De missie-statie Vaassen (XXVII)

Joannes Ophuys is de eerste pastoor van Vaassen, waarvan we onze lezers eene vrij uitvoerige levensbeschrijving kunnen geven. Om de volledigheid onzer opstelling niet te schaden, lijkt ’t ons dan ook nuttig, een en ander te doen plaats vinden. Hij werd geboren in ’t jaar 1660 te Osnabrück in Westphalen en voltooide in z’n geboorteplaats de humaniora, terwijl hij in Munster theologie studeerde. Omtrent de eeuwwisseling, maar zeker zooals eerder vermeld, stond hij in ’t jaar 1702 als pastoor op “Den Cannenborch”. De jonge priester, wellicht een late roeping, omreden van een vorige standplaats niets blijkt, zal in Vaassen een vruchtbaar arbeidsterrein hebben aangetroffen. De statie was, zooals we als bekend mogen veronderstellen, van uitgebreiden omvang en groote uitgestrektheid, zoodat de nieuwe pastoor zich, evenals zijne voorgangers, voor eene allerzwaarste taak geplaatst zag.

Toen door den dood van den kasteelheer, Jan Hendrik van Isendoorn, de boedelscheiding aan de orde kwam, blekende financiën van den overledene nu niet van dien aard te zijn, dat van een behoorlijk vermogen kon gesproken worden. De douarière was zelfs verplicht tot betaling van dringende schulden een gedeelte van den inboedel te verkoopen. ’t Zullen dan ook zeker deze minder gunstige financieele omstandigheden geweest zijn, die oorzaak zijn geweest dat “De Swanenborch” in Protestantsche handen overging en Pastoor Ophuys naar eene andere gelegenheid, waar de H. Diensten voor Epe en omgeving konden verricht worden, had uit te zien. Uit het archief van de parochie van den H. Martinus te Vaassen werden mij door den zeereerwaarden herder Pastoor J.H.M. Hagen, in verband met het voornemen tot het schrijven van deze artikelen, op buitengewoon welwillende wijze, alle inlichtingen verstrekt. O.a. is mij door Z.Z.E. ter hand gesteld geworden een “Registrum Memoriale Parochiae” van Vaassen en Epe. Van deze plaats geworde Pastoor Hagen m’n dankbaarheid en heuschen groet!

In vorengenoemd register lezen wij o.a.:

“De R.K. gemeente van Epe was gedurende vele jaren verstoken van kerk en pastorie. Vele bijzonderheden kunnen niet worden opgegeven. Evenwel weet men dat op het kasteel Zwanenburg te Vorgten aan den IJssel gelegen, destijds aan de adelijke familie D’ Isendoorn à Blois toebehoorende, een getrouw priester zich op hield, waardoor aan de katholieken van Epe en Heerde de gelegenheid was gegeven de H. Diensten op Zon- en Feestdagen bij te wonen en de overige godsdienstplichten te vervullen. Deze staat van zaken duurde, men weet niet hoe lang, maar zeker vele jaren en toen omtrent het jaar 1700 het kasteel Zwanenburg in handen van een protestant overging, nam de voornoemde adelijke familie de godsdienst in bescherming door op een haar toebehoorende boerderij te Vemde, eene buurt op halfweg tusschen Epe en Heerde gelegen, een kamer af te zonderen tot viering der H. Geheimen.”

Men ziet hieruit dat de Van Isendoorn, ook in tijden dat ’t hen minder goed ging – de financiën zouden zich later echter weer herstellen – de edele beschermers bleven der Vaassensche katholieken.

Onze nasporingen hebben er toe geleid, met vrij groote zekerheid te kunnen vaststellen, dat de pachthoeve van “De Cannenborch” die te Vemde als bijkerk van de statie Vaassen meer dan eene eeuw gebezigd is geworden, de woning was van Lambertus Koekkoek, die als eerstgeborene van een zijner zonen een naamgenoot zag geboren worden, die op zijn beurt wederom de vader werd van Albert Lambertszoon Koekkoek, die op den 23en Mei 1876 overleed in den ouderdom van 75 jaren en in zijn leven gedurende het lange tijdvak van 31 jaren, als kerkmeester de missiestatie en parochie Vaassen mede had helpen besturen.

