend kwam hij in 1937 naar Vaassen. Op 4 juni 1993 overleed hij in Utrecht.
Ds. Van Deelen preekte niet gemakkelijk. Hij was wel eens moei­lijk te volgen, althans voor de jongeren.
Ds. Van der Zee, zijn voorganger, behoorde tot de Gereformeerde Bond.
Ds. Van Deelen was een confessionele predikant in Vaassen. Aan zijn beroep naar Vaassen ging een soort kerkstrijd vooraf. Hier weet ik weinig van en ik laat het ook maar liever rusten.
Na de oorlog stopt ds. Van Deelen met zijn loopbaan als predikant. Hij wordt aangesteld als 2e secretaris van de Bond voor Predikanten. Als consulent kregen wij ds. Hop uit Emst. Hij kwam op de catechisatie waar ik toen ook op zat. Het eerste wat hij vroeg was: “Met welke zondag uit de catechismus zijn jullie bezig?” Nou we waren helemaal niet met de catechismus bezig. We hoorden er wel eens van in de middagdienst op zon­dag, dan werd er vaak uit gepreekt, maar we behoefden er nooit uit te leren. Dat werd nu anders. We moesten maar meteen begin­nen met zondag 1, deze moesten we de volgende week kennen.

 

De Reformatie in de classis Neder-Veluwe 1592-1620 (1)

G. VAN DER ZEE.

1)

De hier volgende beschrijving van de Reformatie is samengesteld uit het oudste Acta-of Notulenboek van de Classis Neder-Veluwe, welke Acta van 1592—1620 door mij zijn gecopiëerd en verschijnen zullen in „Gelre” 1935.

Wanneer dus straks na allerlei algemeene mededeelingen de dorpsgeschiedenissen aan de orde komen, maken deze geen aanspraak op volledigheid, doch zijn hoofdzakelijk een weergave van wat in het Acta-boek staat opgeteekend.

Onder Neder-Veluwe verstaan wij het Noordelijk stuk der Veluwe, loopende van Hattem tot Nijkerk; van Nijkerk over Voorthuizen tot Barneveld ; van Barneveld over Kootwijk tot Vaassen, en zoo wederom Noordwaarts tot Hattem. Sinds 1816 heet dit district de Classis Harderwijk.

Vóór 1592 waren er in de steden Harderwijk, Elburg, Nijkerk en Hattem reeds geordende gereformeerde predikanten, doch de dorpen waren nog bezet met pastoors, hoewel het oms bekend is, dat Jan Gerardus Verstege, in 1544 pastoor van Garderen, reeds de beginselen der Reformatie in Lutherschen geest was toegedaan.

De stoot om de Veluwe te reformeeren is uitgegaan van het Hof van Gelderland te Arnhem, waarin vanzelfsprekend de predikanten ook weer de hand gehad hebben. Dit Hof vaardigde 22 Februari 1583 een bevelscthrift tot refoonnatie uit, doch moest dit wel intrekken door den val van Nijmegen, Zutfen en Deventer. Maar toen in 1591 deze steden weer aan Oranje kwamen, werd het placcaat vernieuwd, en op 8 Mei 1592 uitgevaardigd, met het gevolg dat ds. Johannes Fontanus van Arnhem in Juli 1592 de pastoors van Over-Veluwe examineerde te Arnhem, en die van Neder-Veluwe te Harderwijk.

De Veluwsche steden Harderwijk, Elburg en Hattem waren met hun predikanten en ouderlingen tegenwoordig. De Nijkerksche pastoor Everhardus Swaer was wel in de kerk, maar verscheen niet op de vergadering, daar het mogelijk als gewezen decaan zijn eer te na kwam om door een predikant geëxamineerd te worden. Voorts waren verschenen de pastoors van Putten, Brmelo, Nunspeet, Doornspijk, Heerde, Vaassen, Oene, Voorthuizen. De overigen waren met of zonder kennisgeving afwezig. Vorohten en Veessen waren vacant.

De eerste Acta van de Classis is destijds letterilijk in „De Waarheidsvriend” gepubliceerd, zoodat wij dit examen gevoegelijk kunnen overslaan.

Alleen herinneren wij er aan, dat de pastoors vain Putten en Voorthuizen slechts ééne zitting hebben bijgewoond, waarna zij vertrokken zijn met de schriftelijke mededeeling dat zij Roomsch Katholiek wenschten te blijven. De pastoors van Heerde, Oene, Vaassen en Doornspijk hadden op enkele punten bedenkingen en kregen tijd van beraad, terwijl slechts twee pastoors, n.l. die van Ermelo en Nunspeet, zich geheel onderwierpen, en zich bij de gereformeerden aansloten, zij het dan ook te Ermelo in naam, wat ons later duidelijker zal blijken.

Er waren in den beginne ontzaglijke moeilijkheden te overwinnen, vóór en aleer een gemeente als zoodanig ge-re-formeerd was en haar dienaar als geordend predikant ter vergadering verscheen. Uit hun aanwezigheid blijkt de groei van de Classis. Zoo zien ‘we dan de steden als voortrekkers, waarbij zich achtereenvolgens de volgende dorpen voegen : In 1592 Ermelo en Nunspeet, tevens Oldebroek en Oosterwolde ; in 1594 Heerde, Doornspijk, Voorthuizen en Barneveld ; in 1595 Elspeet en Garderen; in 1598 Putten ; in 1599 Epe ; in 1600 Oene. De gemeente Kootwijk werd in 1595 doar den predikant van Garderen bediend, doeh kreeg in 1615 een eigen predikant; in 1610 Vaassen, en in 1612 Vorchten. De overige plaatsen, waaruit de Classis thans bestaat, zijn df later gevormd, zooals Wezep, Ernst, Wapenveld, Nij kerkerveen en Hier den, óf waren in den reformatie-tijd tientallen jaren vacant, als b.v. Veessen. Maar ook de pastoors, die toetraden, waren allen lang niet betrouwbaar. Groote ellende heeft men beleefd met die van Ermelo en Oosterwolde. Die van Vaassenhield de zaak zestien jaren sleepende. Die van Voorthuizen, Heerde en Elspeet zochten een andere plaats, maar die van Putten bleef jarenlang ijveren in de omgeving. Die van Epe beloofde mede te gaan, doch werd in 1598 verwijderd, maar omstreeks 1600 had de Reformatie vrijwel haar beslag gekregen. Maar ook vóór het examen van 1592 waren er al kettersche pastoors gesignaleerd, b.v. te Epe, en iwaren er reeds predikanten werkzaam geweest te Heerde in 1581, te Oene 1580, te Epe 1581.

De bijzonderheden worden straks bij de dorpen vermeld.

De eerste vergadering werd, zoo wij zagen, op last van het Hof van Arnhem uitgeschreven, doch de volgende belegde de Classis zelf. Een der aangewezen kerken sdhreef de vergadering uit, waarvan plaats en tijd op de vorige was bepaald. Daar koos men een voorzitter, een bijzitter en een scriba of secretaris, die de notuien schreef. Niet alle predikantsplaatsen waren vertegenwoordigd, dan alleen in buitengewone gevallen. Zoo b.v. had Harderwijk wel drie predikanten, doch gewoonlijk was er slechts één aanwezig. Men vergaderde in alle plaatsen, waar een kerkeraad was, daar deze in de eerste tachtig jaren nog lang niet overal was ingesteld. Omgekeerd waren ter vergadering allerlei predikanten die wel in een dorp woonden, doch nog geen gemeenten hadden, terwijl de pastoor in de pastorie woonde.

Waar een kerkeraad was, rustte de verplichting op een ouderling de vergadering met den predikant bij te wonen, op straffe van boete, te weten een „keysers gulden”, en later een „pond Vlaemsch”, is zes gulden.

