De missie-statie Vaassen (XLI)

Sinds door Paus Paulus IV op 12 Mei 1559 het Bisdom Utrecht tot Aartsbisdom was verheven, hadden na den eersten Aartsbisschop Frederik Schenk van Toutenberg een drietal anderen deze hooge waardigheid bezeten, doch deze hadden door de beroerten der tijden hun geestelijk gezag niet op normale wijze bevestigd gezien.

Bijna 2½ eeuw na Sasbout Vosmeers dood zou de bisschoppelijke hiërarchie in de Noordelijke Nederlanden weder hersteld worden, want Paus Pius IX benoemde in Maart 1853 Mgr. Joannes Zwijssen tot Aartsbisschop van Utrecht en hiermede was het zegenrijk Aartsbisschoppelijk opperbestuur weder tot stand gekomen. Uit den aard der zaak was er nu geen inlandsche zending meer die onder het gezag van een Apostolischen Vicaris, Nuntius of Vice-Superieur stond, doch de Nederlandsche Bisschoppen met aan het hoofd een Aartsbisschop, regelden van toen af aan de kerkelijke aangelegenheden. De Missie-staties konden in parochies herdoopt worden en de wederopluiking van het Katholicisme, kon na zoovele jaren van onderdrukking meerderen en snelleren voortgang hebben. Ook de Missie-statie Vaassen bestond dus vanaf Maart 1853 in feite niet meer en diens Herder Pastoor van Haaren zal zich gelukkig geprezen hebben z’n parochie weder onder de goede zorgen van een Aartsbisschoppelijk gezag geplaatst te zien. De statistiek vervolgende tot 1855, kunnen we de volgende cijfers geven:

  Uit wettige huwelijken geboren Onwettig geborenen 1ste Heilige Communicanten Huwelijken Sterfgevallen Totaal der Katholieken Communicanten H. Communiën
1846 35 1 32 4 22 1200 824 n.b.
1847 25   41 8 22 1162 813 n.b.
1848 29 1 6 5 24 1212 842 n.b.
1849 44   34 5 14 1178 826 n.b.
1850 32 1 33 7 24 1239 870 n.b.
1851 31   16 10 26 1245 868 n.b.
1852 30 1 31 4 17 1247 874 7000
1853 35 1 20 7 18 ? ? 7100
1854 33   43 7 25 ? ? 7400
1855 32   25 13 17 1202 903 7600
1856 33   37 9 17 ? ? 7700

Als we nog vermelden dat er in 1754 een 360-tal communicanten waren; in 1758 een 10-tal meer; in 1777 opgeklommen tot 430, terwijl het getal van hen in 1841 de 800 overschreden had, kunnen we uit bovenstaande statistiek (ondanks dat Apeldoorn in 1846 pl.m. 15% tot zich trok) de gelukkige conclusie trekken, dat ’t Katholicisme in Vaassen wel vaarde.

Na Paschen 1854 vertrok kapelaan Henricus Meurs naar Veenendaal, waar hij tot pastoor benoemd was. Hier stond hij een 5-tal jaren, was daarna van Februari 1859 tot 8 Oct. 1867 pastoor te Vreeswijk en nadien te Azewijn, dat in laatstgenoemd jaar van Zeddam werd gescheiden. ’t Was hier dat hij op 22 Juli 1882 kwam te overlijden.

Als besluit van ons 40ste vervolg nog iets over de van Isendoorns. Reinier Albert Lodewijk baron van Isendoorn à Blois, die zijn geheele leven op “Den Cannenborch” had gewoond, overleed aldaar ongehuwd op den 4en Maart 1856 op ruim 70-jarigen leeftijd. Zijn andere gehuwde broeder en laatste afstammeling van z’n vermaard geslacht stierf meer dan 9 jaren later op 9 December 1865 in zijn 82ste levensjaar.

Na den dood van dezen Frederik Carel Theodoor van Isendoorn à Blois, heer van de Canneborch en van Félury in Henegouwen, kamerheer in buitengewonen dienst van de koningen Willem I, II en III van 1814 tot zijn dood, lid van de Prov. Staten van Gelderland uit de Ridderschap van 1814 tot 1848, werd over zijn nalatenschap een langdurig en ingewikkeld proces gevoerd, wijl zich vele personen opdeden, die vermeenden daarop geheel of gedeeltelijk aanspraak te hebben. Nadat deze zaak ruim anderhalf jaar voor de rechtbank te Arnhem was aanhangig geweest, deed deze eindelijk den 12en Nov. 1868 bij een zeer gemotiveerd vonnis uitspraak en besliste, dat door de overlegde stukken het volledig bewijs was geleverd, dat, met uitsluiting van alle overige nog in het proces zijnde partijen, tot de successie van wijlen den heer F. C. T. baron d’Isendoorn à Blois alleen gerechtigd waren:

  1. de heer F. J. Hallo, wonende te ’s Gravenhage, aan wien de heer F. C. J. baron van Venningen wonende te Baden, den voornoemden erflater van moederszijde in den 4en graad bestaande, diens rechten op die nalatenschap heeft gecedeerd, voor de helft;
  2. de heer F. C.L. van der Gracht de Rommerwael en echtgenoote gravin de Berlo, de graaf de Hamal en douairière van den baron de Sprimond, geboren de Hamal, wonende in België, die den erflater van vaderszijde in den 7en graad van bloedverwantschap bestaan, tezamen voor de andere helft;
  3. De douairière van den erflater als legatarisse en vruchtgebruikster.

De erfgenamen verkochten daarop hun erfenis, in casu het kasteel met al wat daar bij behoorde, aan de heeren Cohen, Wolf & Co. En hiermede was het trotsche voorvaderlijke stamhuis der van Isendoorns wel in zeer ongure handen gevallen, gelijk we de volgende week hopen uiteen te zetten.