Maar laat ons thans de biographie vervolgen van den eerwaarden herder, onder wiens ontwijfelbaar wijs beleid, de Vaassense statie nog hechter gefundeerd moet zijn geworden. Na zijn terugkeer uit Hilversum, heeft Pastoor Ophuys naar alle waarschijnlijkheid nog een tweetal jaren te Vaassen zijne zending vervuld. Wij vinden echter ook melding gemaakt dat hij in 1707 als kapelaan hulpe bood aan Dr. Alardus Titzing, destijds pastoor aan de statie van St. Jacobus te ’s Gravenhage. Was hij er assistent? Wij vermoeden van wel, aangezien z’n voorganger Alardus Hofland, een neef van den Pastoor en blijkbaar naar dezen vernoemd, in Dec. 1706 vertrok naar Homade, waar hij tot pastoor was benoemd. Met te meer vrijheid pláátsten we hierboven het vraagteeken omreden Hermanus Middelcamp z’n opvolger hier reeds in 1707 stond. Maar dan is ook zeer wel aan te nemen, dat Pastoor Ophuys na z’n wellicht zeer kort verblijf in den Haag, weer naar Vaassen is teruggekeerd, om er nog korten tijd in bediening te staan. In ’t jaar 1709 werd hij door zijne kerkelijke overheid naar Zwolle geroepen, om de statie der Jezuïeten in het zoogenaamde “Steegje” (de volgelingen van St. Ignatius hadden aldaar ook nog eene statie in de Koestraat) weder te heropenen. Na het vertrek van den laatst dienst gedaan hebbende Jezuiet, Caspar Deschamps, waren kerk en pastorie vanaf November 1707 ledig gebleven.

In ’t jaar 1717 toen den zetel van het Apostolische Vicariaat ledig kwam te staan, doordat Adam Daemen op zijn herhaalde verzoeken eindelijk als zoodanig ontslag had bekomen, kwam Pastoor Ophuys, die inmiddels tot Aartspriester van Salland was bevorderd, ook voor op de voordracht van een door den Paus te benoemen Vicaris. Uit de voordracht, die behalve Pastoor Ophuys, bestond uit Gerard van Pelt, pastoor van Zoeterwoude, Jacobus Ploeg, pastoor te Voorschoten en Joannes Bijlevelt, pastoor te ’s Gravenhage, werd laatstgenoemde bij Pauselijke Breve van den 2en October 1717 benoemd.

Is het wonder dat deze oud-pastoor van Vaassen, die zonder eenigen twijfel een geleerd en bekwaam man moet zijn geweest (Bijdragen van het Bisdom Haarlem deel IV bl. 35) nogmaals candidaat is geweest voor het Apostolische Vicariaat? Dit is namelijk het geval geweest in ’t jaar 1723. Toen is uit het zestal candidaten Joannes van den Steen, pastoor te Haarlem, benoemd verklaard.  In verschillende kerkelijke aangelegenheden is Pastoor Ophuys, in het eerste kwartdeel der 18e eeuw de wijze raadsman geweest. In 1719 toog hij met den Groenloschen pastoor Otto van Munster wegens de twisten van de Vorst-Bisschoppen van Munster en Weert. In Jan. 1720 werd hij gevraagd als raadsman bij de Congegratie der Propaganda voor de H. Missie en in Augustus van ’t zelfde jaar had hij een werkzaam aandeel in de bekeering van den beruchten Jansenistischen pastoor Matthias Torck, die te Zwolle rustend leefde en aldaar op 16 Aug. 1720 ernstig ziek zijnde, in ’t bijzijn van Ophuys zijne dwalingen herriep en oprecht tot inkeer kwam.

Pastoor Ophuys overleed te Zwolle op 3 Febr. 1732 en Katholiek Vaassen mag er roem op dragen hem tot herder gehad te hebben, die in op ’t einde der 17e en in de eerste decennia der 18e eeuw in de Hollandsche zending, als priester zulk een voorname plaats heeft ingenomen.

 

Bronnen:

  • Bijdragen van het Bisdom Haarlem deel IV bl. 35