De missie-statie Vaassen (XLIII)

Pastoor van Haaren overleed te Vaassen op 4 Sept. 1874, blijkbaar na een kortstondige ziekte, want op 25 Augustus vonden we nog een doop-inschrijving van zijne hand. Meer dan 28 jaar had deze herder, de parochie en voormalige statie bestuurd en er een vruchtbaar arbeidsterrein gevonden.

Zijn opvolger was Joannes Franciscus Corbesier, geboren te Utrecht 15 October 1829. Priester gewijd in 1856, was deze achtereenvolgens kapelaan geweest te Olburgen, Veendam, Rijssen en Oud-Zevenaar, waarna hij in 1868 naar Klarenbeek vertrok om opvolger te worden van den eersten pastoor der in Sept. 1855 opgerichte parochie, Gerardus Bernardus Tusveld, die verplaatst was geworden naar Albergen. In Klarenbeek gaf pastoor Corbesier gedurende ruim 6 jaar zijn beste krachten aan de hem toevertrouwde geloovigen en begin Oct. 1874 ving zijn priesterlijken arbeid te Vaassen aan. Had hij te Veendam als kapelaan meer dan 9 jaren de zielzorg uitgeoefend in pastorale bediening vermocht hij dit tijdvak ook te Vaassen niet te benaderen, want na nog geen 6 jaar zijn verblijf op den Oosterhof gehouden te hebben, volgde in Juli 1880 zijn overplaatsing naar Netterden, onder het Dekenaat Groenlo. In October 1884 vroeg en verkreeg hij ontslag uit zijn geestelijke bediening en ging te Duistervoorde wonen waar hij op 1 Maart 1890 overleed.

Als opvolger van pastoor Corbesier kwam naar Vaassen de ZeerE. Heer Gerardus Petrus Wolff. Deze zou een veel grooter aantal jaren dan zijn eerwaarden voorganger met de herderlijke zorg te Vaassen belast zijn, het record van pastoor van Haaren, met bijna 28½ jaar pastorale bediening te Vaassen, zou door pastoor Wolff wel dicht benaderd, doch niet gebroken worden. Pastoor Wolff werd geboren te Utrecht in het jaar 1838 en werd te Rijsenburg door Mgr. Zwijsen sub-diaken gewijd op 17 Mei 1860. Door den op 26 Aug. 1860 tot bisschop van Hesebon gesacreerden Mgr. Andreas Ignatius Schaepman, werd hij op 22 Dec. 1860 tot diaken gewijd en door denzelfden werd hen ook de priesterwijding toegediend op 11 Aug. 1861. Zijn eerste standplaats als kapelaan kreeg hij te Kabauw, doch reeds in 1862 vinden we hem als kapelaan van Eemnes vermeld, terwijl hij 6 jaar nadien als zoodanig te Jutfaas stond. Reeds op 36-jarigen leeftijd werd hij pastoor te Vriezenveen en wel in April 1874, terwijl hij als pastoor van Vaassen het H. Sacrament des Doopsels voor de 1ste maal toedient op den 2en Sept. 1880.

Nog geen jaar later zou een sterfgeval niet alleen rouw brengen over “den Cannenborch”, doch geheel katholiek en ook niet-katholiek Vaassen, zou treuren om eene edele vrouwe, die heen was gegaan. Op den 5en Juni 1881 overleed de douairière in den leeftijd van 72 jaar en eenige dagen later werd het stoffelijk overschot van Charlotta Theodora Maria Mexandrina barones van Oldenzeel tot Oldenzeel “de laatste die den beroemden en zoo zeer geachten naam Van Isendoorn mocht dragen” grafwaarts gedragen. Laat ons onder uwe aandacht brengen, hoe dit sterfbed in den jaargang 1882 van den Gelderschen Volksalmanak beschreven is geworden:

“Het was dit jaar een schoone Pinkstermorgen, de 5e Juny, de Pinksterzon scheen onbewolkt en met volle kracht en Gelders ingezetenen, vooral zij, die met volle teugen het natuurgenot mogten smaken in zijne zoo fraaye boschrijke streken en vruchtbare velden, konden niet anders verwachten dan dat deze morgen hun een paar schoone dagen van kalmte en genot voorspelde. Doch, evenals die zeldzaam warme morgen, zooals in dit jaargetijde zoo menigmaal gebeurt, de voorbode was van storing in den dampkring, van onweder, wind- en regenvlagen, koude nachten en gure dagen, zoo vrees ik, dat hetgeen op dien heerlijken dag op den Cannenborch voorviel, ook voor Gelderland en allen die het lief hebben de voorbode is eener treurige toekomst.

