De missie-statie Vaassen (XXXVIII)

Bij den dood van Pastoor Maas in ’t jaar 1827 woonden op de “Cannenborch” (die toch zulk een voorname rol in onze opstellen gespeeld heeft) de twee ongehuwde van Isendoorns Frederik Carel Theodoor en Reinier Albert Lodewijk. Hun vader was reeds 27 jaren geleden ontslapen en de kasteelvrouwe had hem lang overleefd, doch op 15 April 1822 was ook voor haar het uur van scheiden daar geweest, ’t welk te Nijmegen voorviel. De oudste der barons (deze titel was bij Koninklijk besluit van 20 Augustus 1822 aan hen en hunne wettige nakomelingen verleend) was reeds 43 jaren en evenals z’n twee jaar jongeren broeder nog ongehuwd. Het voortbestaan van ’t geslacht Van Isendoorn, wier eenigst overgebleven afstammelingen in de rechte lijn zij waren, hing hier dus aan een zijden draadje. Toch zou de oudste baron, ’t zij dan ook 20 jaar later, op den voor een eerste huwelijk zeer ongewonen leeftijd van 63 jaar den grooten stap nog wagen, waarover later meer uitvoerig nog een en ander medegedeeld zal worden.

Maar laten we de “Cannenborch” weer eenigen tijd verlaten en ons naar den Oosterhof begeven, om aldaar te kunnen vaststellen dat na het vertrek van den deservitor, den WelEerw. Heer A. B. H. Schaepman, de pastoor van Zeddam, Jacobus Kleintunte, aldaar in functie kwam. Deze zeer eerwaarde herder was in 1789 te Harderwijk geboren en na te ’s Heerenberg theologie te hebben gestudeerd, kwam hij na zijne priesterwijding, die 13 Juni 1813 geschiedde, aanvankelijk als kapelaan te Didam om daarna als zoodanig benoeming te krijgen voor de St. Walburgis te Arnhem. Reeds in 1818 is hij pastoor en wel te Wijnbergen bij Doetinchem, waaronder ook laatstgenoemd stadje behoorde. In ’t jaar 1674 werd den katholieke geestelijken het verblijf in de stad Doetinchem verboden en moesten de geloovigen van toen af kerken op het huis de Kemnade en vanaf pl.m.1730 in ’t naburige Wijnbergen. Eerst in 1847 kreeg Doetinchem wederom een eigen parochiekerk, toegewijd aan de H. Maagd onder den titel Harer Hemelvaart.
Na vijf jaren als pastoor te Wijnbergen z’n verblijf te hebben gehouden, vertrok Pastoor Kleintunte in 1823 vandaar om alstoen de herderlijke zorg van Zeddam op zich te nemen. De parochie onder patronaat van den H. Oswaldus, bestuurde hij aldaar, evenals te Wijnbergen, niet langen tijd, want reeds in 1827 komt hij naar Vaassen. In ’t doopboek teekent hij aan:

“Copi stationem meam in Vaassen hac die 5ta Decembris 1827 J. C. Kleintunte”

ofwel

“Ik heb mijne statie aanvaard op dezen dag den 5en December1827”.

De eerste afwassing der erfzonde geschiedt door hem bij Joanna, dochter van Gerardus Hendriksen en Gerarda Jansen. ’t Was onder Pastoor Kleintunte, dat aan de overzijde van den Oosterhof een nieuw kerkgebouw zou verrijzen dat dringend noodzakelijk geacht mocht worden te zijn. Met de voorbereidende pogingen om hiertoe te geraken was reeds onder Pastoor Maas een aanvang gemaakt, onder Pastoor Kleintunte zou de kroon op ’t werk worden gezet. In ’t uitgebreide standaardwerk “De Katholieken kerken in Nederland” uitgegeven door Dr. P. J. H. Cuypers met tekst voor Jan Kalf vinden we een afbeelding van dit kerkgebouw met de aanteekening:

“Het huis Oosterhuizen of, zooals het thans genoemd wordt, Oosterhof, met de daaraan verbonden kerk welke slechts een schuur was, kon alleen bij nood aan zijne bestemming voldoen, maar toch bleef alles in dien toestand, totdat ook door het toenemen der bevolking meerdere ruimte volstrekt noodig werd. Nadat de WelEerw. Heeren Maas en Kleintunte, achtereenvolgens pastoors der gemeente zich vele moeiten en opofferingen ter bekoming eener doelmatige kerk getroost hadden is de nieuwe, thans in gebruik zijnde kerk in ’t jaar 1930 (moet zijn 1830) gebouwd. De bouw dezer kerk werd door het kerkbestuur (den Z.E. heer J. C. Kleintunte pastoor ende kerkmeesters L. Koekkoek en H. Mentink) toevertrouwd aan een kundig timmerman, Tim de Bruin te Epe en de uitvoering, na aanbesteding gegund aan Mr. Buddeke te Deventer. Den 18en Juli 1832 werd het kerkgebouw door den Hoogeerw. Heer Joannes Gerritsen ingezegend”.

Over deze inzegening treffen we in ’t doopboek tusschen doopinschrijvingen op 17 Juli 1932 en 9 Augustus 1832 de volgende aanteekening:

“Per Pertuam ejus Memoriam! Sub patricinio Sancti Jacobi Apostoli hac die Decima Octava mensis Julii Anni 1832 Novum Templum ab Amplissiomo Domino Gerritsen Archi-Presbytero Districtus Gelriae assistenti Admodum Reverendi Domino Berendsen Pastore in Sevennaer benedictum….”

Hieruit zien we dat de inwijding van het nieuwe kerkgebouw door den Aartspriester van Gelderland geschiedde met assistentie van Pastoor Theodorus Wernerus Berendzen, pastoor van Zevenaer, die een ruim jaar later op 24 Dec. 1833 aldaar op 58-jarigen leeftijd overleed. De gelden voor de totstandkoming van het kerkgebouw, zijn door de parochianen, voor wat ’t grootste gedeelte daarvan betreft, bijeengebracht, doch ook het rijk heeft een subsidie verleend. Ook is nog een gift groot ƒ 300.- ontvangen van Gravin Henriette d’Oultremont, de latere tweede gemalin en douarière van Koning Willem I. Zooals men weet was deze gravin met wie Koning Willem I twee jaren voor z’n dood huwde, katholiek.

 

Bronnen:

  • “De Katholieken kerken in Nederland” uitgegeven door Dr. P. J. H. Cuypers met tekst voor Jan Kalf