De missie-statie Vaassen (XXII)

Apeldoorn

Dat Pater Hendrik van Isendoorn van Vaassen den Apeldoornsche Katholieken zijn geestelijke hulp heeft geboden, kan door ons als een vaststaand feit aanvaard worden: dat luttele jaren na den aanvang zijner missiearbeid in de plaats onzer inwoning deze een eigen zielzorger erlangden, is iets, dat ontwijfelbaar vast staat. De bekende kerk-historicus wijlen Pastoor J. H. Hofman, gaf in een artikel in het begin dezer eeuw bericht, dat de gulle hand van den vroegeren hoogleeraar A.J. Taabe, toen pastoor te Wageningen, hem verrijkte met een handschrift uit het midden der 17e eeuw, gevuld met schetsen en preeken.

Eenigszins verkort luidde de titel van het manuscript als volgt:

“Index seu Manuale concionatorum extemporale: quod pro commodidate et usu suo ex variis etiam adversariis propriis collegit, compilavitque, ac…. Individuae Trinitati…. Sacrum esse voluit

 

Pastor in Apeldorn indignus: Ao1659”.

Of

“Rolle of handbook, den predikers inderijl dienende: voor eigen gemak en gebruik uit onderscheiden ook eigen aanteekeningen gegaard en gezameld, en aan de H. Drieëen opgedragen door

 

Onwaardige pastoor van Apeldoorn, in ’t jaar 1659”.

Op bladzijde 267 van het vrij omvangrijke handschrift, staat nog eene aanteekening van den pastoor, dat hij met den aanvang van ’t jaar 1667 nog te Apeldoorn in bediening stond. Evenmin als aan Pastoor Hofman, gelukte het ons dan naam van dezen eersten pastoor na de zoogenaamde reformatie van Apeldoorn te ontdekken, noch eenige nadere bijzonderheden omtrent dezen achtbaren herder kunnen wij onzen lezers bieden, maar vrijwel staat vast, dat de pastoor op het kasteel ’t Loo, dat door het huwelijk van Sophia van Isendoorn à Blois met Dirk van Hepraedt, heer tot Varick en Indornick, in het bezit van het geslacht Van Hepraedt was gekomen, de H. Diensten zal verricht hebben, terwijl hij meermalen ook hier schuilplaats zal hebben gevonden.

 

Verdrukking van het Rooms-katholicisme

Want al was er na 1648, ’t jaar van den Vrede van Munster, dan ook eenige kentering gekomen ten opzichte der Katholieken, wien op enkele plaatsen soms vergund werden, zij ’t dan tegen betaling van vrij hooge recognentiegelden, godsdienstoefeningen te houden, de toestand waarin de katholieken van Nederland zich bevonden, moest toch nog zeer precair genoemd worden. Twee gevallen van verboden godsdienstoefening werden ons bekend, uit naarstig door ons doorsnuffelde handschriften van wijlen Deken J.J.A. van Rossum, thans berustende in de bibliotheek van het Aartsbisschoppelijk Klein-Seminarie alhier.
Het eerste geval betreft “de paep Evert van Cooth” een Roomschgezind inwoner van Harderwijk, die op 9 Jan. 1646 beboet werd, omdat hij den Bisschop van den Koning van Polen vergund had in zijn huis godsdienstoefeningen te verrichten, terwijl het andere geval ons doet zien, dat de Schout ook ná 1648 niet stil zat. Meer dan 10 jaren na de Vrede van Munster, werd de ons bekende Pater Joannes van Sambeeck, die zooals we weten in 1637 als Jezuiet voor de stad en hare directe omgeving naar Harderwijk kwam, op Mislezen betrapt.

Mijn lezers zullen zich voor te stellen hebben met welke groote moeilijkheden de priesters in dien tijd te kampen hebben gehad, als ik hun vertel, dat de bovengenoemde verboden handeling op 26 Jan. 1659 geconstateerd moet zijn, toen Pater van Sambeeck reeds 21 jaren te Harderwijk als zielzorger stond.
Dezelfde moeilijkheden zullen ook aan den geheimzinnige pastoor van Apeldoorn, die z’n naam met een kruisje teekende, wel beschoren zijn geweest. Het niet-vermelden van zijn naam duidt echter in deze richting.

