De missie-statie Vaassen (XXX)

Zooals eerder gezegd was in 1722 als pastoor op “Den Cannenborch” gekomen Nicolaas Hollanders van Velzen, die hier evenals te Utrecht een zeker voor een priester weinig stichtelijk leven leidde. De als strafmaatregel bedoelde overplaatsing van de statie van St. Servatius te Utrecht naar de Veluwe, heeft niet het zoozeer gewenschte resultaat, namelijk het met den noodzakelijken ijver en plichtsbetrachting zich wijden aan de kudde, gebracht. Ook te Vaassen liet ’t gedrag aan dezen pastoor alles te wenschen over. In het versclag over den toestand der Hollandsche Missie tusschen de jaren 1721-1724, opgemaakt en naar Rome verzonden, door den laatsten der Apostolische Vicarissen in Noord-Nederland, den Hoogwaardigen Heer Joannes van Bijlevelt en door Pater A. van Lommel S.J., gepubliceerd in ‘t 22ste deel van ’t Archief voor de Geschiedenis van het Artsbisdom Utrecht, wordt van de misdragingen van dezen pastoor op uitvoerige wijze melding gemaakt. In dit bestek lijkt ’t me bij nader inzien om tweeërlei redenen minder geschikt hier nader over uit te weiden. Wel mag als feit geboekstaafd worden dat Pastoor Hollanders v. Velzen de gastvrijheid der van Isendoorns, wel zeer geschonden blijkt te hebben.
’t Zal mede op aandrang en getuigenis van Frederik Johan van Isendoorn à Blois geweest zijn, dat Pastoor Hollanders van Velzen door zijne kerkelijke overheid van “Den Cannenborch” is verwijderd geworden. Ook de oud-pastoor van Vaassen Joannes Ophuys, toen zooals we weten pastoor in “Het Steegje” te Zwolle en Aartspriester van Salland, schijnt in deze zaak geraadpleegd geworden te zijn. Het einde was, dat Pastoor Hollanders van Velzen in ’t Convent der Paters Capucijnen te Leuven geplaatst is geworden, om boete te doen voor zijne misslagen. Na een ongeveer één-jarig verblijf te Leuven schijnen er voldoende waarborgen aanwezig geweest te zijn om aan Pastoor Hollanders van Velzen wederom een pastoraat, ’t zij dan provisioneel, toe te vertrouwen. In 1724 werd hij met de zorg over de statie Drempt-Olburgen belast. ’t Was hier dat hij de bijzondere achting en vriendschap genoot van den Prins van Oranje Nassau, Willem Karel Hendrik Frise (Stadhouder Willem IV), die meerendeels in de nabijheid op z’n jachtslot te Dieren z’n verblijf hield.

Op den 18den Jan. van 1749 volgde hij Pastoor Antonius Creuwel te Doesburg op (ook te Vaassen was hij in 1722 dezen opgevolgd). Hij was de 6 kruisjes toen reeds gepasseerd, maar bijna 30 jaren zouden dezen herder nog gegeven worden, als den naar geest en hart gelouterden zondaar, zich op meer verheven wijze aan de hem toevertrouwde kudde te wijden. In den wel zeer hoogen leeftijd van 91 jaar overleed hij te Doesburg en hoe groote schaduwen ook moge gevallen zijn en meer speciaal te Vaassen op het leven van dezen herder, het berouw dat bij hem door Gods genade niet te laat is ingetreden, heeft toch ook weer de zon doen doorbreken, die z’n nog zoo langdurig later leven, weer mild beschenen heeft.

Na ’t vertrek van Pastoor Hollanders van Velzen van “Den Cannenburch”, schijnt de bezetting van ’t pastoraat eenigen tijd onvervuld te zijn gebleven en is de zielzorg vanuit Duistervoorde of wellicht ook door Gerard Hesseling van Eerbeek en de Horst waargenomen, maar zeer waarschijnlijk in ’t jaar 1724, doch zeker 4 jaar later vinden we als Pastoor van “Den Cannenborch” vermeld Petrus van Elderom, een Brabander, te Grave aan de Maas geboren en omstreeks 1721 te Antwerpen tot priester gewijd. Tot 1724 stond hij te Deventer, waar Jacobus Heezelaar Pastoor was, als Kapelaan, misschien beter gezegd missionaris, daar de stedelijke overheid geen tweede Pastoor aldaar duldde. Z’n verblijf te Vaassen liep tot 1740, toen hij Pastoor werd aan de statie van St. Jan te Arnhem. In 1753, slechts betrekkelijk korten tijd voor z’n dood, werd ook hij evenals z’n voorgangers Joannes Ophuys en Antonius Creuwel tot de hooge waardigheid van Aartspriester geroepen. Als pastoor van St. Jan en aartspriester van Gelderland, overleed hij te Arnhem op 20 Jan. 1755.

 

Bronnen:

  • Archief voor de Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht, deel II