De missie-statie Vaassen (XXIV)

Gaven wij U de vorige week een verslag van den tocht door den Apostolischen Vicaris Joannes van Neercassel over de Veluwe gemaakt, waar die blijde zomermaand zooveel bloei en leven moet hebben gebracht aan de anders zoo dorre beemden der Vale Ouwe en kloeken moed ingestort aan de verdrukte bevolking, thans nemen we ’t einde van Van Neercassels verslag en lezen:

“Est autem Velavia una e quatuor Geldrici ducatus tetrarchiis, cujus pro maxima parte curum habet presbyter unus de Socetate Jeu…. Nobilitas, quae hic multa est et potens plures sibi operarios submitti petiit….”,

waaruit we zien dat het in 1668 nog steeds de Jezuieten waren die de Veluwe voor het grootste gedeelte bedienden en verder dat de adel die hier veeltallig en machtig is, heeft gevraagd dat meerdere werkzame priesters aan hen gezonden worden. Vader Grumsel vertoefde nog steeds op de Veluwe, maar Vaassen en waarschijnlijk ook Apeldoorn, hadden hun herder door den dood zien wegrukken.

 

Oprichten van een statie

Maar Keulen had niet stil gezeten en op het seminarie aldaar waren de wereldheeren gevormd, die in Holland de reguliere geestelijkheid in aantal al overtroffen hadden. Na Willem Simons, de Jezuïeten en Pater van Isendoorn, zou het spoedig de wereld-clerus zijn, die voor het overgroote deel het geestelijk heil der Katholieken van de Veluwe zou behartigen. Waar zou het zijn dat de eerste vaste statie zou gevestigd worden? We zullen U niet lang in het onzekere laten! Het eeuwenoude Fasna, door Brunhold in 891 haar naam gegeven, zou die eer te beurt vallen.

In het meer aangehaalde artikel uit “De Katholieke Gids”, vinden we dit op de volgende wijze omschreven:

“Meerdere edele heeren boden zich aan, om een priester in hunnen kring op te nemen, en zij deden hun woord gestand. Op meerdere plaatsen kon voor een priester een nieuwe werkkring worden geopend. Niet alle kunnen we thans nog aanwijzen, maar voor Vaassen staat het vast, dat omtrent St. Simon en Jude van het jaar 1673 aldaar op “De Cannenborch” eene statie werd opgericht, met een leven, krachtig genoeg om tot heden toevoort te bestaan. “Zij zal wel het voorrecht hebben van te zijn de oudste, nog levende dochter, die op het vlakke land der Veluwe geboren werd en getogen”.

Nu ons 24ste pennenzuchtje onder den kop “De missiestaties in Gelderland” ons uit de pen druppelt, zijn we dan eindelijk na eene vrij lange doch o.i. noodzakelijke voorbeschouwing, bij ’t eigenlijke onderwerk terecht gekomen en tevens in den tijd, die niet zo’n groot aantal eeuwen achter ons ligt en daardoor wat beter te overzien is. Ook de bronnen komen nu rijkelijker toevloeien. Wil dit zeggen dat ik bij vervolg 50 nog niet aan ’t einde mijner opstellen zal gekomen zijn? Geenszins! Wij zelf kunnen niet bevroeden wanneer wij de groote zwarte inktklad kunnen laten vallen, die het “finis” zal beduiden van de historie van Katholiek Vaassen.

Wij meenen met de gebrekkige opschriftstelling onze notiities en bronnen vorschingen een simpele daad van piëteit te verrichten die we meenden schuldig te zijn aan onze voorsten, die in tijden van onderdrukking van hun liefde vóór en onwankelbaar trouw áán de kerk getuigenis hebben afgelegd, die hun rotsvast Katholiek geloof beleden in de schuilkerk en in hunne woningen van eenvoudige landlieden, aan wier binnenwanden hing het kruis van Onzen Heer Jezus Christus, in Wien zij hunne eenige hoop hadden gesteld. Ja schuldig te zijn aan hen, die voor geen schout of gerechtsdienaren bevreesd, als een stralend licht hun Katoliek Credo, wij, door Gods genade, ook dien kostbaren parel in blijheid mogen bezitten.

Tot U allen nazaten van hen, wier geslachtsnamen door ons een vorige maal vermeld zijn, zouden we het volgende verzoek willen richten. Wilt in gedachten Uw blik eens laten gaan naar het Vaassen van meer dan twee eeuwen her, naar “De Cannenburch” of naar “De Swanenborch”, waar zij eens voor ’t altaar geknield lagen, in jong en blij geluk den zegen des priesters ontvangend, wier bloed door vele generaties heen, nog het Uwe is. Blijft in liefde en dankbaarheid, evenals wij, hen gedenken, die vóór en áán velen Uwer, wellicht meer dan onbekend mogen zijn, maar die in de stamboom van de ouders op het kind en van het kind dat weer vader werd. Uw eigen naam, die gij tot Uwen dood zult dragen, tot U bracht. Dat is Uw voorgeslacht! Dat is wat gij lief dient te hebben en met gerechtvaardigden trots zooveel te méér, indien dat voorgeslacht, óók in de moeilijke tijden die de kerk toen doormaakte, het Roomsche vaandel getrouw bleef.

 

Bronnen:

  • De Katholieke Gids