De missie-statie Vaassen (XLV)

We volgen deze week met de korte biographiën van de kapelaans te Vaassen van 1854 tot de komst van Pastoor Hagen in October 1927.

Joannes Henricus Mol, geboren te Utrecht in de maand Mei van 1840, priester gewijd 10 Aug. 1863, kwam 15 Febr. 1864 als kapelaan in bediening te Kabauw. In Dec. 1865 volgde zijn overplaatsing naar Jutfaas en in 1868 naar Eemnes. ’t Volgend jaar vinden we hem te Achteveld en weer een jaar later te Workum. Hier verbleef hij bijna 4 jaren en 6 Sept. volgt hij kapelaan Woldberg te Vaassen op. Slechts eenige maanden verbleef kapelaan Mol te Vaassen, want nog in ’t zelfde jaar vertrok hij naar Silvolde. Was ziekte de oorzaak van zijn spoedig vertrek? We vermoeden van wel, want z’n opvolger, kapelaan Gielen, verbleef aanvankelijk als assistent tegelijk  met hem eenigen tijd op den Oosterhof. Kapelaan Mol bleef tot 1876 te Silvolde, werd in 1876 pastoor te Leerdam en op 28 Juni 1887 te Werkhoven, waar hij 11 Nov. 1905 overleed.

Nocolaas Henricus Gielen, geboren te Utrecht in 1846, werd subdiaken te Rijsenburg 25 Febr. 1872 en priester 15 Aug. 1872 te Utrecht, kwam als assistent naar Vaassen en werd in 1874 kapelaan aldaar. Hij ging in 1876 naar Herwen, in Januari 1881 is hij kapelaan te Etten, welke plaats hij in Mei 1883 verwisselde voor Wegdam. In Febr. 1885 komt hij te Hamersveld en In Sept. 1886 te Oud-Zevenaar. In October 1889 wordt hij pastoor te Delfzijl, in Juni 1898 te Uithuizen en in Jan. 1906 werd hij opvolger van den zoozeer beminden pastoor van Brummen, Anthonius Albers, die 4 Januari aldaar overleden was. Het overlijden van pastoor Gielen is ons niet bekend geworden.

Dominicus Nijdam, geboren te Sneek 19 Mei 1847; door Mgr Schaepman subdiaken gewijd te Utrecht 15 Aug. 1871; verkreeg de wijding van het subdiakonaat 25 Febr. 1872 te Rijsenburg en ontving de H. Priesterwijding 15 Aug. 1872 te Utrecht. In 1873 is hij assistent te Bolsward en in 1876 kapelaan te Vaassen, doch reeds ’t volgend jaar bleek deze taak te zwaar en vertrok kapelaan Nijdam naar z’n geboorteplaats Sneek, om weder assistent te worden. In deze bediening overleed hij aldaar op 15 Nov. 1883.

Joannes Henricus Hendriks, geboren in 1841, werd door Mgr. Schaepman subdiaken gewijd te Utrecht 10 Aug 1868, diaken 31 Jan. 1869 en priester 10 Aug. 1869. Aanvankelijk kapelaan te Haaksbergen, vertrok hij in 1871 naar Lonneker en vandaar 6 jaar nadien naar Vaassen. In Januari 1879 gaat hij naar Borne en in Juli 1880 naar Eibergen. In Januari 1885 werd hij pastoor te Vriezenveen en in Febr. 1890 ziet Borne hem wederkeeren, maar nu vanzelfsprekend als pastoor. Hij overleed aldaar in 1915.

Joannes Everardus Arendsen, geboren te Doesburg 14 October 1850, is door Mgr. Schaepman subdiaken gewijd 15 Aug. 1874 te Utrecht, door Mgr. Van Ewijk tot diaken 14 Maart 1875 te Rijsenburg en door eerstgenoemden bisschop tot priester op 15 Aug. 1875 te Utrecht. Van het tijdstip zijner priesterwijding totdat hij in Jan. 1879 als kapelaan naar Vaassen kwam, ligt zijn verblijf voor ons in het duister. Precies 2 jaren vertoefde hij op den Oosterhof en ging toen naar St. Walburgis te Arnhem. Van Maart 1884 tot Maart 1889 was hij kapelaan te Montfoort en daarna tot Juni 1895 te Deventer, waarna hij pastoor te Zuidhorn is geworden. Ruim 3 jaren later stierf hij aldaar op 17 Oct. 1898.

Carolus Joseph Aloysius Otten, in 1847 te Groessen in Gelderland geboren, door Mgr. Schaepman te Utrecht tot subdiaken gewijd op 15 Aug. 1870, diaken te Rijsenburg 22 Jan. 1871 en priester te Utrecht 15 Aug 1871, werd in 1873 ons onbekend). Te Oud-Zevenaar stond hij ongeveer 8 jaren tot Januari 1881, toen hij naar Vaassen overgeplaatst werd, waar hij eveneens 8 jaren verblijven zou. Te Vaassen kwam in Maart 1889 zijn benoeming af tot pastoor van Didam, waar hij 12 Nov. 1908 overleed.

Jacobus Gerardus Berbers, in 1852 geboren te Utrecht en priester gewijd 15 Aug. 1879, kwam aanvankelijk in bediening als assistent te Soesterberg. In Mei 1882 werd hij kapelaan te Lobith, in Juni 1888 te Huissen. In Maart 1889 werd hij op den Oosterhof opvolger van kapelaan Otten. Tot Mei 1892 bleef hij te Vaassen het geestelijk ambt vervullen, kreeg daarna Veendam als standplaats en in Juni 1896 komt hij in Vosse. In de maand Mei van 1899 werd hij pastoor te Latterop. ’t Jaar 1906 bracht zijn benoeming als pastoor van Eibergen en twee jaar nadien werd hem het herderschap van De Lutte bij Oldenzaal op de schouders gelegd.