De missie-statie Vaassen (XXVIII)

Als opvolger van Pastoor Ophuys mochten de Vaassense Katholieken begroeten Antonius Creuwel. Deze was te Baak geboren op 19 Oct. 1679 als zoon van Baron Herman Creuwel en Sibilia Roller. Hij werd priester gewijd 29 Sept. 1704 en had als kapelaan in de statie van St. Jan te Arnhem dienst gedaan onder Aartspriester Steven van Lent, pastoor aldaar. Tot 1722 heeft Pastoor Creuwel Vaassen gediend, want op 17 Febr, van dat jaar volgde zijne overplaatsing naar Doesburg. In 1751 volgde zijn benoeming tot Aartspriester van Gelderland en in 1755 is hij overleden.

Op “De Cannenborch” konden we in 1722 toen Pastoor Creuwel Vaassen verliet, nog aantreffen Douarière van Jan Hendrik van Isendoorn, de meergenoemde Margaretha van Reede, terwijl haar zoon, Frederik Johan van Isendoorn à Blois, na den dood van z’n ouderen broeder, Elbert Godart, met “De Cannenborch” beleend was. De jeugdige kasteelheer was te Utrecht geboren (waar z’n vader toen in garnizoen lag) op den 10den Sept. 1699 en droeg na z’n huwelijk in 1726 eene voorname rij titels, o.a. was hij Baron van Cortshem, Desserer en Wintershoven, vrijheer van de stad en vrijheid Beringen, heer van “De Cannenborch”, van Orey, Moll, Balen, Deschel en het hof te IJzendoorn, van Rossenburg, Grandville, het land van Oostham, van Quamechelen en Beverlo, terwijl hij op 27 Maart 1721 geadmitteerd was als ambtsjonker van Epe. Hij huwde te Vaassen 11 April 1726 met Anna Margaretha Josepha, gravin van Renesse von Elderen, geboren te Elderen 15 Maart 1703, chanoinesse te Maubrugge, dochter van Maximiliaan Hendrik, graaf van Renesse en van Mosny, baron van Elderen, enz. en van Margaretha Elisabeth Sophia van Stepraedt van Walbeck. Door dit huwelijk “kwamen de Van Isendoorns er weer bovenop”, want Frederik Johan van Isendoorn erfde hierdoor al de goederen der Renesses van Elderen, waaronder ook het Hof te IJzendoorn. Ruim een maand na het huwelijk van haar zoon, op den 31sten Mei 1726 stierf de douarière op “Den Cannenborch”. Voor haar moet het eene groote vreugde geweest zijn dat de zorgelijke omstandigheden waarin zij in haar hoogen stand zoovele jaren had moeten verkeeren, aan haren zoon, van toen af aan, niet beschoren zou zijn. Uit het huwelijk zou een rijken kinderzegen ontspruiten, een negental malen heeft de doopvont ter kerstening van een jonge loot voor ’t Van Isendoorn-geslacht dienst moeten doen en toch zou dit geslacht eerlang gedoemd zijn uit te sterven, al zou hier nog bijna 1½ eeuw over heen gaan.

Als opvolger van Pastoor Creuwel kwam in 1722 naar “Den Cannenborch” de 46-jarige priester Nicolaas Hollanders van Velzen. Van dezen is bekend dat hij in 1716 als kapelaan stond in de Molstraat te ’s Gravenhage, waar Joannes van Bijlevelt toen als pastoor werkzaam was. Toen deze laatste in October 1717 tot Vicarius Apostolicus was benoemd, zond hij kapelaan Hollanders van Velzen naar Hilversum om, evenals door Pastoor Ophuys reeds vruchteloos beproefd was, nogmaals een poging te wagen om den ingedrongen Jansenistischen pastoor Joannes de Jonge, te vervangen. Ook hem mislukte dit en op 2 Jan. 1718 werd hij pastoor in de statie van St. Servatius, meer bekend onder de naam “Onder de Linden” te Utrecht. Pastoor Hollanders van Velzen was, gelijk onze lezers nader blijken zal, een priester die niet uit ’t goede hout gesneden was. Eerst in de herfst van zijn leven zou de kentering ten goede komen, nadat hij meermalen door een weinig stichtelijk leven, aan zijne kerkelijke overheid en de hem toevertrouwde kudde, zooveel ergernis bezorgd had. In 1722 werd hij “post poenitentiam” van Utrecht naar Vaassen overgeplaatst, maar na korten tijd ging het ook hier weer niet goed.