Daar er wel eens spoed-eischende zaken zich voordeden, kwam de behoefte op om buitengewoon te vergaderen, hetgeen voor het eerst in 1596 geschiedde, en waarover in 1600 bepalingen werden vastgelegd. De Classis vergaderde meermalen des jaars, men noemde dit de Paasch-, St. Jans-en najaars-classis. Telkens werd op de vergadering het Correspondentie-adres aangewezen.

Ook hield men contact met de naburige classes, waarvan men afgevaardigden ontving en waarheen men afgevaardigden zond en noemde dit „de lofflicke correspondentie.” Deze loflijke correspondentie werd in den eersten tijd door zwervende Spaansche troepen nog al eens bemoeilijkt, waardoor het afdoen van zaken dikwijls lang werd vertraagd.

Op elke vergadering wetfden de Acta der vorige vergadering voorgelezen, Eüsmede die der naburige classis, terwijl de aanwezige broeders geregeld vermaand werden om te zorgen dat zij de Acta van de Haagsche Synode van 1586 in hun bezit moesten hebben, door ze in hun boek over te schrijven, ten einde met de grondstellingen van het kerkrecht op de hoogte te komen.

Daar elke vergadering een andere scriba heeft, is het handschrift zeer uiteenloopend. Af en toe is de taal oote nog half Dultsch. Dit duurt tot omstreeks 1640, waarna de Staten-vertaling geducht haar invloed ten goede gelden doet.

Een jaar na het examen van de pastoors besloot men de pastoors niet meer op te roepen, doch. vroeg men advies aan het Hof hoe met hen te handelen. (Wordt vervolgd).

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 26 juli 1934

 

De Reformatie in de classis Neder-Veluwe 1592-1620 (10?)

G. VAN DER ZEE.

5. Oene.

De kerk van Oene wordt in het Oorkondenboek van mr. Baron A. Sloet, no. 333, als kapel in het jaar 1176 genoemd, waar bepaald wordt dat Unen (Oene) met Vaassen onder Epe blijven. De kapel werd verbouwd en in 1238 tot parochiekerk verheven en gewijd aan de H. Dyonisius. Dit zeer oude gebouw staat er nog.

In 1548 stond er als pastoor, . Heer Altarista, die gelijk de pastor van Epe, als kettersch werd gesignaleerd. In 1580 treffen we hier Lambertus Henrici aan als predikant, doch na zijn tijd maakt Oene, evenals Epe, een zwenking naar Rome en vinden we in 1592 te Oene als pastoor Bartholomeus ter Cluiss, of ter Cluse, die in 1590 daarheen „van den huisluyden was beropen.”

Hij verscheen in 1592 op 4 Juli te Harderwijk om geëxamineerd te worden, doch had bezwaar tegen den Catechismus en kerkelijke tucht in gereformeerden geest.

Nadat hem eenige tijd van beraad was gegeven, werd hij opgeroepen te Nybroek, doch hoewel het slechts een uur igaans was, verscheen hij niet. Dit zal wel afgesproken werk zijn geweest met die van Epe, en zoo werd’ hij in 1593, 1594 en 1595 bij request tot afzetting voorgedragen. Het Hof ging er echter nog niet toc’ over.

In 1596 verscheen hij wederom niet ter vergadering, ja zond ook geen schriftelijk excuus, hetgeen de Classis hem zeer kwalijk nam, en schriftelijk bij de Synode op zijn verwijdering aandrong „umb viele wichtige ursachen.”

Inderdaad blijkt het Hof in de komende jaren te hebben ingegrepen, daar hij na 1596 niet meer wordt genoemd. L. Pieck van Epe is in 1598 afgezet, en we mogen gerust aannemen dat Bartholomeus ter Cluis kort te voren gegaan is, daar het den pastoor van Epe verboden werd om te Oene dienst te doen.

In 1599 diende zich een nieuwe „pastoor” aan, een gewezen priester of een predikant, n.l. Joannis Keteler uit de Classis Middelstum in Groningen. Hij vestigde zich te Oene, doch kon van de Classis, die hem een verdacht persoon vond, geen approbatie krijgen, daar men zijn getuigschriften niet vertrouwde. Men vroeg inlichtingen bij ds. Joh. Nicasius te Middelstum, welke er toe geleid hebben, dat hij door de Synode van Harderwijk 1599 is afgezet.

In 1600 op de vergadering te Epe, zien wij dan voor het eerst den eigenlijken eersten Predikant in de onafgebroken rij tot heden, n.l. ds. Thomas van Dinstlagen, ook wel Dinxlakius genoemd. Dit beroep was tot stand gekomen door de vriendelijke bemiddeling der kerk van Harderwijk. Aan ds. Voskuil van Epe werd de bevestiging opgedragen. Dit laatste schijnt heel wat voeten in de aarde gehad te hebben, daar de Classis hierop aandringt in 1600, 1601, 1602 en 1603, zoodat het eindelijk plaats vindt in Maart 1604. Dit houdt verband met de R.K. Ambtsjonkers, die de macht hadden zulks een tijdlang tegen te houden, daar zij b.v. den Schout geen vergunning gaven een dag der bevestigingsplechtigheid uit te schrijven; zoo ook plaagden zij hem met zijn kleine tractement, waarover hij herhaaldelijk klaagt, alsmede zijn slechte woning, die lek en kapot was, waarover hij tot 1612 klaagt. Daarbij had hij den koster en diens huisvrouw ook tegen zich. De acta luidt aldus: „Claegt den dienaer tot Oen, dat den Coster darselffs mit sijn hausfrouw sijn vianden van der Religie end deinst oock niet well int geheel bedienen, als het water brengen tot den kinderdoop.” Daarom oordeelde de Classis het dienstig om zulks via de Synode naar het Hof te verwijzen. Gevraagd naar den staat der kerk in 1600, zeide hij dat het gehoor tamelijk opkwam, doch dat de Jonkers „groot afbrueck” deden.

Langen tijd verloopt alles rustig te Oene, tot in 1619, in welk jaar de kerkmeesters een request indienden, waarbij zij den zoon van ds. Thomas van Dinstlagen tot predikant begeerden, alsmede een jaargeld voor den ouden en mettertijd emeritus predikant. De inspecteurs der Classis beloofden deze zaak aanhangig te maken en na verkregen pensioen, verder te handelen over zijn zoon.

In 1620 wordt er wederom over gesproken, en blijkt, dat hij geen dienst meer doet, doch wel in de pastorie woont, en die houden mag totdat zijn jaangeld hem verzekerd is.

Tot zoover de Classicale Acta.

Uit de „Boekzaal” van 1720 eerste halfjaar, blz. 479 blijkt, dat ds. Thomas van Dinstlagen in 1620 vertrokken is naar Hoogblokland, doch dit kan ook wel zijn zoon geweest zijn.

Te Oene stonden voorts : Johannes Rosaeus, van 1623 tot zijn afzetting in 1627.

Hubertus Fabritius, prop., 1627—† 1637. Johannes Ketelaar, prop., 1637 †.

Zeno a Valencijn, prop., 1637—† 1642. Johs. Dapper, 1642—1654. Gerardus Opgelder, 1655—1715 † 1718. Petrus van Dijk, prop., 1716, ontslagen 1719. Petrus Ayers, prop., 1719 † 1742. Wilh. Hesliusius, prop., beroepen 1744. Zie voorts Handboek Van Alphen 1903, waarin alle Geldersche predikanten staan.

(Wordt vervolgd).

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 1 november 1934

 

De Reformatie in de classis Neder-Veluwe 1592-1620 (8)

G. VAN DER ZEE.

VIII.

3. Epe.

Naast de steden van Neder-Veluwe heeft het kerspel Epe vanouds een belangrijke plaats ingenomen. In 1176 kwam de scheiding Epe— Heerde tot stand, maar bleven Vaassen en Oene onder Epe, gelijk dat heden mogerlijk nog zoo is.

