Ds Verhoeff bedankt voor Montfoort

MONTFOORT, 15 Oct.

Daar ook Ds. J. G. Verhoeff, Pred. te Vaassen, voor de beroeping herwaarts bedankt had, werd door den Kerkeraad uit het bestaande drietal, met eenparige stemmen tot Herder en leeraar beroepen Ds. G. J. Vos, Pred. te Oostermeer.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 872.

 

Verhoeff gaat naar Ridderkerk

Ds. Jacob Gerard Verhoeff

RIDDERKERK, 11 Nov.

Heden vernam onze Gemeente tot hare blijdschap, dat Ds. J. G. Verhoeff, Pred. te Vaassen, de beroeping naar deze Gemeente heeft aangenomen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 872.

Ds Verhoeff gaat naar Ridderkerk

VAASSEN, 13 Nov.

Werden wij onlangs verblijd door het berigt dat onze geachte Leeraar, Ds. J. G. Verhoeff, voor eene beroeping naar Montfoort had bedankt, heden moesten wij tot onze droefheid vernemen, dat eene andere beroeping naar Ridderkerk door hem was aangenomen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 868

 

Recensie door Verhoeff van Doctor Antonio

Doctor Antonio. Door John. Euffini, uit het Engelsch. Amsterdam, W. H. Kirberger 1864.

Wij kunnen, zonder eenige vrees om ons aan overdrijving schuldig te maken, al de romans, waarin de liefde de hoofdrol speelt, en zijn zij niet legio ? die van overoude dagen verschenen zijn en nog dagelijks het licht zien, in twee soorten verdeelen, 1°. romans, die zeer gelukkig, 2°. romans, die zeer ongelukkig eindigen. Zij krijgen elkander, of zij krijgen elkander niet. Tot de laatste soort behoort de aangekondigde I — Alles loopt zeer tragisch af. Zij sterft van verdriet, hij kwijnt weg in eene gevangenis!

Wat zal ik verder van dit boek zeggen? Dat het ten minste boven dergelijke werken deze verdiensten heeft, onschadelijk te zijn! Of wilt gij het niet voor verdienste houden, dat het u niet brengt in een gemoedstoestand, waarvan de suffende houding, de turende blik, de diepe zucht, als gij het boek uit hebt, de juiste beschrijving geeft; een toestand van iemand, die van een avontuurlijken togt op een stormachtig meir op eenmaal in eene sloot teregt komt, en nu dat troebele water, dat groene gras, die stompe knotwilgen zoo onuitstaanbaar vervelend vindt! Gij hadt lezende de buitenwereld met hare dagelijks in groote eenvormigheid wederkeerende toestanden vergeten, en nu valt, als het boek uit is, de koude werkelijkheid u weder op het lijf. Gij hadt u in al die toestanden ingewerkt, gij vervuldet als het

855

ware in dat treurspel uwe rol, vooral de laatste bladzijden, waar alles zich haastte tot de ontknooping, zij werden door u verslonden, en nu valt gij op eenmaal uit dien denkbeeldigen hemel op de prozaïsche aarde neder, uwe thee is koud geworden, uwe pijp is uit, de kajjchel snort niet meer. Gij staat op met een diepen zucht, omdat het boek uit is, gij loopt uwe kamer rond, gij gaat eens naar de kagchel zien, gij steekt, eene versche pijp op en — gij neemt het boek weder op, cm nog eens die laatste bladzijden te verslinden. Zie! dat haat ik vooral in zulke romans.

