De missie-statie Vaassen (XXI)

We weten dat de Veluwe “pro maxima parte” (voor het grootste gedeelte) door Jezuïeten bediend werd.

 

Missie vanuit Doesburg

De Jezuiet Theodorus Kiezit die reeds in 1628 te Doesburg in ’t geheim werkte, zal ook aan de andere zijde van de IJsel z’n troostvollen arbeid hebben verricht, terwijl we hetzelfde mogen veronderstellen van zijn opvolgers Joannes Hogebaert 1642-1644, Petrus Pevinage 1644-1645, den Gelderschen edelman Godefridus Boll 1645 en Franciscus Balthasar Blommaerts 1645-1662, die allen in de jaren achter hunne namen vermeld te Doesburg werkzaam zijn geweest.

 

Missie vanuit Zutphen

Ons oog op Zutphen richtende, meenen we, niet zonder grond, dezelfde hypothese te mogen stellen. Arnoldus à Boecop te Zutphen uit een adelijk geslacht geboren, moet na te Mainz priester te zijn gewijd, reeds vóór ’t jaar 1617 zijnen stadgenooten troost en bijstand hebben verleend. Hij wordt ons geteekend als “een braaf mensch, redig, nederig en zachtaardig” (De Katholiek deel 70 bl. 235). Hij werd te Arnhem gevangen genomen en bij zijne vrijlating werd hem door zijne vervolgers een vergiftigen drank te drinken gegeven, waaraan hij te Keulen op den 19en Februari 1622 overleed.
Zijne opvolgers waren: Theodorus de Weeze 1617-1623, Theodorus Tack 1624-1628, Wilhelmus de Jonghe 1628-1644, Remigius Syboons 1644-1646, Lambertus Strijp 1646-1657 en na diens dood nogmaals Remigius Syboons tot 1657, waarna Judocus van der Miersch is gekomen.

 

Missie vanuit Harderwijk

De reeds door ons genoemde Harderwijker Jezuïeten namen het Noord-Westelijk deel der Veluwe, terwijl in 1629 te Amersfoort verblijf hield, de aldaar geboren volgeling van St.-Ignatius Jordanus van Wencum, naar het heette om zijne zieke moeder te verzorgen, maar dit het overgrootte deel van zijn kostbaren tijd wel zal besteed hebben aan de verzorging der kudde te Amersfoort en van het Zuid-Westelijk deel der Veluwe. Hetzelfde nemen we aan van zijne opvolgers Adriaan van Renesse 1636-1647, Jacobus Sluyskens 1647-1651 en Johannes van Alkemade 1651-1665.
Tusschen Harderwijk en Amersfoort, namelijk te Nijkerk hield als eerste inwonende missionaris van 1644 tot 1673 verblijf (zooals we uit vervolg XVI weten) Theodorus van Nuyssenborch en deze zal van z’n missie-post zeker wel tot Garderen zijn uitgeloopen.

 

Terug naar Vaassen

Uit een en ander zal ons dus genoegzaam moeten blijken dat het “pro maxime parte” geen ijdele klank moet genoemd worden. Maar als eerste Franciscuszoon kwam, zooals gezegd naar de Veluwe, in casu naar Vaassen, die edele telg van het Van Isendoorn-geslacht, roem en grootheid niet achtende, ter liefde Gods zich een Zijner geharnaste strijders wetende, met slechts dit eene schoone doel voor oogen: het bevorderen van het zielenheil der hem toevertrouwde kudde. Veel heeft de historie ons niet gelaten over Pater van Isendoorns missie-arbeid, doch een zeer belangrijk document ten nauwste verband houdende met den arbeid der Paters-Minderbroeders van de Keulse provincie is voor het nageslacht bewaard gebleven en opgediept geworden uit het archief der kerk van den H. Michaël te Zwolle.

‘t Is een:

“Relatio laborum et fructuum P.P. Missionariorum provincide Colonienses Frm.m Min.m. Recollect in Hollandia et Frisia, a festo Penthheconsties anni 1655 usque ad festum Penthecostis 1656, ex proprus illorum litteris desumpra”.

Of

“Verslag der werkzaamheden en vruchten van de Pater Minnebroeders van den strengen regel, missionarissen der provincie Keulen in Holland en Friesland, van het Pinksterfeest des jaars 1655 tot Pinksteren 1656 – aan hunne eigen brieven ontleend”.

Onder de zeven paters Franciscanen die hier verslag van hun wedervaren geven treffen we ook Pater Hendrik van Isendoorn aan.

Uit het Latijn vertaald, richt Pater van Isendoorn zich als volgt tot den “Praefectus missionis” te Keulen:

“Wat mij betreft, ik was dezen winter niet bijzonder wel; thans ben ik echter weer beter. Nu de vruchten van onzen arbeid. Verleden jaar Paschen had ik op de plaats mijner inwoning 60 communicanten; dit jaar is het getal met 10 vermeerderd en waren er dus 70; op de tweede plaats zijn er 8 bijgekomen, die ook in Gods genade herboren zijn. Alhier zijn er 20 paar getrouwd; ter tweede plaatse 3 uren van hier, was het aantal huwelijken iets grooter, en daar doe ik beurtelings met een Pater van de Sociëteit de H.H. Diensten schoon toch de aanzienlijksten bij mij komen biechten, en zulks meermalen ’s jaars. Eindelijk op een derde plaats, één uur van onze gewone verblijfplaats verwijderd, bevinden zich omstreeks 40 communicanten. Ik preek alle zon- en feestdagen, wanneer geen andersgezinden tegenwoordig zijn, die mij belettende godsdienstoefeningen te houden. Sinds de tijd dat ik U, Zeer Eerw. Vader, verleden jaar schreef, zijn er 10 in den schoot der Kerk teruggebracht, en 12 kinderen gedoopt; bovendien zijn twee afgevallen gezinnen geheel teruggekomen, wier voorbeeld, naar ik hoop, dagelijks meer en meer navolging vinden zal. Een aanzienlijk aantal zieken heb ik bijgestaan, slechts 6 zijn er overleden.”

Tot zooverde pater van “Den Cannenborch”. Uit deze mededeelingen van hem zijn diverse veronderstellingen te maken en ook feiten vast te stellen. Als eerste feit zien we dat in Vaassen, de plaats zijner inwoning, met Paschen 1655 een 60-tal communicanten waren te tellen, hetwelk een jaar later met 10 vermeerderd was. We moeten aannemen dat Pater van Isendoorn hier de engere kom van Vaassen op ’t oog moet hebben gehad, anders zouden de 20 paren die in dat jaar te Vaassen getrouwd zouden zijn, al te zeer met een getal communicanten van 60 in tegenspraak komen. Ter tweede plaatse, hier wordt zonder eenigen twijfel “De Swanenborch” bedoeld, waar hij beurtelings met Vader Grumsel de H.H. diensten verrichtte, zal het getal katholieken wel ongeveer gelijk zijn geweest aan dat van Vaassen. De derde plaats met 40 communicanten moet Apeldoorn geweest zijn, waar we een viertal jaren later reeds een vasten zielzorger zullen aantreffen.

 

Bronnen:

  • De Katholiek deel 70 bl. 235