De kerk van Epe was gewijd aan den H. Martinus. iHet oude gebouw, goed gerestaureerd, staat er nog. In 1548 stond daar als pastoor Gerrit Leestexi, die om zijn kettersche neigingen vermaand werd goed Roomsch te moeten blijven. Hieraan gevolg gevende, moest hij in 1566 de kettersche pastoors van Doornspijk en Oosterwolde tot de orde roepen. Zoo bleef Epe dus in deze jaren van geloofsvervolging Roomsch. Het blijkt echter, dat er wel veel strijd is geweest vóór 1592, dar van 1581—’84 Paulus Antonii er stond als predikant.

Gelijk den lezer bekend is, werd op 4 Juli 1592 te Harderwijk het examen gehouden, ten einde de gezindheid en bekwaamheid der pastoors te onderzoeken. Toen stond te Epe als pastoor, mogelijk sedert 1585, Ludolphus Pieck. ^) Aan de oproeping om te verschijnen, gaf hij geen gehoor, doch schreef een brief ter zijner verontschuldiging. Twee maanden later, tegen 9 September, is hij aanwezig op de Synodale Vergadering te Nybroek, alwaar hij de artikelen onderteekent, en tegen 14 Nov. te Oldebroek opgeroepen, verscheen hij wederom niet, doch schreef dat hij wegens zwakheid zijns lichaams niet komen kon, doch dat hij zich overeenkomstig den eisch der Classis zou gedragen. De Classis najn hiermee genoegen, denkende, dat men te Epe nu een gereformeerd predikant had. Men zou echter, evenals te Ermelo, bedrogen uitkomen. Im.mers was hij in zijn hart nog Roomsch en hield hij zich altoos schuil, waarom de Synode hem in 1593 schorste en de Classis na ingewonnen informatie hem in 1594 aan het Hof ter afzetting voordroeg. Dit schrijven werkte voorloopig niets uit. In 1596 herhaalde hij zijn excuus, dat hij om igezondheidsredemen niet komen kon. De Classis droeg hem derhalve in 1597 op om in de eerstkomende vergadering een ronde verklaring te doen van zijn gevoelen omtrent de schriftmatigheid van den Heidelb. Catechismus, hetgeen hij dan ook beloofd had. In 1598 werd dan zijn gevoelen bekend, — ook toen was hij niet ter vergadering, evenmin als het vorige jaar ; , gelijk uit de Acta als volgt blijkt: „Ludolphus Pieck, pastoor te Epe, heeft verklaard dat hij tegenwoordig de leer van den Catechismus niet kon ibelijdten, en aangezien hij zich verontschuldigende zeide, dat hij bij den Graaf iets te doen had, en hij daar niet vrij kon komen zoo hy de leer van den Catechismus aannam, om des vijands wil, heeft hij ook niet willen verldaren of beloven, dat hij den Catechismus zou onderteekenen, bij gelegenheid van zijn terugkomst. Ten slotte ontkende hij ook, dat hij eertijds er in bewilligd had noch dit had aangenomen, n.l. ter Synode in September te Nybroek gehouden. De broeders dan, dit overwegende en lettende op den langen tijd, die hij tot bedenken gehad heeft, hebben verklaard, dat zij hem voor geen dienaar der gereformeerde kerk konden aannemen. Derhalve zal men aan de Hooge Overheid verzoeken hem den dienst te Eipe en Oene te verbieden, alsmede hem op zijn verzoek, als nu oud zijnde, van eenig onderhoud te voorzien.”

Uit het verloop der geschiedenis blijkt, dat zijn afzetting in 1598 een feit is geworden, daair in Juli 1599 te Elburg ter Classicale vergadering is ds. Joh. Voskuijl, predikant te Epe. De Classis vroeg aan hem hoe hij te Epe was gekomen, en daar hij hiervan een behoorlijk verslag kon uitbrengen (heter dan de predikant van Heerde), werd hij aangenomen, met de verplichting om zonder toestemming der Classis deze niet te verlaten. De Classis beloofde hem ten slotte nog alle hulp bij het verkrijgen van zijn tractement, welke poging drie jaar later nog moest herhaald worden.

In 1600 werd een belangrijke Classicale vergadering voor het eerst te Epe gehouden. Daar verklaarde de predikant, dat hij „door het gebruik van des Heeren H. Avondmaal een gemeente had aangevangen op te richten.” Voorts dat hij nog geen kerkeraad had, doch eerlang zouden er ouderlingen en diakenen gekozen worden. Dit blijkt dan ook spoedig geschied te zijn, zoodat wij naast de steden, vanaf 1602 allereerst Epe ter vergadering zien met een ouderling, ook al ontbreekt deze in 1603, waarover de Classis haar misnoegen te kennen geeft.

In 1604 had ds. Voskuijl een beroep naar Steenwijk. Hij wilde daar gaarne heen, daar hij te Epe zijn tractement niet uitbetaald kreeg. De Classis besloot om hem voor deze eerste maal niet te laten gaan, doch ried hem aan allen vlijt aan te wenden dat deze – zwarigheid uit den weg geruimd werd. Ook schreef de Classis aan den kerkeraad van Steenwijk waarom zij ds. Voskuijl niet wensohten af te staan. Voorts werden Schout en Ambtsjonkers van Epe verzocht hun verplichtingen jegens ds. Voskuijl na te komen. Het mocht niet baten, en ds. Voskuijl vertrok zonder toestemming naar Steenwijk, vanwaar het verzoek kwa; m om uitbetaling van het resteerende, alsmede een getuigschrift omtrent leer en leven. De Classis verwees deze zaak naar de Synode. (Reitsma & Van Veen, Acta rv, bladz. 131, v.).

In 1605 kwam te Epe ds. Rutgerus Vittaeus, door de Classicale deputaten daartoe aangezocht. Hij had goede getuigschriften aangaande leer en leven en werd in het examen bekwaam gevonden. Daarop was hij tot genoegen der gemeente bevestigd, doch hem was opgedragen nog een getuigschrift te toonen van de Universiteit te Heidelberg. In 1606 blijkt dat hij daarin wegens oorlogsgevaar niet is kunnen slagen, hetgeen bij uitzondering ditmaal door de Classis wordt aanvaard.

In 1611 doet zich weer een onverkwikkelijke tractementskwestie voor. Het Hof had bepaald, dat een derde deel der vicarie goederen bestemd v/as voor predikants-tractement. De Oollatoren hielden den predikant echter overal buiten, hielden in privé verpachtingen, lieten niets afkondigen en handelden eigenmachtig. De zaak werd verwezen naar het Hof, met het verzoek dat zulke onregelmatigheden voorkomen mochten worden en dat een inventaris der goederen diende opgemaakt te worden.

In 1612 komt het onderwijs ter sprake. De predikant hield bij de Classis aan om de gedeputeerden van het Quartier Veluwe te verzoeken gelden beschikbaar te stellen om een school te bouwen, opdat het kerkgebouw niet langer bezoedeld werd met rook en dergelijke onreinheid.

Hierover vermelden de verdere acta van later jaren merkwaardige dingen, doch dit valt buiten ons bestek.

In 1617 is de predikant met verlof naar zijn vaderland, Duitschland, en doet de Classis zijn dienst.

(Wordt vervolgd).

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 27 september 1934

 

Kerkelijke rondschouw (V)

G. van der Zee.

DOGMATISCHE VERDIEPING.