Zoo iets behoeft men van dit boek niet te vreezen. Het is eene liefdesgeschiedenis, welke u hier wordt medegedeeld, met al wat er toe behoort; een geneesheer, een knap, edel mensch, eene sehoone Engelsche dame, eene trotsche Baronet, met een kind op reis naar Italië, een onbarmhartige broeder. De dame breekt den enkel, toevallig is er een jeugdig geneesheer bij de hand; om de dame niet te doen schrikken, geeft hij voor dat zij den’ voet maar verstuikt heeft; de enkel wordt, zonder dat de dame het bemerkt (!) gezet; maar nu moet zij rust hebben, de reis kan niet worden vervolgd, in eene eenvoudige dorpsherberg worden vader en dochter opgenomen; de vader verveelt zich eerst vreeselijk, maar wordt door den doctor met eenige personen in den omtrek bekend gemaakt en begint werkelijk in dat stille dorpsleven zijn genoegen te vinden. — Ondertusschen komt de doctor zijne sehoone patiënte getrouw bezoeken, wordt al meer en meer op haar verliefd en zij op hem, maar zonder dat zij het weet (!). Eindelijk komen aan die sehoone dagen een einde. Lucy Davenne is geheel hersteld en Sir John, haar vader, vertrekt met haar en den uit Indië teruggekeerden broeder uit het stille dorpje, om er Doctor Antonio met een gebroken hart achter te laten. De schrijver heeft boven dit hoofdstuk het opschrift geplaatst: slot der idylle, en wij zeggen als hij: «zoo eindigde de sehoone droom van Doctor Antonio. —»

En nu gaat alles voor Doctor Antonio, den kerspeldoctor van Bordighera, den ouden gang. — Op eenmaal verdwijnt hij, om

856

na 8 jaren weder op te treden en wel te Napels, om aldaar in het koninklijk paleis, gezien en herkend te worden door Lucy Davenne, die zich daar ook bevindt; nu als de weduwe van Lord Cleverton, met wien zij na hare terugkomst in het huwelijk getreden, maar die niet lang daarna gestorven was. Is er veel met Lucy gebeurd, met Doctor Antonio niet minder! — Wij vinden hem weder niet als den nederigen kerspeldoctor, maar als den krachtigen verdediger van de staatkundige vrijheid, pleitende bij het Napolitaansch Gouvernement ten gunste van zijn Vaderland, het eiland Sicilië; waar in Januarij 1848 de vaan des oproers tegen de despotieke regering van Perdinand den tweede ontrold was. Dat tweede gedeelte van dezen roman is veel belangrijker van inhoud en laat zich over ’t algemeen met genoegen lezen. Het deelt in een behagelijken vorm iets mede uit dien gedenkwaardigen tijd, toen met de troonsbestijging van Pius den negende, een betere tijd voor Italie’s politieken toestand scheen aan te breken. Bekend is het, dat deze opstand van het eiland Sicilië naar het vaste land is overgeslagen, dat Milaan en Venetië mede in opstand geraakten en dat op den 15 Mei 1848, den dag dat de wetgevende Vergadering in Napels zou bijeen komen, in de straten van Napels gestreden werd tusschen de revolutionairen en de koninklijke troepen. Als offer ingevolge van dezen strijd, die met de nederlaag der vrijheidsmannen eindigde, viel ook Doctor Antonio, terwijl hij zich op eene der barrikaden met de verpleging van de gewonden en stervenden bezig hield; hij werd gewond, gevangen genomen, later in het beruchte Staatsproces tegen het Genootschap der Italiaansche eenheid (dat niet minder dan 8 maanden duurde,) beschuldigd van misdadige handelingen tegen het Gouvernement, op grond daarvan tot 19jarige gevangenschap veroordeeld en naar het eiland Ischia, later toen er pogingen waren aangewend om hem te bevrijden , naar elders gevoerd. —

Met de geschiedenis dezer politieke gebeurtenissen nu zijn die van Doctor Antonio en Lucy, Burggravin van Cleverton, zaamgeweven. Zij ontmoeten elkander na 8 jaren scheiding voor het

857

eerst aan het hof te Napels, waar Lucy nu op aanraden van Antonio een hotel huurt, met een schoon uitzigt over de baai van Napels en op den Vesuvius. Daar wordt het aangename leven in de Osteria (herberg) van Bordighera voortgezet, het kweeken van bloemen, het schilderen, het spelen en zingen van Siciliaansche liederen; ziedaar nu weder het dagelijk^sch werk! — Het was het ontwaken van een langdurigen en smartelijken droom!