 

Terug naar de Cannenburgh

Pater Hendrik van Isendoorn doopte op “Den Cannenborch” uit het 2e huwelijk van z’n broeder Elbert een tweetal zonen Marten Elbert en Jan Hendrick, waarover later meer. De pater stond zeker nog in 1663 op de vaderlijke burcht als priester der naar het slot genoemde statie. Omstreeks dien tijd is hij overste geworden der zendelingen zijner orde, in Holland verblijvende. Vermoedelijk is het ook Pater van Isendoorn geweest, dien we hebben te zien als grondlegger van de missiestatie Duistervoorde, waar z’n medeordebroeder Pater Angelus de Vorster, die 3 Oct. 1680 te Deventer overleed, als eerste missionaris heeft gestaan.
Pater van Isendoorn overleed wellicht op een zijner missiereizen, toen hij de ronde deed over de Hollandsche zending der Paters Minderbroeders Recollecten, op den 3en November 1666 op het kasteel Berkenrode bij Haarlem, toen bewoond door Jonker Hendrik Floriszoon van Alckemade. Volgens wijlen Pastoor Hofman, in zijn eerder geciteerd artikel over Kerkelijk Brummen, moet hij aan de pest, die toen in Nederland epidemisch heerschte, overleden zijn.

 

Oude geslachtsnamen

Uit den tijd dat Pater van Isendoorn als priester op “Den Cannenborgh” verblijf hield, zijn ons de volgende katholieke geslachten bekend wier nazaten thans nog deze gewesten bewonen: Arnink (thans Aarnink), van den Belt (thans van den Beld), Bisterbosch (thans ook Biesterbosch en Bijsterbosch), Boutgogne (thans Bourgonje en Bourgonjen), Bouwmeester, van ’t Erve, Koekoek (thans Koekkoek), Leerkens (thans Leerkes), Marissink, Stens en Wageman (thans Wagemans). Honderd jaren later, om even vooruit te loopen, dus nog vèr voor den tijd, dat onder Napoleon, den burgerliken stand werd ingevoerd en men verplicht is geworden een geslachtsnaam aan te nemen, vonden wij in de oude doop- en trouwboeken van de toen reeds hecht gefungeerde missiestatie Vaassen – die Vaassen in wijden omtrek bestreek tot het zuidelijk gedeelte der gemeente Heerde, met “De Swanenborch” als noordelijkste punt, dan in zuidelijke richting over Oene gaande en meer verder de buurtschappen Broekland en Beemte tot zich trekkende om tenslotte de noordelijke punt van Apeldoorn mede te nemen – de volgende geslachtsnamen:

Beuwer, Boonekamp (thans Bonekamp), van Bussel, Hafkamp, Haarleman (thans Harleman), Avekes, Heinen, Heurenkamp (thans Hurenkamp), Huis in ’t Veld, Kelderman, Lieferink, Mentink, Meuleman, Mos, Morsonk (thans Mossink), Oortwijn, Wolbers, Wools en IJseldijk (thans IJsseldijk). Ook van deze geslachten vindt men heden ten dage nog afstammelingen in de zoogenaamde rechte lijn te Apeldoorn en Vaassen. Zijn de hier nog ook te vermelden geslachten, die ik eveneens aantrof, ná 1750 in deze streken uitgestorven? Ankersmit, Boscamp, Boujour, Brummelhuis, van Dalen, Duitsman, Hesselink, Hoedemaker, Kloostermans, van Langen, Oosterhuis, Suermond, Vosselman, Waterboer, Wijnhuis en Zwanenberg.

 

Bronnen:

  • Handschriften van wijlen Deken J.J.A. van Rossum, thans berustende in de bibliotheek van het Aartsbisschoppelijk Klein-Seminarie in Apeldoorn