Vrijzinnigen en ook wel Ethischen staan dikwijls klaar, om aan het adres van de Gereformeerden het verwijt te doen hooren, dat ze te veel dogmatiseeren en in hun dogmatiek verstarren. Misschien dat er wel eens waarheid in hun beschjuldlging is. Wie, die zich zelf kent, zal niet het hoofd buigen en schuld belijden. We rammelen de dingen wel eens al te vlug en al te gemakkelijk af. We weten dan alles zoo goed en zoo zeker. En een waarschuwing aan ons adres is dan op haar plaats. Als het ons tot bezinning mocht brengen, zou ’t een zegen zijn. Misschien krijgen we het dan wat moeilijker bij onee taak. Misschien kost het ons dan zuchten en tranen. Maar ’t zou tot zegen, tot rijken zegen zijn. En neen, niet van onzen dogmatischen arbeid’, zouden we ons ‘behoeven af te keeren. Integendeel. Het werk zou ons des te liever, des te kostelijker worden. Alleen wanneer men smarten lijdt, is de overwinning tot vreugd. En de theologie, de Kerk, ons tegenwoordig (geslacht zou er door gezegend kunnen worden. Het lied des geloofs zou er hooger door klinken en onze rijkdommen en schatten zouden meer openbaar worden. Gelooven, waarachtig gelooven, is grijpen en bezitten het heerlijkst goed. En het belijden wordt rijker en heiliger en voller en vaster.

Klik hier!

Want de dogmatiek behoeft niet geminacht. De dogmatische bezinning is geen onzin. De dogmatische arbeid behoeft niet veracht. Integendeel. Het Gereformeerd Protestantisme heeft ons wel iets anders ‘geleerd !

’t Schijnt, dat men ook in Vrijzinnige kringen, ook bij de Ethischen iets gaat voelen, dat het toch zoo dwaas is, om minachtend te spreken over de dogmatiek en laag neer te zien op dogmatische bezinning. Het „werkverbond Roessingh” heeft nu óók geprobeerd om het geloofsbezit uit te spreken in omschrijvingen, die aan een geloofsbelijdenis, een geschreven geloofsbelijdenis, herinnert. En de Ethischen gaan voelen, dat de dogmatische schatten, in belijdenisschriften en iituügieën der Kerk verborgen, van groote waarde zijn ; van veel grooter waarde, dan men 25 jaar geleden wel meende.

Onlangs versoheen van de hand van prof. dr. . van der Leeuw, hoogleeraar in de theologie an de Rijks-Universiteit te Groningen, een boek: Dogmatische Brieven”, waarin, in briefvorm, geandeld wordt over de 12 Artikelen van de Aposolische Geloofsbelijdenis, die ellcen Zondag nog door de gemeente wordt uitgesproken bij haar amenkomsten rondom Gods Woord. Dan klinkt in die oude, bekende taal óp: wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond Dan wordt nagesproken met overtuiging en liefde, wat de Kerk van Clhristus nu eeuwen heeft beleden aangaande God en goddelijke dingen. Dan voelen we weer: we kunnen onze ibelijdenis niet missen; de Kerk moet haar taal doen hooren, zóó, dat de gemeente èn de wereld wete wat wij gelooven èn wat wij belijden met mond en hart ……….

Daardoor is prof. Van der Leeuw getroffen. En hij is gaan schrijven a’n brieven, 27 in getal, waarin hij behandelt artikel voor artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis; ook schrijvend, als slotstuk, over Nicéa.

Nu is het onze bedoeling niet, om over dit boek en den inhoud der brieven en de theologische beschouwingen en dogmatische meeningen van prof. Van der Leeuw — een eerste klas kenner der historie — te gaan schrijven. We willen alleen ihier afschrijven, wat aan het begin van z’n woord ter „Inleiding” te vinden is; waar hij z’n meening zegt over de dogmatiek en den dogmatischen zin en den dogmatischen arbeid der Kerk. Daar staat:

»Bedriegen de teekenen niet, dan komt er, zoowel onder kerksche als onder niet-kerksche menschen behoefte om de dingen van het geloof niet louter van den stichtelijken kant te benaderen, maar om den: rijken dogmiatischen schat der Kerk weder te ontdekken en er zich zoo mogelijk mee te verrijken. Het is zeker niet overdreven, te zeggen, dat dogmatische belangstelling de laatste, vijftig jaren bij velen, waaronder niet weinige goed-orthodoxen, nagenoeg ontbroken hééft. Men achtte dit alles „theorie” em trok zich gaarne terug op „liefde tot Jezus” of „vrije vroomheid”. Het schijnt anders te worden. En ik acht dat een groote winst. Vooreerst omdat de theologie niet leven kan, wanneer zij niet gedragen wordt door een krachtig'”theologisch leven der gansche Kerk. Maar vooral, omdat de dingen van het geloof niet buniien worden bewaard en vruchtbaar gemaakt door vrome ontroering en goeden wil alleèk. Een goed Christen zal altijd — op hoe eenvoudige wijze ook — een goed theoloog zijn”; ;

„In deze dogmatische brieven heb ik getracht den bijna afgebroken dogmatischen draad weer iets vaster te knoopen”.

Ja — van den stichtelijken kant wilde men alles benaderen. ‘ Dogmatische belangstellihig, vooral ook bij de Ethischen, ontbrak.

„Theorie”, „alles theorie” — zei men. „Liefde tot Jezus” ; „vrije, , vroomheid” — waren de modewoorden. „Niet de leer, maar de Heer” — hoorde men altijd maar weer uit den Ethischen hoek.

Het schijnt anders te: worden De bijna afgebroken dogmatische draad moet weer iets vaster worden geknoopt

We hopen het van harte ! Om de wille van de theologie. Om de wille van de Kerk. Om de – wille van ons allen, jongen en ouden.

„Uw Woord is mij een lamp voor den voet, een licht op mijn pad”. „Zend, Heere, Uw licht en Uw Waarheid neder!”

DE RICHTINGEN IN DE NED. HERV. (GEREF.) KERK.

V. De Gereformeerde Bond.

Waarom niet als titel: de gereformeerde richting? In de eerste plaats omdat niemand durft staande te houden, dat de Confessioneele Vereeniglng geen gereformeerden grondslag heeft, en in de tweede plaats omdat de titelkeuze „de gereformeerde richting” een bewijs zou zijn, dat wij de; degradatie en nivelleering aanvaardden en niet eens meer gevoelden.

Het gereformeerd zijn behoort bij de Kerk. Maar de organisatie van 1816 is er op aangelegd om alle kerkelijk bewustzijn te verdoen, alle besef van „kerkelijk” leven te doen versterven, partijleven aan te wakkeren, en tegemoet te komen aan de wenschen en ideeën van de van buiten ingeslopen elementen. „Bij de igratie der indringers vinden ook de zonen der vaderen nog een bescheiden plekske in ’t vaderlijk huis, waar zij onen mogen als zij stille zijn! ‘Zoo wordt in nze Kerk ook niet meer gerekend met de opperoogheid des Heeren ; de mensch heeft den heerchersstoel beklommen; er wordt schreeuwend nrecht gepleegd, niet maar aan ons, die ons eesteskinderen gevoelen der vaderen, wier bloed en drempel der vrijheid heeft roodgeverfd, maar nrecht ook en bovenal aan dien God, die eerijds die Kerk onzer vaderen heeft vrijgemaakt door bloed en tranen heen en Zich ten eigendom erkoos”. (Remme). Vandaar de oprichting van en Gereformeerden Bond in 1906.

