De missie-statie Vaassen (XXIII)

Opvolging van Hendrik van Isendoorn

Na den dood van Pater Hendrik van Isendoorn à Blois zou Katholiek Vaassen en omgeving eenigen tijd verweesd achterblijven, maar waarschijnlijk mag geacht worden, dat binnen niet al te langen tijd “De Cannenborch” weer zijn vasten priester zal geherbergd hebben, doch noch den tijd dat deze aldaar standplaats genomen heeft, noch zijn naam is bekend geworden.

 

Tocht van Van Neercassel over de Veluwe

In Juni 1668 schijnt zulks nog niet het geval te zijn geweest, want ’t was in die maand van dat jaar dat de Apostolische Vicaris Joannes van Neercassel, van Jonker Hendrik van Essen, landdrost van de Veluwe voor zich en zijn gevolg vrijgeleide erlangde voor een tocht over de Veluwe, en aangezien op dien tocht “De Cannenborch” (volgens het door Van Neercassel zelf opgemaakt verslag, gepubliceerd in het 18e deel van ’t archief v. h. Aartsbisdom) niet werd aangedaan, moeten we wel aannemen, dat `De Cannenborch` in Juni 1668 nog geen priester binnen zijn muren had. Aangezien van Neercassels tocht over de Veluwe de eerste meer openlijke manifestatie van hun katholiek zijn was, wil ik dit voor de Veluwenaars zoo blijde gebeuren eenigszins in den breede omschrijven en weet niet beter te doen dan mijn lezers het exposé te geven, dat de meergenoemde wijlen Pastoor Hofman samenstelde uit het Latijnsch verslag, door den secretaris van Van Neercassel, op diens last geschreven:

“Op Zaterdag 6 Juni toog men de Veluwe op en wel in de vriendelijk daartoe aangeboden koets van den Schout Mollison, hoofd der bezettingstroepen binnen Doesburg. – Hier even eene uitweiding over dezen. Mollison was luitenant-generaal van den hertog van Luneburg, wiens troepen in soldij waren bij de Staten. “Hij ontving Mgr. Met zooveel luister…… als ware het in een katholiek land. Al de krijgslieden stonden langs de straten in gelid en met al zijne officieren vergezelde hij Mgr.”

Aldus in een brief naar Rome 28 Juni 1668. De vreugde zou echter van korte duur zijn. – Het eerst werd er halt gehoduen op het Veenhuis beneden Deventer, de hofstad der achtbare Jonker van Grotenhuysen. Doch denzelfden dag ging de tocht nog verder door naar de stad Deventer, waar Zijne Hoogw. in stil geheim twee dagen aan de H. bediening wijdde. Daarna toog hij de Veluwe weer in zich richtend, om bezoek te brengen aan het oude kasteel Nijenbeek, destijds eigendom van Jonker Jan van Steenbergen en zijne gade Agnes Therese Baer tot de Slangenborg. Daar vertoefde hij twee volle dagen, predikte er telkens met grooten toeloop en reikte er het H. Vormsel uit aan de scharen, die van alle zijden toestroomden.
Donderdagochtend bevond Zijne Hoogw. zich weer bij de heeren van Grotenhuysen op het Veenhuis, droeg ook daar het H. Offer op, predikte er en vormde er mede. Na het middagmaal ging de tocht nu nederwaarts naar het kasteel de Zwanenborg bezuiden Hattum, niet ver van den IJssel gelegen. Sedert den aanvang der 15e eeuw waren de Jonkers van Essen de bezitters dier burg, en thans vertoefde er de achtbare Sophia van Voorst, weduwe Richwijn van Essen, moeder der burgvrouw en voogdes over dezer kinderen. Den eersten dag, na de H. Mis, kon de hoogwaardige gast goedsdeels ter beschikking der hooge gastvrouwe stellen; maar den volgenden Zaterdag kwamen er scharen bij scharen, vooral uit Zalland, naar de Zwanenborg heen en Gods dienaar nam geen rust, voor hij allen het H. Vormsel toegediend en door onderricht in het geloof had gesterkt.
De volgende dag was bestemd voor Duistervoorde, het grijze kasteel dat daar op een afstand van Deventer in zijn prachtige bosschen lag. In de 15e en 16e eeuw had het behoord aan de Jonkers van Apeldoorn, was van deze verorven op de vrijheren van Steenbergen en nu onlangs overgegaan op vrouwe Janne van Voorst, thans weduwe van Jonker Derk van Stepraedt. Zij betoonde al hare gulheid aan den Hoogwaardigen Vicaris en bij weerslag werd haar kasteel als het glanspunt van een zegetocht, gelijk de Veluwe in geen eeuw had aanschouwd. Zondag 14 Juni werd er op de plechtigste wijze gevierd, gevierd met een ongekenden luister. Scharen bij scharen togen aan, zoowel van de steden Deventer en Zutphen, als uit de dorpen en gehuchten uit den omtrek. De Veluwe scheen voor den katholiek te zijn ongeschapen in vrij land.
Overgroot was het getal van hen, die hier het H. Vormsel ontvingen en dien dag er eene schitterende rede hoorden over de waardigheid en het wezen van het Offer der nieuwe Wet.
Des anderen daags bracht de koets der Vrouwe van Duistervoorde den vereerden Bisschop naar het Loo benoorden Apeldoorn, toen de eigendom der Barones van Doornick. De achtbare heer van ’t Loo, die de belangen der H. Kerk met warmen ijver voorstond, voelde zich gelukkig, nu hij van nabij aan Zijne Hoogw. de blijken daarvan kon geven. Drie volle dagen herbergde hij den heer Vicaris, die op Dinsdag en Woensdag de katholieken uit de omliggende dorpen samengestroomd, op zijn voortreffelijke wijze onderrichtte en het H. Vormsel hun toediende.”

Het waren de Katholieken uit Vaassen, Apeldoorn enz. die voor ’t Loo samengestroomd zijn, om den zegen van hun aller geestelijken vader te ontvangen.

 

Bronnen:

  • Door Van Neercassel zelf opgemaakt verslag, gepubliceerd in het 18e deel van ’t archief van het Aartsbisdom Utrecht