De missie-statie Vaassen (XLII)

De heeren? Cohen, Wolf en Co. Die “de Cannenborch” met al wat er bij behoorde en ook het meubilair als hun eigendom konden beschouwen, klopten al spoedig bij de vruchtgebruikster, de douairière aan, met het verzoek om eens grondig inventaris op te maken. Of de douairière hun dit had kunnen beletten, behoeft op deze plaats niet bevestigd te worden. In elk geval kregen de eigenaars van de goedwillende vruchtgebruikster de toestemming een en ander te inventariseeren. Het groote vertrouwen der barones werd echter op schromelijke wijze misbruikt, want de heeren (we zullen ’t vraagteecken achter “heeren” nu maar weg laten) ontzagen zich niet alle kasten, kabinetten en andere bergingsplaatsen soms ongemerkt maar soms ook met verbijsterende brutaliteit (ze waren immers eigenaars!) omver te halen en den inhoud na te pluizen. Wat moet de barones wel droef te moede zijn geweest, bij een dergelijke zoozeer aanstoot gevende huisvredebreuk, die door deze heeren als gerechtvaardigd werd uitgekreten, omdat zij door het betalen der hoofdpenningen als de wettige eigenaars dienden aangemerkt te worden, wat hun echter nog niet het recht verleende op een dergelijke provoceerende wijze op te treden.

De laatste afstammeling der van Isendoorns had in zijn testament toch zeker een lacune gehad, dat zijn weduwe dit beschoren moest worden, een lacune die ernstige gevolgen met zich mee zou brengen en onheilen zou veroorzaken, die echter voor een groot deel op gelukkige wijze zou worden afgewend. Wat toch was het geval? De zeer indiscrete koopers van de onroerende vruchtgebruikgoederen hadden bij hun speurtocht in het kasteel een hun inziens goede vondst gedaan. Zij hadden namelijk aldaar gevonden de eigendomsbewijzen van den Oosterhof met bijliggende gronden, waartoe ook het perceel behoorde, waarop in 1832 het nieuwe kerkgebouw was verrezen. Tevens werden door hen 10 000 (tienduizend) “gouden Willempjes” die zij in een der meubelstukken vonden, medegenomen. De Oosterhof en ook het terrein waarop de kerk gebouwd was, waren, men wist immers niet beter, een geschenk van de van Isendoorns aan de kerk van Vaassen (men laat immers geen huis of kerk bouwen op grond dien men nog niet in eigendom bezit, want uit een dergelijke onverstandigheid zouden te allen tijde de meest onmogelijke verwikkelingen kunnen voortkomen). Hier hadden dus èn Pastoor Kleintunte èn Baron Frederik van Isendoorn beide een fout begaan. De laatste door in 1832 de eigendomsbewijzen niet op den Oosterhof te doen bezorgen en het verzuim van Pastoor Kleintunte bestond hierin, dat deze hierom niet verzocht schijnt te hebben.

Cohen, Wolf en Co. deden aan het Kerkbestuur van Vaassen een missive toekomen, waarin zij zich de rechtmatige eigenaars van den Oosterhof en het terrein waarop de kerk stond noemden, deze bezittingen aan voornoemd Kerkbestuur aanboden voor de niet onbelangrijke som van ƒ 20.000. Door het kerkbestuur werd deze vordering op goede gronden betwist en Mr. Leo van Nispen tot Sevenaer bood zich aan voor het verleenen van rechtskundigen bijstand. Zoo verliepen maanden en de firma had van haren aanvankelijken vraagprijs reeds ƒ 13.000 laten vallen, maar wilden tegen overgave der eigendomsbewijzen dan toch nog een bedrag van ƒ 7000 ontvangen, een som, die het Kerkbestuur niet bij machte was te betalen en die niet anders dan met groote opofferingen, die de parochianen zich zouden moeten getroosten, bijeen te brengen zouden zijn. Op den Vrijdag zou het proces in eerste geding in behandeling komen, doch op den Donderdagavond daaraan voorafgaande, kwam er een telegram van den toenmaligen Artsbisschop Monseigneur Andreas Schaepman, dat het proces geen doorgang mocht hebben.

Pastoor van Haaren en zijn beide kerkmeesters moeten wel ten einde raad zijn geweest. Doch evenals vele stormen, die Katholiek Vaassen in den loop der tijden al getrotseerd had, kwam er ook thans onder Hoogeren Bijstand weder uitkomst. De burchtvrouwe van den Cannenborch, van de nieuw geschapen moeilijke situatie kennis genomen hebbende, opende hare milde hand en schonk de benoodigde ƒ 7000 waarmede Cohen, Wolf en Co. tevreden konden worden gesteld tegen overgave der eigendomsbewijzen. De barones had de heeren inmiddels een proces aangedaan en vorderde de teruggave van de onrechtmatig medegenomen “gouden Willempjes”, daar het een ieder toch duidelijk zou moeten zijn, dat goudgeld toch niet tot den inboedel van het kasteel kon behooren en temeer daar de aanwezigheid van dit geld haar ook bekend was. Ondanks de eenvoudige, doch goede en overtuigende gronden, waarop het goed recht van eischeresse bepleit kon worden, heeft het toch meer dan 6 jaren geduurd (de heeren lieten de vette kluif niet gaarne los) alvorens een rechtterlijke uitspraak hier de beslissing bracht. De barones won het proces, de “gouden Willempjes” schenen inmiddels al verhandeld te zijn, doch Cohen, Wolf en Co. werden veroordeeld aan de barones te betalen een bedrag in guldens, vermeerderd met samengestelde interest tot een gezamenlijke som van honderdveertig duizend gulden, waaraan dan ook gevolg gegeven is. Uit dankbaarheid voor dit gunstig resultaat schonk deze edele weldoenster een bedrag van ƒ 20.000 voor de Roomsche armen van Vaassen.