Maar zoo bleef het niet lang. De gelukkigen moesten dat Paradijs verlaten op denzelfden dag dat zij voor het eerst beleden wat #ij lang voor elkander gevoeld hadden. Doctor Antonio verliet haar op denzelfden oogenblik, dat hij haar zijne vurige liefde beleed; hij verliet haar om te snellen naar de plaats des oproers, en Lucy zag hem eerst weder, toen hij met een en veertig andere slagtoffers van de trouweloosheid des Gouvernements geboeid voor de regtbank gebragt werd. Zij, die geen enkele zitting van het hof had overgeslagen, moest toch nog eindelijk die vreeselijke straf eener 19jarige gevangenschap over haren geliefde hooren uitspreken. Was het wonder dat zij bezwijmd werd weggedragen? —

Hoogst tragisch is het slot. «Doctor Antonio in de kleeding van een gemeenen misdadiger, sleept zijne kluisters in gindsch grimmig kasteel» (dl. 2 pag. 257). Op dit eiland (Ischia) bewoont nu ook Lucy eene villa, waar zij met enkele vertrouwde vrienden een plan vormt om Antonio te bevrijden. Dit plan mislukt, omdat Antonio de vrijheid weigert zonder dat zijne vrienden daarin deelen; het wordt ontdekt, en Antonio naar elders gebragt. Het berigt dat dit geschieden zal, heeft op de reeds geschokte gezondheid van Lucy zulk een nadeeligen invloed, dat zij sterft, met het hoofd naar het kasteel gekeerd, waar haar beminde in ballingschap zucht. En nu eindigt de schrijver aldus: Doctor Antonio lijdt, bidt en hoopt nog altijd voor zijn Vaderland!

Zietdaar den hoofdinhoud van dit boek. Is het een dusgenaamde historische roman? — Zijn de hoofdpersonen, Lady Lucy en Doctor Antonio, werkelijk bestaande personen? — In

858

eene noot op bl. 287 wordt verzekerd dat de bijzonderheden in het 26ste en 27ste hoofdstuk medegedeeld, een uittreksel zijn uit eene correspondentie, destijds in het licht gegeven door een gematigd en kundig geredigeerd dagblad te Turijn, de Risorgimento. — Is al het andere inkleeding ? En zoo ja : dan vraag ik voor welke gedachte? Wat is het streven van den schrijver met dezen roman geweest? —

Toch niet het schrijven van een dusgenoemden godsdienstigen roman, want er komt niets in voor, dat dit boek op dezen naam regt geeft. Als de schrijver bedoeld had,, om zijn held Doctor Antonio te maken tot type van een waarlijk godsdienstig man, dan had hij hem deze woorden niet in den mond gelegd: Ik mag ver—d zijn, als ik het doe! (dl. I. bl. 111). Dan zouden wij deze woorden niet lezen «Lucy, Lucy, mijne edele vriendin! help mij om uwer en mij zeiven waardig te zijn (2, bl. 198), of «uwe liefde zal mijn schild zijn» (bl. 199). Zulke uitdrukkingen kunnen onmogelijk uit den mond van een Christen voortkomen. Zij bewijzen dat de schrijver van dit boek nog onbekend is met datgene, waarin de ware Christen zijne heerlijkheid en zijne sterkte zoekt. Niet in den lof des menschen, niet in het steunen op het vleesch. «Daar komt,» zal men zoggen, «volk van God in,» en dit is voor dosgenoem.de godsdienstige menschen reden genoeg om nog- met zulke menschen, met eene tint van godsdienstigheid overdekt, te zijn ingenomen; maar wat moet men dan denken over eene uitdrukking als deze: «Daarna was er niets, wat Antonio langer te Napels terughield, niets anders dan de toovermagt die hem boeide, of wij zouden er moeten bijvoegen nzijn noodlot» (!).

