De missie-statie Vaassen (XXVI)

Nadat de apostolische Vicaris Joannes van Neercassel op den 27en Mei 1686 te Zwolle was overleden werd eenigen tijd later, na veel geschrijf en woelingen als zijn opvolger benoemd Petrus Codde, geboren te Amsterdam 27 Nov. 1648, die in 1683 provicarius van Kan. Neercassel geworden was. Petrus Codde had te Leuven gestudeerd en was evenals zijn voorganger Oratoriaan. Zijn benoeming was 20 Sept. 1688 afgekomen en op 9 Oct. d.a.v. was hij door Paus Innocentius XI verheven tot Aartsbisschop van Sebaste i.p.i. Op 6 Februari 1689 was hij door den Aartsbisschop van Mechelen als zoodanig geconsacreerd geworden. Het was onder het Vicariaat van dezen Apostolischen Vicaris, die, naar zich later openbaarde, Jansenist in de ruimste beteekenis van het woord genoemd moest worden, in de Kerk de zoozeer te betreuren scheuring van het Jansenisme zich voltrekken ging. Op 13 Mei 1702 is Petrus Codde door denzelfden Paus die hem tot zulke hooge geestelijke waardigheden had verheven, uit zijn ambt ontzet en zonder hierin hersteld te zijn geworden is hij op 18 December 1710 te Utrecht overleden en te Warmond begraven.

Na de suspensie van Petrus Codde was als Apostolisch Provicarius aangesteld geworden Theodorus de Cock, doch reeds op 17 Augustus 1702 werd hem door de Staten de uitoefening zijner macht verboden. In Juni 1703 was hij genoodzaakt naar Emmerik te vluchten, waar hij kanunnik werd en vandaar het Apostolisch Provicariaat bediende. Nadat hij in 1705 door Paus Clemens XI naar Rome was geroepen, overleed deze geleerde priester aldaar in Januari 1720, een groot aantal geschriften nalatende.

In zijn plaats was in 1705 benoemd Gerardus Potkamp, in 1642 te Borne geboren. Nadat hij pastoor te Oosthuis was geweest en ook als zoodanig te Lingen (Hannover) had gestaan, waar hij vanaf 1681 ook met het ambt van aartspriester was bekleed, werd hij op last van den H. Stoel door den Nuntius de Bussi op den 14en November 1705 tot Vicaris Apostolicus aangesteld. Ruim een jaar later, op 16 Dec. 1705, is hij te Leiden overleden.

Hem volgde Adam Daemen omstreeks 1670 te Amsterdam geboren, op, die méér dan een jaar na den dood van zijn voorganger het zware ambt op de schouders werd gelegd. Op den 8en Jan. 1707 als zoodanig verheven, eveneens door den Nuntius de Bussi, krachtens volmacht van Paus Clemens XI, werd hij op den eersten Kerstdag van hetzelfde jaar te Keulen als bisschop van Adrianopel geconsacreerd. Op 26 April 1709 werd ook hem bij plakkaat door de Staten van Holland en Zeeland de uitoefening van zijn ambt verboden.

Het zijn de woelige jaren, dat het Jansenisme de Kerk binnensloop, die we thans beschrijven. Mag Gerardus Potkamp, niet geheel vrij van Jansenistische invloeden geweest zijn, hij had de Jansenisten Catz en van Heusden tot zijn vicarii voor Utrecht benoemd, in Adam Daemen mochten de trouw gebleven Katholieken een Apostolischen Vicaris begroeten, waarvan de keuze in meerdere mate gelukkig kon genoemd worden. Ook Vaassen zou nog hetzij dan zijdelings, in den Jansenistischen strijd betrokken worden. Wat is toch het geval geweest?

Pastoor Joannes Ophuys, die zooals we weten, in 1702 als pastoor op Den Cannenborch verblijf hield, werd in het jaar 1706 door den Nuntius Julius Piazza naar Hilversum gezonden, om in dit broeinest van Jansenisme den door den Provicarius Th. De Cock gesuspendeerden scheurmaker Adrianus Smidts te vervangen. Wat is toch het geval geweest? Genoemde Smidts was volbloed Jansenist. Hij wordt in het Archief van het Aartsbisdom (deel I, blz 390) de apostel van het Jansenisme in Hilversum en naburige gemeenten genoemd. Een vervanging door een priester vrij van Jansenistische smetten was door den Provicarius al eerder beproefd, doch voor het grootste gedeelte mislukt. Na het aan Smidts gegeven ontslag was Joannes Everardus Kleijman geboren te Aert in Gelderland en aldaar pastoor naar Hilversum gekomen en wordt van dezen verhaald dat hij “te Hilversum de bedrukte Katholijcken, den – Smidts – verlaten hadden met veel ijver elke den berugten Jansenisten priester de Smet bediende. Door het drijven der Jansenisten wisten deze te bewerkstelligen dat Pastoor Kleijman bij resolutie van den 17en Juli 1704 door de Staten verbannen werd en “geïnterdiceerd en verbodente Hilversum te prediken of eenigen dienst te doen” (Archief Aartsbisdom deel I bl. 394).

Pastoor Kleijman ging naar Aert terug en thans werd aan den pastoor van Vaassen opgedragen de Hilversumse pastorie te “veroveren” op Joannes en den voormaligen kapelaan van Smidts en evenals deze geheel en al met de dwaalleer van het Jansenisme besmet. Deze de Jong, die te Lutjebroek geboren was en te Leuven had gestudeerd, was mede door toedoen van Jacob van Catz aldaar als pastoor ingedrongen. Pastoor Ophuys’ pogingen leden, hetgeen uit den aard der zaak zeer te betreuren was, schipbreuk. De Jansenist wist zich namelijk in kerk en pastorie te handhaven en Pastoor Ophuijs ging onverrichterzake naar Vaassen terug. Nog heden ten dage bezit Hilversum een parochie der Oud-Bisschoppelijke Clerezy, de zoogenaamde Oud-Katholieken. Bij deze secte, die in den loop der eeuwen haar Katholiek karakter zoo goed als geheel verloren heeft, slopen zooveel Protestantschen gebruiken de kerk binnen, dat zij zelfs niet meer als Katholieke schismatieken aangemerkt kunnen worden. Maar één ding is wel waarschijnlijk te noemen, namelijk dat indien Pastoor Ophuys’ poging geslaagd ware, de slechts ruim twintig gemeenten in ons land waar de Oud-Katholieken nog een eigen kerkgebouw bezitten, nog met één, namelijk Hilversum, te verminderen zou zijn.

Zooals gezegd, keerde Pastoor Ophuijs naar “De Cannenborch” terug en hervatte aldaar zijn zending. Deze missionaris moet een geleerd en ijverig priester zijn geweest. Een beknopte biografie zal u doen zien, hoe hij later voor hooge geestelijke ambten bekwaam werd geacht en opklom tot Aartspriester van Salland.

 

Bronnen:

  • Archief van het Aartsbisdom deel I, blz. 390
  • Archief Aartsbisdom deel I, blz. 394