In 1905 was de kerkelijke procedure van dr. Louis Bahler aan de orde. In zijn brochure haalde hij het Christendom neer en verheerlijkte hij het Boeddhisme. Het Indische heidendom is beter dan het Christendom. En de Synode heeft hem gehandhaafd. In die dagen regeerde het ministerie-Kuyper. Dit is ten val gebracht, doordat vele Hervormden toen bang gemaakt zijn door verdachtmaking en laster. Wie bijeenhoorden zijn uit elkaar gejaagd, en wie geen geestelijke gemeenschap met elkaar hadden zijn bijeengedreven. De opgeblazen en vervalschte kerkelijke kwestie heeft hierbij aan de kunstmatig verkregen meerderheid dezen dienst bewezen. Gedachtig aan het woord van Groen van Prinsterer, dat de in 1816 opgelegde kerkelijke Organisatie onrechtmatig tot stand gekomen is, en de Staat niet het recht heeft de aloudfe Gereformeerde Kerken dezer landen te dwingen tot het religieuze syncretisme *), dat haar verwoest, is 8 Februari 1906 opgericht de Gereformeerde Bond tot vrijmaking der Nederlandsch Hervormde Kerken. Niemand schrikke hier voor het meervoud Kerken, daar het tegenwoordige Alg. Regl. art. 1 aant, 2 ons leert, dat de oude naam van onzeKerk vroeger was „Gereformeerde Kerken”. Dat is dus niet doleerend of Bondsachtig, maar Synodaal. Deze v r ij m a k i n g dacht men toen langs politieken weg te kunnen verkrijgen, daar de gebondenheid ook langs politieken weg is tot stand gekomen in 1816. Evenals de Staatsschool heeft moeten dienen om het volk te maken tot een kleurlooze massa, zoo heeft ook de Synodale Organisatie gediend om de Kerk te maken tot een kleurloos lichaam van de meest uiteenloopende en tegenstrijdige bestanddeelen, slechts in naam staande op het fondament-van de drie formulieren van eenigheid. Om nu de Kerk weer vrij te maken, is het middel „langs politieken weg” te veel voor „doel” aangezien. Het doel is altijd geweest en is nog : de Gereformeerde beginselen te verbreiden. In 1909 isi de bond niet van koers veranderd, doch is alleen uit den naam „de vrijmaking der Ned. Hervormde Kerken” weggelaten. Dit was voor velen een steen des aanstoots. Men zag hierin een opnieuw aansturen op afscheiding en doleantie. De bond heeft herhaaldelijk uitgesproken, ook in een officieele beginselverklaring „Ons Kerkelijk Standpunt”, dat hij voor indringers het veld niet wenscht te ruimen.

Zoo staat de Bond dus op den grondslag van de drie formulieren van eenigheid, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde. Maar niet, zooals in Kerkopbouw Cursus no. 2, blz. 19 staat, met verwerping van alle ontwikkeling daarna, (is dit professoraal ? ) doch wel zooals in het Gedenkboek van den Gereformeerden Bond blz. 194 staat, met vasthouding aan een op dezelfde beginselen gegronde, en, (eenmaal uitgewerkt) wellicht met onzen t ij d meer overeenstemmende Kerkorde. Desgelijks met het oog op de belijdenisschriften, is het een opzettelijke falsificatie, om al wat gereformeerd is in onze Kerk, aan te wrijven, dat men de Schrift wil uitleggen naar de formulieren van eenigheid en niet omgekeerd. Al wat uit de Schrift nog gevonden kan worden zal opgediept worden. In deze lijn wijst Hoedemaker. Maar het is voor een groep, die geen historische belijdenisschriften heeft, geen standaardwerken schreef en geen eigen domsbew ij zen toonen kan, geen kerkelijk standpunt, maar wel zweefpunt heeft, verbazend gemakkelijk om zoo maar wat neer te schrijven.

De bond is opgeridht, omdat voorts de Confessioneele Vereeniglng de idee hul’digt van belijdende Volkskerk. Het nationale karakter dat de Kerk onder Israël vertoonde is echter met de nieuwe bedeeling veranderd. Bij de Confessioneelen verdringt het genadeverbond de verkiezing, oudtijds het hart der Kerk. De ethische zegt:

Vroeger was de Terkiezing, tegenwoordig is Christus het hart der Kerk. Dit is onjuist gezien, want de Schrift leert, dat God in Christus Zijn volk verkoren heeft. Het verwijt der Confessioneelen dat in Bondskringen het Genadevertoond verwaarloosd wordt, moge individueel juist Bijn, maar ’t is evenzeer waar, dat juist ter oorzake van het Genadeverbond de Gereformeerde Bond de gedoopte schare niet wil loslaten en voor de overgroote meerderheid tegen jeugddiensten is, daar de kinderen naar gezinsverband in de Kerkbehooren, en de predikanten daarmee terdege rekening moeten houden.

In de prediking treft ons een bepaald accent. Gewezen wordt op de noodzakelijkheid van wedergeboorte. Het geloof is niet uitwendig-verbondsmatig, doch een persoonlijke zaak. Genade is geen erfgoed. In de liturgie geen gezangen, gelij’k bij een deel der Kahlbruggianen en bij sommige Confessioneelen. Het laatste woord is hierover nog niet gesproken, en als eens een wettige Synode tot invoering mocht besliiiten, zal een deel zich daaraan conformeeren, een ander deel zal zich, als in de Gereformeerde Kerken, daartegen blijven verzetten.

De prediking is voorts onderscheidenlijk, en dat moet zoo izijn, ook al is de Kerk niet ontstaan uit bloote toestemmers der waarheid. Wij ontveinzen ons hier de ontzaglijke menigte van voetangels en klemmen niet. Tegen hokjes en vakjes verdeeling is men evenzeer gekant, als tegen de zalving van de globale massa. Drie soorten volk aankweeken is uit den booze, de Schrift leert slechts twee wegen.

De Bond gaat oiit van de zelfstandigheid en dus het recht der plaatselijke gemeente. In 1816 zijn deze een afdeeling geworden van het globale genootschap. Voorts wil de Bond losmaking van de zilveren koorde, het financieel verband met den Staat, met erkenning van de rechten der Kerk. Ook dient de theologische faculteit hersteld, en de opleiding gericht naar den grondslag der Kerk, opdat zij moge zijni Kerk des Woords in het midden des volks. Er zijn in onze Kerk gereformeerde predikanten niet o m d a t ze zoo zijn opgeleid, doch trots de opleiding. Ook om deze redenen, gelijk om andere, is de Gereformeerde Bond politiek Anti-Revolutionnair. De geloofsbelijdenis is bij hen niet artikel 36 alleen, maar ook de overige 36 artikelen. Artikel 36 is in de historie gegrond. Dat spreekt voor zichzelf. De Overheid moest toen wel ingrijpen *). Er was toen slechts één Kerk. Maar alles is sindsdien gewijzigd. Er is vrijheid van godsdienst. Er is geen plaats meer in den Staat voor een bevoorrechte Kerk. Toen de Staat tot dit inzicht kwam, heeft hij ook de Hervormde Kerk losgelaten, zonder echter het onrecht van 1816 ongedaan te maken, want in 1852 is de slavernij in gewijzigden vorm bestendigd ; de cipier is gepromoveerd tot gevangenisdirecteur. We werden wel vrij van overheidsbemoeaïng, maar de Overheid liet niet den vogel vliegen, doch zette de kooi met deni vogel er in op straat. Daaruit vloeit voort, dat artikel 36 in dezen tijd niet het hart der belijdenis kan zijn, en geen punt van verdeeldheid mag uitmaken. We staan voor gansch andere toestanden, ’t Is ondergeschikt.

Zoo blijkt dan, dat de Gereformeerde Bond zeer vooruitstrevend is. In de theologie grijpt hij niet terug op de 12 Artikelen des geloofs zonder meer, (dat is 18 eeuwen achteruit). Ook niet op Arius of Pelagius, (dat is circa 15 eeuwen achteruit) . In de kerkelijke politiek igrijpt hij niet terug op „Huisgemeenten”, gelijk de Vereeniging „Kerkopbouw”, om alzoo de klok 19 eeuwen terug te zetten, maar de Bond predikt: Terug tot de Wet en de Getuigenis !