Kwaad zal deze roman niet doen, en dit is reeds eene, ofschoon negatieve verdienste; maar zal hij goed doen? — Wij betwijfelen dit. Ware hier slechts de treurige ervaring van de hopeloosheid der aardsche liefde voorgèsteld als prikkel om te staan naar de nimmer hopelooze liefde tusschen God en den boetvaardigen zondaar, dan had de schrijver een goed werk volbragt. Daar wordt in dezen roman het bewijs geleverd, dat

859

zij, die elkander opregt beminnen, niet altijd hier beneden hun wensch verkrijgen; welk eene heerlijke tegenstelling had nu met de herinnering aan aardsche teleurstellingen, die aan hemelsche verwachtingen kunnen vormen! Wij hebben medelijden met allen die alzoo ondervinden, dat het hier beneden op het gebied der huwelijksliefde veelal is een zoeken zonder te vinden, ook al krijgen zij elkander; daarom hadden wij zoo gaarne hier gewenscht de voorstelling van de heerlijke vergoeding, welke in de liefde van den Heer en tot den Heer is gelegen. Dat men de schaduwzijde van dit leven ontdekt, het kan geen kwaad, het is goed, menigmaal zeer goed, ofschoon het geneesmiddel bitter is; maar men vergete toch nimmer dat het romanlezend publiek het dringend noodig heeft, om van de bouwvallen des aardsehen geluks te worden gewezen op het waarachtig en blijvend geluk der opregte dienstknechten Gods. Eerst dan en dan alleen brengt het schrijvers of vertalers en uitgevers van romans eene waarachtige winst aan, eene winst, waarvan de waarde genoten wordt aireede terwijl men leest en ook dan als men gelezen heeft. Dan mag men onder het woord einde een ander woord plaatsen, begin, begin van een nieuw leven, een leven van ernstig nadenken over het ijdele vau alle lectuur die, wat noodig is tot zaligheid, bedekt; begin van een leven der ernstige bekommernis over het eenenoodige, zij het door Gods genade, begin ook van een leven des gebeds en des geloofs en der waarachtige goddelijke liefde!

Vaassen, Nov. 1864. J. G. VERHOEFF.

 

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 855-859

 

Verhoeff wordt door Montfoort beroepen

Ds. Jacob Gerard Verhoeff

MONTFOORT, 11 Oct.

Nadat ook Ds. P. J. R. Laan, Pred. te Hoenderloo, voor de beroeping herwaarts bedankt had, werd het drietal aangevuld met Ds. J. G. Verhoeff, Pred. te Vaassen, en deze daarop met eenparige stemmen tot Herder en Leeraar dezer Gemeente beroepen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 780.

Verhoeff wordt beroepen door Ridderkerk

Ds. Jacob Gerard Verhoeff

RIDDERKERK, 27 Oct.

Op nieuw heeft de Kerkeraad de navolgende nominatiën geformeerd;
Twaalftal: DD. H. C. Bervoets, te Hattem; J. Cramer, te Charlois; J. J. Eigeman, te Hengelo; W. J. Geselschap, te Heemstede; W. H. Krijt, te Berkel; J. C. Matthes, te Bergambacht; W. Mense, te Voorthuizen; S. P. W. Roorda van Eysinga, te ’s Grevenbicht; J. E. van Toorenenbergen, te Lienden; J. G. Verhoeff, te Vaassen; P. H. Wolf, te Klundert en G. J. Zijnen, te Zwijndrecht.
Zestal: DD. Geselschap, Krijt, Mense, Verhoeff, Wolf en Zijnen.
Drietal: DD. Krijt, Mense en Verhoeff;
Waaruit beroepen is Ds. J. G. Verhoeff, Pred. te Vaassen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 774.

Verhoeff op zestal voor ’s Gravenzande

’s GRAVENSANDE, 5 Oct.

Uit het vroeger vermelde twaalftal werden op het zestal gebragt: DD. G. C. Boomer, P. J. R. Baan, J. G. G. Moorrees, W. Sijpkes, J. G. Verhoeff en J. Welle, Predikanten te Ritthem, Hoenderloo, Ommen, Loosduinen, Vaassen en het eiland Rozenburg;
En op het drietal DD. Laan, Moorrees en Sijpkens;
Waaruit met meerderheid van stemmen beroepen is Ds. W. Sijpkens, Predikant te Loosduinen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 771-772.

