De missie-statie Vaassen (XXXI)

Als opvolger van Pastoor Petrus van Elderom kwam in Aug. 1740 te Vaassen den herdersstaf opnemen Nicolaas Bleekers of Bleker. Van dezen pastoor zijn zeer weinige gegevens tot ons gekomen, doch zeker is dat hij in 1741 op “Den Cannenborch” zijne zending vervulde. In een verslag door de kerkelijke overheid bij de nuntiatuur te Brussel ingediend en door den meermalen voornoemden Pater-Jezuiet Van Lommel opgenomen in ’t eerste deel van ’t Archief voor de Geschiedenis van het Aartsbisdom lezen we:

“Pastoratus Cannenurgensis Huic de facto inservit N. Ds. Bleker. Acquisivit istan stationem vel saltem incepit administrare circa festum S. Laur. 1740. Habet facultatem binandi. Praedecessor ejus fuit. N. Ds. Petrus van Elderom Arnhemium missus”.

’t Kon dus aan geen twijfel onderhevig zijn dat Pastoor Bleekers of Bleker de opvolger is geweest van Petrus van Elderom. We namen nog inzage van een manuscript, waarin melding wordt gemaakt dat zekeren Pastoor Bleker, tijdelijk de zielzorg waarnam in de statie Duistervoorde, waar de Franciscanen-Pater Joannes Kippingh van 1727 tot 1746 stond, maar een tijdlang aldaar verbannen werd. Pastoor Bleekers of Bleker schijnt de statie te Vaassen niet lang bediend te hebben, vermoedelijk in 1743, ’t jaar van z’n vertrek, doch niet onmogelijk is, dat dit in 1745 voorviel.

Als zijn opvolger kan in de rij der Vaassensche zielzorgers geplaatst worden Joannes Henricus Helters, die wij ook vermeld vonden als Henricus Joannes en Jacobus Hendricus heetende, geboren te Ootmarsum. Volgens een geschrift van wijlen Pastoor Geerdink moet deze alvorens in Vaassen standplaats te vinden, te Hoonhorst bij Dalfsen de herderlijke zorg gehad hebben. In de priesterlijsten door wijlen Deken A.A.J. van Rossum opgesteld, komt hij als zoodanig niet voor en is er niet te plaatsen. Wellicht was hij aldaar deservitor? In ’t jaar 1745 is hij zeker op “Den Cannenborch” waar hij een zestal jaren den herderstaf zou voeren. In Oct. 1751 volgde z’n benoeming tot Pastoor van de statie onder patronaat van de H.H. Simon en Judas in z’n vaderstad Ootmarsum. Bijna een halve eeuw zou hij hier verblijven, want ’t was op 20 Mei 1801, dat hij aldaar in hoogen ouderdom overleed.

Van den opvolger van Pastoor Helters zijn ons uit een werkje, uitgegeven door de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis” en getiteld “Geschiedenis van den Hof Espelo, zijnde eigenaren en bewoners door Mr. G. J. ter Kuile”, meerdere interessante gegevens bekend geworden, die ons nuttig lijken in deze stoffe te verwerken. De nieuwe herder, die den 10den Oct. 1751 “de Cannenborch” betrad, heette Franciscus Davina. Z’n overgrootvader, Philippus Davina geheeten, was een Franschman van geboorte, die in 1605 met Don Ambrosius Spinola te Oldenzaal kwam, als officier in krijgsdienst bij de inname der stad in dat jaar. Deze Philippus Davina huwde aldaar met Margaretha van Vucht, eene weduwe die gehuwd was geweest met zekere Jacobus Jonckbloet. Uit dit huwelijk werd als jongste van een vijftal kinderen geboren Gabriël Davina, die eveneens te Oldenzaal, huwde met Machtildis van Boonen. Diens vierde zoon, Hermannus Davina huwde 19 April 1713 met de zeer jeugdige Cantharina Hampsinck en ’t was uit dit huwelijk dat op 26 Aug. 1718 als vierde spruit (’t kindertal zou tot elf opklimmen) geboren werd, een zoon, Franciscis genaamd, in wien we te begroeten hebben, den 4den Vaassenschen Pastoor, die tot den rang van Aartspriester zou opklimmen. Volgens bovengenoemd werkje bevond zich ten jare 1908 in ’t bezit van Mevr. De Wed. B. G. Cromhoff-ter Meulen te Enschede, een klein in kalfsleer gebonden boekje, behelzende een familierelaas van het geslacht Davina. De genealogie hierin verwerkt is van niemand minder, dan van Pastoor Franciscus Davina, voor zoover het de aanteekeningen betreft, van na 1746. Een volgende maal hopen we U uit deze familiebeschrijving, wat voor deze schetsen belangrijk geacht kan worden, te citeeren.

Ter oriëntatie onzer lezers diene, dat een jongere broer van den pastoor, Gabriël Davina door zijn huwelijk met Maria Agnes Hofmeijer “De Hof van Espelo” een heerengoed dat van oudsher tot de goederen der proosdij van het kapittel van St. Pieter te Utrecht had behoord, in zijn bezit had gekregen.