De Kerk moet weer als Kerk van Christus gaan leven, en de bestuursinstanties moeten weer conform den Woorde Gods regeeren. En al moge ’t nu waar zijn, dat de Dordtsche Kerkorde destijds niet overal is aangenomen (door den tegenstand van de Overheden, die niet genoeg macht over de Kerk verkregen), een Kerkorde in dien geest is bestaanbaar voor heel de Kerk, gelijk zij door de Gereformeerde Kerk zelve van ouds is begeerd. Deze reformatie kan niet gemaakt, nog minder geforceerd worden. Zoo iets wordt geboren. Nu is ’t bekend, dat er vele nieuwe gemeenten gesticht zijn geworden. Bij de stichting waren zij b.v. niet gereformeerd. Mag men die gemeenten een gereformeerd juk opleggen ? We stippen maar even aan. Die gemeente heeft vrijwillig de zelfstandigheid begeerd en die op gezag der Kerk verkregen. DieKerk schrijft ook voor die gemeente dan de handhaving der leer voor. Doet zij dat, dan treedt men als zonen van het zelfde huis, vanzelf toe.

De Gereformeerde Bond ziet dan ook geen ander middel om de Kerk vrij te maken en te herstellen, dan door verdediging en verbreiding der Waarheid. Het orgaan is „De Waarheidsvriend”. Een Studie-en Leerstoelfonds bedoelt een betere opleiding tot het predikamibt en uitbreiding van het getal Dienaren des Woords van Gereformeerde overtuiging.

Een preekenserie van Gereform. predikanten heet: „Genade voor Genade”. Er bestaat voorts een Gereformeerde Zendingsbond, een Hervormde Bond van Jongeldngs-, Meisjes-en Knapenvereenigingen en een Bond van Zondagsscholen op Geref. grondslag. Het aantal Geref. predikanten wordt gerekend op ongeveer 220 predikantsplaatsen. De offervaardigheid is in deze groep het grootst, daar zij slechts 3% ontvangen uit de Generale Kas. De aanslag van den Raad van Beheer is ƒ 49.000.— hooger dan het recht op uitkeering. Het verwijt van Ethischen kant, alsof de Bond de leer, en de Ethischen het leven prediken en practische Christenen zijn, is te dezen opzichte met de cijfers weerlegd. Trouwens, de activiteit en de offervaardigheid over heel de Gereformeerde linie in Nederland, in het belang van allerlei christelijken lairtoeid, maakt een dergelijke beschuldiging van Ethische zijdfe schier belachelijk.

De Gereformeerde Bond heeft voorts noodig gedoctoreerde predikanten. Vervolgens moet uit dezen kring verschijnen een standaardwerk over de Ned. Herv. (Geref.) Kerk. Dat er nog zooveel kennis is, is te danken aan de werken van professoren der Gereformeerde Kerken, alsmede aan den arbeid van prof. Visscher, Van Leeuwen, Noordtzij en Severijn.

Zonder lid van den Bond te zijn, heeft ds. J. J. Knap Czn. tot heden vruchtbaar in Gereformeerden geest gearbeid. Zijn „Oude Paden” blijft een belangrijk tijdschrift.

Ten slotte dient in de Ned. Hervormde Kerk, eens genoemd „een georganiseerde ontbinding”, meer aangestuurd te worden op wat vereenigt, dan wat scheiding maaikt. „Niet: de Modernen en de Ethischen zijn zoo slecht, maar wij en onze Vaderen hebben gezondigd” (Jongebreur). „Onze tijd en wij”, heeft ons iets te zeggen aan eigen adres.


*) Vermenging van stelsels.

*) De pastoor te Vaassen werd in 1592 door de Kerk gedaagd, in 1593 geschorst, in 1595 afgezet, en toch door de plaatselijke R.K. overheid gehandhaafd. In 1603 moest nog het Hof van Gelderland te hulp geroepen worden om de kerkelijke afzetting te verwerkelijken, hetgeen pas in 1609 daad^verkelijk is geschied. Zoo iets is thans ondenkbaar. Een afgezet predikant gaat eenvoudig heen. Er is voor hem geen beroep op den Staat, en omgekeerd is voor het Kerkbestuur geen hoogere macht nioodig.

Literatuur.

Prof. mr. L. J. van Apeldoorn : Bestuur en Beheer. Rotterdam 1927.

Dr. J. J. van Baarsel : Het Probleem der Ned. Hervormde Kerk. Kampen 1914.

Mr. I. Da Costa : Bezwaren tegen den geest der eeuw. Leiden 1923.

Gereformeerde Bond : De jaarlijksche propagandaboeken. Gedenkboek 1906—’31. Ons Kerkelijk Standpunt. Maassluis 1924.

M. van Grieken : Over de leervrijheid. Maassluis 1928.

Idem : De drie Formulieren van Eenigheid met inleidingen. 4de druk. 1933. Kemink en Zoon, Utrecht.

Joh. Jansen : Korte Verklaring van de Kerkenordening. Kampen.

M. Jongebreur : Het Kerkelijk Vraagstuk. Maassluis.

Dr. G. Keizer : De Verhouding van Kerk en Staat in verband met artikel 171 der Grondwet. Kampen 1908.

Dr. A. Kuyper : Is er aan de publieke Universiteit ten onzent plaats voor een Faculteit der Theologie 1890.

Dr. J. Severijn : Kerk en Staat. Maassluis 1923. Idem. Afscheiding en Doleantie. Utrecht 1929.

Idem. De Gezangenkwestie. Huizen 1933. Dr. H. Visscher : Grijpt als ’t Rijpt (Artikel 36). Utrecht 1905.

J. G. Woelderink: Separatisme en Wereldgelijkvormigheid. Maassluis 1933.

Idem. Belijdenis doen. Maassluis 1934.

De Waarheidsvriend, 8 februari 1934

 

Reformatie in de classis Neder-Veluwe 1592-1620 (7)

G. VAN DER ZEE.

7).

2. Heerde.

De kerk te Heerde was oorspronkelijk gewijd aan H. Johannes, de Evangelist. In 1176 werd deze kerk door den bisschop van Utrecht losgemaakt van Epe. Onder deze kerk ressorteerden ook Veessen en Vorchten.

De middeleeuwen overspringende, komen we tot den tijd der Reformatie. Het blijkt dan, dat te Heerde een felle strijd gewoed heeft, daar het in den beginne nu eens Roomsch dan weer gereformeerd was.

De eerste predikant voor ons eigenlijke tijdsbestek was ds. P. van Bommel, † 1581. Diens opvolger ds. Joh. Bernntss, van Strijholt, 1581— 1584. Daarna wordt Heerde weer Roomsch en heeft in Johannes Cleeffken tot 1593 een pastoor. Deze noemt zich substitutus, d.i. letterlijk ondergeschikte. Bij het examen van 4 Juli 1592 wordt hij onder de gewone pastoors gerekend.

Dezen pastoor ontmoeten wij dan op genoemden datum te Harderwijk (zijn koster-schoolmeester, Jan Jansen, was wel opgeroepen, maar niet verschenen) teneinde onderzocht te worden door ds. Joh. Fontanus, van Arnhem, omtrent zijne gevoelens in de stukken der leer en der kerk. Met de pastoors van Doornspijk, Vaassen en Oene (die van Epe had zich schriftelijk verontschuldigd) teekende hij protest aan tegen twee van de dertien artikelen, die hem ter onderteekening werden voorgelegd, te weten : de leer van den Heid. Catechismus en de kerkelijke tucht, waarbij de verplichting om de kerkelijke vergaderingen bij te wonen.