 

Commentaar van Verhoeff op boek van Rutgers

C. P. L. Rutgers, Pred. te Groningen. Christus ons leven. Schets van het geloof en den wandel des Christens, naar het Evangelie.
Te Groningen, bij P. Noordhoff. 1863. De Prijs is ƒ 0.75.

Het behoeft geen betoog, dat verschil van beschouwing over dat legio catechesatieboekjes, die onder den naam van «handleiding» of «leiddraad» bij het catechetisch-onderwijs in ons Vaderland voortdurend het licht zien, zeer innig zamenhangt met verschil van beschouwing over de waarheid Gods. Het zou, eene ongerijmdheid zijn om te beweren dat b. v. een voorstander der moderne theologie aan zijne catechesanten bij hunne voorbereiding tot het afleggen der geloofsbelijdenis deze «schets van het geloof en den wandel des Christens» zal in handen geven, al meent ook hij dat hij van zijn onderwijs zeggen kan: het is «naar het Evangelie!» En aan te nemen dat de Heer Rutgers zijnen leerlingen zal aanbevelen zich «ter voorbereiding tot dat gewigtig werk,» van het een of ander geschrift van Reville of Pierson te bedienen, het zou eveneens eene ongerijmdheid zijn. Is het dan te verwonderen dat, zoo ik het met den Heer Rutgers niet eens ben; zoo er «met betrekking tot de belangrijkste deelen der christelijke leer» een zeer belangrijk, een onoplosbaar verschil is tusschen hem en mij, — en dit verschil bestaat, werkelijk — ik deze schets niet zal aanbevelen? Mijne aankondiging alzoo geene aanbeveling! Kan iemand mij dit ten kwade duiden? Kan iemand van mij vorderen dat ik onvoorwaardelijk zal goedkeuren, omdat ik met den Heer Rutgers gemeen heb antipathie tegen de opvatting der moderne theologie over de christelijke leer? Ik zou door eene onvoorwaardelijke goedkeu-

762

ring- aan mijne overtuiging geweld aandoen en dit — ik vertrouw het — zal de Heer Rutgers wel niet van mij vorderen!

Het is mij echter behoefte om te verzekeren dat ik het gaarne anders had. Wie zou dit niet wenschen? Men wordt toch eindelijk al dat hekelen moede. Maar een andere vraag is deze: mag men zwijgen? of moet men in dezen tijd alleen tegen de moderne theologie, dat monstrum horrendum ingens te velde trekken? Neen! niet alleen tegen deze, maar tegen iedere godgeleerdheid, welke dan ook, die met het Evangelie — zoo zegt zij althans! — tot basis, eigenlijk gezegd wat in het Evangelie hoofdzaak is, óf stoutmoedig ontkent, óf daarover zachtkens heenglijdt, zorgende daarvan slechts zooveel te zeggen als onvermijdelijk noodig schijnt. Van dit laatste vinden wij ook in dit werkje sporen genoeg, b. v. op bl. 6, waar over de kennis van Jezus Christus gesproken wordt en dus ook over den Bijbel, als bron van deze kennis. Het is bij die gelegenheid dat de Heer Rutgers niets anders zegt dan dit: «wij veronderstellen dat gij den Bijbel kent, als die verzameling van aloude geschriften, waarin Gods bijzondere openbaringen aan de menschen staan opgeteekend. *) Daartoe behoort ook de gemakkelijkheid, waarmede de Heer Rutgers zich afmaakt van de exegese van Joh. X: 30, waarin hij niets anders ziet dan eene verklaring dat de Zoon bestendig in de naauwste gemeenschap met den Vader leefde en nooit iets anders wilde dan hetgeen den Vader welbehagelijk was, (!) van 1 Joh. V: 20; Rom. IX: 5; 1 Tim. III: 16. Verder, bl. 15 de omschrijving van het doel van Jezus menschwording: «Hij zou, door woord en daad, God regt bekend maken, den mensch aan zich zelven ontdekken, den waren weg der verlossing aanwijzen, opdat de mensch door zijnen geest geheiligd, zich toelegde op een waarlijk christelijk leven, dat, door het gebruik der hulpmiddelen bevorderd, hem bestendig in Gods gemeenschap deed verkeeren en hier aanvankelijk en eens volkomen de zaligheid

*) Ik heb deze woorden cursijf laten drukken om ze des te meer te doen uitkomen.