Verplaatsen wij ons in gedachten derwaarts. Daarbuiten ademt alles rust en vrede, en vroolijk beschijnt de liefelijke voorjaarszon de oude tinten van het fraaije en beroemde kasteel; doch daarbinnen is het geheel anders; de doodstrijd wordt daar gestreden, de vrouw, die door hare statige deftigheid eenieder deed gevoelen, hoezeer zij dààr op hare plaats was, en die toch door hare minzaamheid, hare heuschheid en voorkomendheid iedereen voor zich innam, die het voorregt had haar te leren kennen –de laatste van den beroemden en zoozeer geachten naam Van Isendoorn mogt dragen – verdwijnt van het wereldtooneel…. Bij het vernemen dier treurmare, die op den Cannenborch zulk een vreeselijke tegenstelling gaf met de liefelijke natuur daarbuiten, rijst bij velen onwillekeurig de vraag: wat zal er nu van den ouden Burgt worden? Zal de Pinksterzon hem nu voor de laatste maal beschenen hebben? Of is er iemand genegen en – tevens bij magte – om een der oudste, fraaiste en beroemdste der nog overgebleven kasteelen van Gelderland, ja van geheel ons vaderland – en zij zijn nog maar zoo weinig in getal! – voor den ondergang te behoeden?

Zijn roem en glorie, lang reeds aan het tanen, zijn op het oogenblik geheel ten onder gegaan. Indien hij nu valt onder de moker des sloopers, staat hij gelijk aan den veldheer, die, na een roemrijken militairen loopbaan, op het veld van eer het leven laat en zijn roem niet overleeft. De Cannenborch kan zelf niet over zijn lot beslissen, anders deed hij wellicht als de trouwe hond, die niet wijkt van het graf zijn meesters en den dood verkiest boven het gezag van een nieuwen heer….

Moge de Cannenborch dan, hetzij hij nog lang gespaard blijve, hetzij hij met het edel geslacht, dat hem eeuwen lang tot sieraad verstrekte, komen te vallen, in elk geval velende waarheid van het zooeven gezegde ten volle doen beseffen, en hen in dat opzigt zoo noodig tot nadenken brengen tot hun eigen geluk voor tijdig en eeuwigheid”.

Meer en meer dan een halve eeuw, nadat dit geschreven werd, voorbij en nog staat de burcht, de oude schuilkerk van Vaassen, met z’n prachtige roestbruine muren overeind. In 1882 is het kasteel in publieke veiling gekocht door E. baron van Lynden en na diens dood in Sept. 1890 kwam het in het bezit van z’n zoon Mr. Dirk Rijnhard Bernard baron van Lynden, de de Cannenborch in 1905 aan een Duitscher Dr. R. Cleve verkocht. Vermeldenswaard is nog dat vóór den verkoop in 1882 aan baron van Lynden, verschillende meubilaire goederen van beduidende waarde in het kasteel aanwezig, door de meergenoemde firma en eigenaresse Cohen, Wolf en Co., verkocht zijn geworden. De fraaie gobelins werden den 18en April 1822 in “De Brakke Grond” (een bekend veilingsgebouw) te Amsterdam verkocht. Die van de benedenzaal brachten ƒ 3875 op, die van de bovenzaal werden opgehouden voor ƒ 9279 en en later aan een Engelschman voor ƒ 20.000 uit de hand verkocht. (Meededelingen omtrent het Oude Loo en den Cannenborch door F. A. Hoefer, Arnhem 1908. Uitgave van de Vereeniging “Gelre”).

Wijlen Dr. R. Cleve, die eenige maanden geleden, na meer dan 30 jaren eigenaar en bewoner te zijn geweest, overleden is, was een beschaafd mensch en was van goeden smaak, aan wien het zeer zeker te danken is, dat wat van het meubilair van het kasteel nog behouden is gebleven, ook later niet verloren is gegaan. De Cannenburch is zooals den meesten van U bekend zal zijn, door hem in exploitatie gebracht als hotel en restaurant, doch op eene wijze die o.i. alle lof verdient. Moge het zijnen erfgenamen gegeven zijn, in den geest der erflaters, zulks eveneens te doen.

 

Bronnen:

  • Gelderschen Volksalmanak, 1882
  • Meededelingen omtrent het Oude Loo en den Cannenborch door F. A. Hoefer, Arnhem 1908. Uitgave van de Vereeniging “Gelre”