Nadat hem een maand of vijf beraad was gegeven, werd hij tegen 14 November 1592 opgeroepen om ter Classicale vergadering te Oldebroek te verschijnen, waaraan hij gehoor gaf. De vergadering oordeelde dat men met de weifelende pastoors moest afhandelen. Joh. Cleeffken begeerde echter nog langer tijd van beraad, daar hij op de beide artikelen nog geen uitsluitsel geven kon. Daarbenevens zeide hij, dat zijn diensttijd als substitutus met Paschen 1593 was verstreken.

Eigenlijk behoefde de vergadering zich dus om hem niet moeilijk te maken, daar hij niet langer te Heerde wenschte te blijven. De oorzaak zal wel gelegen hebben in het feit, dat de gemeenteleden van Heerde het hem zeer lastig maakten, want hij klaagde zijn nood aan de Classis, dat „de huisluyden hem dreigden en dwongen om op de heilige dagen te prediken.”

Om deze redenen lieten de Classicale broeders hem met rust, voornamelijk wegens zijn aangekondigd vertrek, hetgeen ook inderdaad in 1593 plaats vond. Hem zelf of zijn naamgenoot treffen we in 1596 aan als pastoor te Wilp, die geëxamineerd moet worden, doch uitblijft.

Zoo was Heerde vacant, doch niet lang, want in April 1594 is ter vergadering te Harderwijk aanwezig als predikant van Heerde de voormalige pastoor ds. Wesselus Matthei Salingensis, oftwel Wessel van Solingen (Duitschland). Hem was in de Synode van Arnhem kort te voren opgelegd om gedurende de schorsing van den pastoor van Epe die plaats te bedienen, en daar de predikant van Heerde vroeger ook dienst gedaan had, mocht hij zonder geëxamineerd te worden, het predikambt te Heerde waarnemen, doch toen ook nog eenige bezwaren rezen, werd hem opgedragen zijn stukken te toonen van de plaats, waar hij te voren gestaan had, daar de Classis zoo maar niet iemand mocht of kon erkennen. Deze stukken had hij nog niet, daar hij zeide van een geheime gemeente te komen en het reizen zeer gevaarlijk was. De Classis vond dit excuus aannemelijk, doch droeg hem op om met naarstigheid alle vlijt aan te wenden zijn getuigschriften te toonen, hetgeen hij beloofde deze op te vragen, ook uit de gemeente van Bentheim. Zoodra deze stukken er waren, zou hij te Heerde bevestigd worden, doch eerder niet.

Te Elburg op 3 Sept. van datzelfde jaar ter vergadering aanwezig, kon hij de stukken nog niet toonen, waarop hem nadrukkelijk werd belast te zorgen, dat ze op de eerstkomende Classis aanwezig waren. Doch toen excuseerde hij zich, dat degene die op reis was om een getuigschrift te halen, nog niet terug was. De Classis bleef aanhouden en stelde inmiddels pogingen in het werk om van ds. Franciscus te Deventer inlichtingen te verkrijgen. Om dergelijke onregelmatigheden te voorkomen en om zich in de grondslagen van de kerkelijke wet in te werken, werd hem belast de Acta van de Synode, in 1586 te ‘s-Gravenhage gehouden, over te schrijven.

Door al deze dingen schijnt hij in de vergadering van 13 Mei 1595 te Hattem wat kregel geworden te zijn, zoodat hij deze zonder toestemming verliet, waarop de broeders besloten hem te censureeren zoo hij bij herhaling in dit kwaad viel. Inderdaad is hij September van dat jaar niet te Nijkerk, maar verontschuldigt zich, doch de broeders achten de reden niet gewichtig genoeg. Ja, men overweegt om hem aan het Hof voor te dragen hem van zijn dienst te ontzetten, daar hij met zijn getuigschriften draalt, en nu begint met van de vergaderingen weg te blijven, waarbij komt, dat hij zijn ambt slordig waarneemt, terwijl in de particuliere Synode een godzalig dienaar een slecht getuigenis omtrent zijn leven gegeven had.

In 1596 is hij ter vergadering te Harderwijk, waar hij een getuigschrift overhandigt, dat echter onvoldoende is. Men is de zaak moede en verwijst een en ander naar de Synode. Een paar maanden later blijkt, dat het onvoldoende getuigschrift ook nog valsch is, aangezien geen der onderteekenaren iets van dit stuk afwist. Ook was hij onzuiver in leer en leven. Om al deze redenen verdwijnt ds. Wesselus Salingensis uit het gezicht en wordt Heerde vacant omstreeks 1597. Nu was er een zekere Andreas Kassenborch voormalig pastoor te Kampen, die zich tot den dienst te Heerde aanmeldde. De Classis vertrouwde het echter niet, en terecht, daar zij met dezen voormaligen pastoor hetzelfde ervoeren als met ds. Wesselus Salingensis, daar hij geen getuigschriften kon toonen van leer en leven, ja nog erger, geen lid der Gereformeerde Kerk bleek te zijn. Zoo besloot de Classis de vacature niet al te overhaast te beëindigen, doch naar een getrouw dienaar om te zien, terwijl de broeders om de veertien dagen de predikdienst zouden waarnemen. Men zou zich met het Hof in verbinding stellen, opdat de Schout van Heerde zijn medewerking mocht verleenen met de predikanten te laten halen, die om beurten de dienst vervulden te weten die van Oldebroek, Doornspijk, Nunspeet en Elspeet.

Nadat dit dan een poos had plaats gehad, zien wij voor het eerst in April 1598 ter Classicale vergadering te Putten ds. Jacobus Schoonhoven, predikant te Heerde. Hij deed daar reeds een tijdlang zijn werk, gekozen als hij was door de gemeente, doch was nog niet bevestigd en ook nog niet als lid der Classis aangenomen. Nu werd hem opgedragen zijn getuigschrift van de Classe van Arnhem te vertoonen, hetzij aan de volle Classis, hetzij aan de gedeputeerden, voorts zich aan het examen te onderwerpen en een proefpredikatie te houden, naar algemeen gebruik dier diagen. In Juli 1599 staat de zaak eigenlijk nog precies zoo, alleen wordt dan vermeld, dat hij zich op het examen prepareeren zal, hetgeen ds. Joh. Zwitterius van Nijkerk hem zal afnemen, en zoo hij slaagt en zijn proefpreek goed is, zal hij bevestigd worden.

Den 15den April 1600 is hij ter vergadering in Epe. Men besluit dat hij den volgenden dag ’s morgens om zes uur met gesloten deuren zijn proefpreek zal houden, waarna hij voorts geëxamineerd zal worden, ’t Was dus vroeg dag ! Dit geschiedde dan, en de acta luidt als volgt: Jacobus Schonhovius, deinar thot Herde heefft sein propositie gedan, gelich hem opgelegt was von den Classe ende ist (ver-)volgens in de vornamtoste stuck der Christelicker religie sumanarisdher weise ondersocht v/orden, ende howell de Eroderen des Classis, so ahn sein propositie als ock ahn sein antword gegeven in examine ghetan seer goedt behagen gehadt hebben, nochtans dweil he tegenwordig in den Deinst ist, so ordelen de Eroderen dat he darin sal worden geoonfirmert, ende nerstig vermandt omb vorthan flitig tho studeren ende sal de confirmatie (bevestiging) doen Johannes Sanderus, deinar thot Hattem tho geleigener tidt.”

De dominee was dus geslaagd.

Op die vergadering bracht iedereen en dus hij ook verslag uit van den staat der kerk. Hij verklaarde, dat zijn aantal hoorders betamelijk goed was, doch dat dit den laatsten tijd achteruit ging, omdat de Schout onder de preek de Heden vermaande om de belasting te betalen, en dat de kramers vergunning hadden om tijdens de preek hun tenten met allerlei koopwaar open te hebben.

In de komende jaren klaagt hij geregeld over het verval van de pastorie, welke zaak nu eens naar het Hof, dan weer naar de Synode wordt verwezen. Ook moeten de Classicale Deputaten aan den kerkeraad van Arnhem verzoeken, of deze bij het Hof te Arnhem wil pleiten voor een behoorlijk tractement.