763

zoude deelachtig maken.» — Ik breng daartoe ook de terzijdestelling van het lijden en sterven des Heeren als schuldoffer, terwijl alleen gesproken wordt over de verlossing van zondeheersehappij, niet over het dragen van zondestraf. Bl. 31 wordt de leer des Evangelies over de booze Engelen in deze weinige woorden teruggegeven: «De booze Engelen of duivelen zijn dezulken, die hun beginsel niet bewaard hebben en deswege in een rampzaligen toestand verkeeren. Zoo spreekt de Heer van het eeuwige vuur, hetwelk den Duivel en zijne («) Engelen bereid is.» » Bl. 36 wordt van den val in het Paradijs gezegd: «het was de begeerlijkheid, welke den mensch deed zwichten voor de verleiding ,» zonder dat daarbij wordt gevoegd door wien de mensch is verleid geworden. Ik zou hierover nog veel kunnen zeggen, maar genoeg reeds om het aan te toonen, dat de Heer Rutgers zich de niet zeer aangename, ofschoon zeer verklaarbare taak heeft opgelegd, om zich met een enkel woord af te maken van hetgeen bij het onderwijs, bij de voorbereiding tot het afleggen van belijdenis in de Ned. Herv. Kerk op den voorgrond moet staan, wil men althans met een goed regt beweren dat men ook in dit opzigt handhaaft het regt der Hervormde gezindheid. En verklaart de schrijver in zijn voorberigt: «de hoofdzaken waarop wij in deze bladen slechts konden letten, zijn zeer beknopt behandeld» ; wij willen hem over die beknoptheid niet hard vallen, ofschoon de behandeling van het onderwerp verlossing al zeer mager is uitgevallen in vergelijking van die der volgende Christelijk leven en hulpmiddelen; *) maar wij willen slechts dit ééne vragen: kan de schrijver het van zich verkrijgen om over hetgeen voor iederen onpartijdigen Bijbellezer hoofdzaak is van de leer der zaligheid naar het Evangelie, zoo ligtvaardig heen te gaan, zoo dan al niet te verzwijgen?

Alleen te verzwijgen? Neen! maar ook te ontkennen. Te ontkennen b. v. de waarachtige wezenseenheid van den Zoon

*) Verlossing, van pag. 42—54, Christelijk leven en hulpmiddelen, van pag. 55—87 (!)

764

met den Vader, «Jezus heeft uitdrukkelijk de meerderheid van den Vader erkent (d).» Wij vragen: Wat wordt er dan van Joh. 17: 24: «Vader! Ik wil, dat die bij mij zijn e. z. v.,» van Joh. 10: 30: «Ik en de Vader zijn een.» De Heer Rutgers verklaart dit van de geestelijke vereeniging tusschen den Vader en den Zoon, «waarbij deze niets anders wilde, dan hetgeen den Vader welbehagelijk was.» Komt hij alzoo niet in strijd met den regel, dien hij aangeeft voor het regte Bijbelonderzoek: (bl. 74) «Een voornaam vereischte is het, om op den zamenhang, waarin de woorden voorkomen, acht te geven.» — Welnu, dezen regel toepassende op Joh. 10: 30 zeggen wij: «de zamenhang leert ons dat hier bedoeld wordt eenheid van magh , — en deze eenheid van magt komt ons voor zonder eenheid van wezen ondenkbaar te zijn. Tot die ontkenningen behoort verder het zwijgen over al wat door de christelijke Kerk naar het Evangelie geloofd wordt over de schulduitdelgende kracht van Jezus bloed! Over het algemeen volgt de schrijver de taktiek der Godgeleerde school, waartoe hij behoort, en deze is juist te negeren hetgeen door anderen tot wederlegging van hare theologische stellingen gezegd is. — Een enkel bewijs: op Rom. 9: 5 teekent de Heer Rutgers aan: «deze laatste uitspraak (welke is God — eeuwigheid) wordt door sommigen ten onregte op Christus betrekkelijk geacht; dat zou niet alleen in strijd zijn met de doorgaande voorstelling die Paulus van Christus geeft, maar ook met Jezus eigene verklaringen.» Ten onregte! Hoe bewijst Rutgers dat? — Naar het mij voorkomt, is hetgeen door die «sommigen» tegen het slot van Rom. 9: 5 als doxologie gezegd is, te gewigtig om zoo maar met een enkel woord vernietigd te worden.

