De missie-statie Vaassen (XXXIII)

Deze week vervolgen we met onze lezers wederom te citeeren uit het familie-relaas der Davina’s en meer speciaal waar het betreft Franciscus Davina, die van 1751 tot 1754 als pastoor te Vaassen stond. Als volgt staat er te lezen:

“Desen Hermanus Davina iss mett zijn voorgemelde vroue getrout in het jaar dusent seuvenhondert en dertíen den neegentienden Appril en daar bij heeft hij gewonnen elff kinders: Joanna, Maria, Maria, Franciscus, Machtildis, Hendrika, Gaberjel, Hendrika, Gaberjel, Christina en Lamberta”.

Nadat eerst van het drietal eerstgeboren dochters gewag wordt gemaakt, wordt over Franciscus o.a. het volgende medegedeeld:

“Franciscus is geboren in ’t jaar 1718 den 26 Augusti in syne kintshyt is hij zoo dikke en vett geweest, dat alle weerelt die hem sag off hoorde, sig daar over verwonderde, hij wierde geappliecirt te Oldenzaal op de latijnsche schoole maar met wijnig vrugten, indien hij alle syne sinnen en gedagten stelde op de sotte liefhebberije van hoonders en duiven en de voorsienige sorge des ouders kote hem niett daarvan afftrekken… deswegen sonden sij hem naa Amsterdam om sig in de wijnnegstien (z’n vader Hermanus Davina had een handel in wijn en sterke dranken) te ooffenen. So is hij eerst geweest bij enen Tromp op ’t Lysse Palyn, die ene volle nigte van hem ten heuwelijk hadde, maar terwijl de keuken voor hem wat sligt scheen te wesen, daar hij sy goot bij sijne ouders gewoent ware, nam hij met de twaalff weke de ryse weer naa huis aan.

Noa als hij daar omtrent een jaar weer geweest ware wierde hij van syne ouders bij eenen Hermanu ten Dam een neeff van syn moder gedaen, wonende op de Weseperstraat, doch ’t selve ongeluk dreeff hem ook van daar en soo quam hij bij enen Antonius Houtwijk, wijncooper op den Haarlemmerdijk; alwaar hij twee jaar gestaan heeft, middeler tijt scheen God hem in te geven, tot wat staat hij hem hadde beroopen, dan bij begoste liefde te krijgen tot de studie en den arbyt begoste hem te vervelen, waarvan hij menigmaal door brieven heeft kennisse gegeven aan syne ouders, maar hij kloppende voor een doovemansdeure, terwijl syne ouders sig spiegelden in syne vorige studie…..Daa naa, te weten naa de twe jaaren, is hij gekoomen bij enen wijnkoper Breuns, waarbij groote gelegenhyt was om wat te leeren, maar terwijl hij meer instantien te doen bij syne ouders en beteugde met drovige penne syne groote affectie die hij tot ’t studeeren, eindelijk sagen de ouders dat ’t eernst ware en lieten hem te teus koomen om te laten studeren; ziet hoo wonderlijk dat Godt syne middels in ’t werk stellet om de mensch te beroopen off te trekken tot den staat tot welke hij den mensch beroopen heeft. O altitudo divitiarum sapientis et…. Dei etc. zoo heeft zijn vader met enige vrinden hem gebragt in ’t jaar 1738 dan 26 Augustus (dus op z’n 20en verjaardag) naa Cossvelt. Van syne vorige studie wiste hij genoegsaam niets meer. Edoch heeft hij sig door zijnen vlijt en door de goode en loffwaardige instructie van Karman, oudtste Rectoer van S. Lambert, zoodanig geooffent en bequaam gemaket, middels ook de gratie Godts, dat hij in ’t jaar 1739 om alderhyligen na de derde school met verwonderinge van den Proscetus? Haaver wierde geadmistreert voor als hij de studie daar absolveert hadden is hij gegaan naa Munster om de studie daar te vervorderen, daarna is hij in ’t jaar 1745 gegaan naar de academie van Leuven en heeft daar gestudeert een jaar en vier maant en naa als hij de examens gelukkig gedaan hadde, heeft hij sacramentum corfirmationes ordinis minoris subdiaconatum et liaconatum ontfangen van den Arsbisschop van Meggelen, Cardinaal van Alsatien, maar Presbyteratum heeft hij ontfangen van den suffragaan van Leuk binnen Leuk op Paasavont 1746 en dit geschiedde terwijl nog in Flaanderen nog in Brabant wegens ’t gevaar op de wegen geen bisschop wijdinge anstelde. Binnen Oldenzaal op Hemelvaart Christi heeft hij sijnen eersten dienst gedaan en hij is tot nun toe nog in sijn ouderlijke heus bij zijne ouders en heeft syne exercite te Oldenzaal en heeft voor een korten tijt tusschen die tijt den enen en den anderen omleggenden pastoor wel assisteret als Heer Vissinck, Heer Nieuwenheus, Mr. Hommels etc. Hij is in ’t jaar 1748 den 26 Augusti op sijn geboortedagh als capelean gesonden naa Haxbergen bij den Heer Theod. Lanssinck die in ’t jaer 1751 nae den doodt van Cremer Arspriester en Pastoor van Ootmersum is aarspriester van Twente geworden. Deze ledige statie van Ootmersum hadde mijn (let op dit mijn, waaruit ten duidelijkste blijkt dat Pastoor Franciscus Davina de schrijver is van dit familierelaas) regchtswesen toegekomen, maar door dien men solliciteerde bij Beer aarspriester van Sallant te Swolle toe wass ondertusschen Helten doemaals Pastoor de Vaassen soo door hem als deur den aarspriester van ’t Singen Heer Hetterman bij den Nuntius Crivelli voor die ledige statie gerecommandeert, waar over Heer Hetterman zick daar naa beevaart vonde, als hij hoorde datt ik nog iin Twente waar, en schreeff daar over het nieuws naa Brussel maar met als de brieff afgingen kwam tot myn ongeluck de sendinge voer Helten, also datt de brieff voor mijn van de post terug gehaalt wierde.

Den 10 Octt 1751 deur scriven van Heer Beer kreeg in sendinge op Vaassen en Cannenborg op de Veluwe, alwaar ik ben geweest tot ’t jaar 1754 den 28 Jan.

Hebbe in die maant de sendinge gekregen deur recommandatie van Heer Lanssinck op Soesfelt en Deuringe, alwaar in festo purificationis den eersten dienst hebbe gedaen, maar hebbe daer veel moyelyckheyt gehadt doordien de gemeente wass opgeroit om Peeze te willen houden, die cappellaan bij Hr Vissinck wass geweest”.

Tot zoover de aanteekeningen van den pastoor, waar we in een volgend artikel op hopen terug te komen. Kapelaan Peeze, waarvan hierboven sprake is, werd de opvolger van Pastoor Davina op “Den Cannenborch”.