Gelijk op zoo vele plaatsen werd ook ds. Schoonhoven vermaand geen lijkpredikaties te houden, als in strijd met Gods Woord.

Toen in April 1604 te Heerde voor het eerst Classicale vergadering werd gehouden, hield de plaatselijke predikant de gebruikelijke predikatie. De broeders wezen hem daarna met liefde de fouten en gebreken aan, vermaanden hem in het bijzonder om Gods Woord vlijtig te lezen, en te bidden om meerdere gaven des H. Geestes, opdat hij vruchtbaar in zijn dienst mocht voortgaan, hetgeen hij dan ook beloofde.

Tevens maakte hij van de gelegenheid gebruik om te vragen hoe hij zich te houden had tegenover een kastelein, die een openbare herberg hield, waar nog ai eens gevochten werd. Moest hij die nu tot het H. Avondmaal toelaten of niet.

De Classis oordeelde, dat hij met ernst en vlijt probeeren moest om zulke misstanden te voorkomen, en zoo hij niet vorderde, de zaak maar weer ter sprake moest brengen, hetzij bij de gedeputeerden van de Classis of op de geheele Classicale vergadering.

Wegens het opkomende Remonstrantisme vergaderde de Classis in combinatie met die van Over-Veluwe in 1612 te Barneveld, alwaar ook ds. Schoonhoven aanwezig was en de belijdenisschriften onderteekende.

In 1613 zien wij voor het eerst een ouderling van Heerde mede ter vergadering. Mogelijk is in dat jaar een kerkeraad te Heerde ingesteld.

In 1618 is te Heerde een zeer belangrijke Classicale vergadering gehouden, met het oog op de naderende Dordtsche Synode.

(Wordt vervolgd).

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 6 september 1934

 

Ds Van der Zee schrijft boek over kerkgeschiedenis

DE NED. HERVORMDE KERK TE VAAS­SEN
Door ds. G. van der Zee.
Uitgave : N.V. Drukkerij „Hooiberg” te Epe.

Ds. Van der Zee, van Vaassen, raakt zoo langzamerhand bekend als een historieschrijver van naam. We herinneren aan zijn 3-deelig boek : “De ballingschap” (uitgave Kok te Kampen), aan zijn artikelen in de Chr. Encyclopaedie (eveneens Kok te Kampen), aan zijn publicaties in „De waarheidsvriend” (die nog geruimen tijd zullen Worden voortgezet) enz.

Nu ligt er weer een hoekje voor ons, dat ge­tuigt van werklust, speurzin, schrijverstalent enz. Ds. Van der Zee neemt heel de geschiedenis van Vaassen’s Kerk „door”, te beginnen bij de vroegste tijden (891) en gaande tot den dag van heden. Tal van interessante en belangrijke dingen worden meegedeeld en wij bevelen dit boekje gaarne bij degenen, die van Kerkgeschiedenis houden, aan. Wij hopen, dat de pen van ds. Van der Zee ook in de toekomst nog veel : kleinere en grootere geschriften ons brengen zal. Het terrein van de Vaderlandsche Kerkgeschiedenis is zoo ruim en heeft nog zooveel, dat de moeite zou loonen het ons te beschrijven !

De Waarheidsvriend, 1 november 1934

 

De reformatie in de classis Neder-Veluwe van 1592-1620 (9)

G. VAN DER ZEE.

4. VAASSEN (9).

In het Groothertogdom van Hessen in Duitschland was een Abdij, Lauresham geheeten. Van uit dat klooster is in het jaar 891 de kerk te Vaassen door Brunhold gesticht als een der eerste kerken op de Veluwe. Nadat er in later tijd een koor bij aangebouwd was, werd het bedehuis tot parochiekerk verheven, en was gewijd aan de H. Ursula en de elfduizend maagden.

In den tijd der Spaansche inquisitie was Vaassen goed Roomsch. De pastoors Johan ten Holte en zijn opvolger Willem Jansen waren de reformatie gram.

Omstreeks 1585 kwam hier Peregrinus Jansz. van Heerden als Pastoor, ook wel genoemd Pilgrum van Hyerde.

Deze werd in 1592 met de andere Veluwsche pastoors opgeroepen te Harderwijk, waar hij zich aan het ons bekende examen onderwierp. Met de pastoors van Oene, Heerde en Doornspij k teekende hij protest aan tegen de onderteekening van de leer van den Heidelb. Catechismus en de kerkelijke tucht, weshalve hij uitstel kreeg om zich verder te beraden.

Na twee maanden opgeroepen te Nybroek, liet hij zijn bezwaren tegen den Catechismus vaUen, doch wenschte nog uitstel omtrent het punt der kerkelijke discipline.

In 1593 werd hij om zijn dralen ter schorsing voorgedragen, en werd bepaald dat de predikanten van Arnhem en Harderwijk bij toerbeurt in den predikdienst zouden voorzien. Jaar in, jaar uit werd nu op verschillende plaatsen zijn zaak behandeld zonder tot een goede oplossing te komen, daar de pastoor telkens weer nieuwe uitvluchten had. Hij beloofde te Apeldoorn ten Avondmaal te gaan, doch deed het niet. Ook moest hij zijn huishoudster trouwen, bij wie hij kinderen had, doch deed ook dit niet. In 1595 werd zijn afzetting voorgesteld, doch het Hof ging er nog niet toe over. In 1598 zag hij de pastoors uit het naburige Epe en Oene verdwijnen, doch de R.K. Heeren van het kasteel „De Cannenburgh” hielden hem de hand boven het hoofd. Hij wist de zaak slepende te houden door te verklaren dat hij den Catechismus op zichzelf goedkeurde, maar dat hij wegens ziekte en zwakheid de kerkelijke vergaderingen niet kon bezoeken. In 1600 waren de broeders het gehuichel zat, en werd tot afzetting besloten. Dit was eerder gezegd dan gedaan. De pastoor deed reeds süids 1592 geen dienst, doch bleef in de pastorie. Wederom dient zijn zaak in 1601, 1602 en 1603, op welke laatste vergadering men besluit voor hem als voor den pastoor van Barneveld een jaargeld te vragen. Maar met dit al ging hij niet heen. De protesten moede en ziende dat de Reformatie overal met kracht werd doorgezet, begaf hij zich in 1606 in het huwelijk met „de moeder zijner kinderen.”

Maar ook dit baatte niet. Hij was een man van twijfelachtige gezindheid. Hij was noch Roomsch noch Gereformeerd. Derhalve werd hij in 1609 verwijderd, doch heeft zijn kinderen in de Gereformeerde religie groot gebracht. Zijn zoon Petrus Peregrinus kwam in 1617 als predikant te Voorthuizen.

De eerste predikant te Vaassen was Hermannus Goddaens (1610/1634), die door de gemeenteleden met volle tevredenheid was gehoord, en na zijn examen voor de Classis, alhier eind Mei of begin Juni 1610, bevestigd is.

De eerste tijd was voor hem zeer moeilijk, daar de kerkmeesters weigerden de noodige reparaties te verrichten en ook de beelden uit de kerk niet wegnamen. Voorts knielde men nog jaren lang bij het open graf, en weigerden de vaders hun tegenwoordigheid bij den kinderdoop.

Maar allengs werd dit anders. Zijn arbeid is gezegend geweest. In 1634 volgde zijn zoon Conradus hem op. Deze werd als letterkundige bekend in den Muider kring van P. C. Hooft. Zijn portret prijkt in de consistoriekamer.

Bij de fa. Hoorberg te Epe is verschenen een boekje van 80 bladz. over de Kerkgeschiedenis te Vaassen. (Wordt vervolgd).

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 4 oktober 1934