Wanneer de Heer Rutgers voorbeelden aanhaalt om te bewijzen dat Gods voorzienigheid door geringe, schijnbaar toevallige omstandigheden werkzaam is, dan vermeldt hij wel de geschiedenis van Achabs dood, en de zamenzwering van Haman tegen het Joodsche volk; dan wordt wel melding gemaakt van de uitvinding der zwaartekracht door Newton, van die der boekdruk-

765

kunst door Laurens Koster, maar verzwegen wordt zoo menige treffende bijzonderheid uit de lijdensgeschiedenis, waaruit dit wel inzonderheid blijkt, b. v. de droom van Pilatus huisvrouw, in verband tot de veroordeeling van Jezus tot den kruisdood.

Wij zouden de lijst van zulke ontkenningen nog met vele kunnen vermeerderen. Wij zouden kunnen wijzen op de verzwijging van hetgeen naar Matth. 20: 28, Rom. 3: 23—62; 2 Cor. 5: 19—21 en 1 Petr. 2: 24 toch ook Bijbelleer is. Wij zouden kunnen vragen, waardoor de bewering dat het verstand van den moedwilligen zondaar verduisterd, uitsluitend op het zinnelijke gerigt wordt, terwijl de Bijbel ons leert dat wij verduisterd zijn in het verstand, vervreemd zijn van het leven Gods? Of wilt gij eene andere vraag? Wij vragen: waarom de H. Geest in zijne persoonlijkheid geloochend wordt, waarom met voorbijgang van zooveel plaatsen, die dat uitdrukkelijk leeren, die H. Geest wordt voorgesteld als óf eene andere spreekwijze voor God («God is de H. Geest bij uitnemendheid» bl. 52); óf als eene kracht Gods, werkende op Christus, op den vernieuwden mensch, op de gemeente? Eindelijk wijzen wij nog op eene hoofd-ontkenning, welke wel niet uitgesproken maar toch duidelijk genoeg geponeerd wordt in deze woorden (bl. 95): «Wij mogen hopen, dat God, die de liefde is, dien wij in Christus als onzen Vader kennen, ook dezulken tot zich zal wederbrengen (zij, die hier hun hart der zonde gewijd hebben). M. a. w. wij vinden hier de eeuwigheid der straf ontkend, aan welke wij gelooven, (zij het dan ook weenende, over hen die verloren zullen gaan), omdat Gods Woord ons dit zegt en het naar ons gevoelen met alle regelen eener grondige exegese in strijd is, om in Joh. 3: 36, aan het woord eeuwig in het eerste lid eene andere beteekenis te hechten dan aan dat zelfde woord in het tweede lid.

Zoo is dan ons oordeel over dit werkje niet gunstig. Wij nemen het niemand kwalijk, dat hij ons gevoelen verwerpt; maar wij eischen voor ons het regt, dat ieder bezit, en dat is:

766

publieke beoordeeling, van hetgeen onder de oogen van het publiek gebragt wordt. Al wat nu aangeboden wordt aan de aanstaande lidmaten der Ned. Herv. Kerk, moet door ons met waarachtigen ernst getoetst worden aan het Woord Gods, maar ook aan de belijdenis der Kerk. Dit is des te meer noodig, naarmate die afwijkingen van Schriftleer en Kerkbelijdenis meer bedektelijk worden voorgesteld. Wij verwerpen al wat met Gods Woord in strijd is en waarschuwen vooral tegen die werken, waarin bijna niets dan een transigeren met de waarheid gevonden wordt. Indien ooit, dan is het nu de tijd, om, met terzijdestelling van alle onedel en gevaarlijk woordenspel, rond en open voor zijn gevoelen uit te komen. Dan zal het geschieden dat aan velen, die nu nog, als anti-modernen, in de Ned. Herv. Kerk worden geduld, al is men het niet in alles met hen eens, werkelijk even goed als aan de modernen het regt zal kunnen betwist worden, om als herders en leeraars in die kerk werkzaam te zijn. Toen ik eenige jaren geleden het in ’t openbaar voor de adressanten van Amsterdam en ’s Hage heb opgenomen, in zake Dr. Meijboom en Dr. Zaalberg, heeft een ongenoemde in «de Godgeleerde Bijdragen,» den wensch uitgedrukt, dat de tijd komen mogt, waarop de tuchtroede der Kerk zulke monden deed zwijgen. Het is uit behoefte wanneer ik dezen wensch in zóóverre omkeer, dat daarvan eene bede wordt tot den Heer der gemeente: Mogen door de genadige werking van den H. Geest al die openbare of meer bedekte tegenstanders van de leer der zonde en genade veranderen in blijmoedige predikers van dat woord des kruises, dat dengenen, die verloren gaan, dwaasheid is; maar dat hun, die behouden worden, de kracht Gods en de wijsheid Gods zijn en blijven zal!

Bij zooveel aanmerkingen op den inhoud van dit werkje zijn bedenkingen met betrekking tot den vorm van minder gewigt. Ik mag echter niet verbergen, dat het van taalfouten wemelt. «Wie van u overtuigd mij van zonde?.» «Herrinnert» — «wordt veronachtzaamd» — «hij zou hen rust geven» — «er

767

is geen goeden oogst te verwachten.» – Wat de punctuatie aangaat, het schijnt dat de Schrijver de komma’s met handvollen door het geheele werkje heeft heengestrooid, onverschillig waar zij neerkwamen.

Maar gelijk ik reeds verklaard heb, dit is van minder belang, in vergelijking van hetgeen door mij is aangemerkt met betrekking tot den inhoud en ook — ik meen met goed regt — op grond van Gods Woord, door mij wordt veroordeeld.

Vaassen, J. G. Verhoeff.

October 1864.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag 761-767.

 

Verhoeff beroepen te Vianen

Ds. Jacob Gerard Verhoeff

VIANEN, 25 Sept.

De Kerkeraad heeft het beroepingswerk hervat en het drietal aangevuld met Ds. J. G. Verhoeff, Pred. te Vaassen, alphabetisch aldus: DD. C. P. de Meijer, te Warder; F. C. P. W. Meijlink, te Waddingsveen, en J. G. Verhoeff, te Vaassen, waaruit tot herder en Leeraar beroepen is, Ds. F. C. P. W. Meijlink, Pred. te Waddingsveen.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag. 698.

 

Verhoeff op twaalftal in ’s Gravesande

’s GRAVESANDE, 13 Sept.

Om te voorzien in de hier bestaande vakature is door den Kerkeraad geformeerd het navolgende twaalftal van Predikanten: DD. G. C. Boomer, te Ritthem; J. J. Eigeman, te Hengelo bij Zutphen; S. Hogerzeil, te Wijk bij Heusden; P. J. R. Laan, te Hoenderloo; P. Moll, te Wichmond; J. J. G. Moorrees, te Ommen; J. Mijs, te Oudenbosch c. a.; M. B. Pitlo, te Deurne c. a.; W. Sypkens, te Loosduinen; J. G. Verhoeff, te Vaassen, H. C. Voorhoeve, vroeger te Harlingen en J. Wette, op Rozenburg.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 1, 1864 [volgno 1], pag. 695-696