De missie-statie Vaassen (XIX)

Na Pater van den Broeck’s dood werd diens taak op de Veluwe overgenomen door zijn ordebroeder Joannes van den Eeckhoute, die een tiental jaren zijne veelomvattende taak moet verricht hebben. Ondanks ijverig sporen, bleef veel van diens levensbijzonderheden voor ons verborgen, want noch ’t archief van het Aartsbisdom, nog vele kerkhistorische handschriften, welke wij mochten raadplegen, brachten ons meer dan een enkel gegeven. In 1650 moet hij de zandgronden der Veluwe verlaten hebben en naar het Zuiden teruggeroepen zijn, terwijl de mogelijkheid, dat hij later nog moet worden geacht. In meer absoluten zin stelt het 31e deel van ’t Archief van het Aartsbisdom z’n dood op 31 Oct. 1666 vast, blijkbaar ontleend aan Reusens, Analectes XXVII blz. 66.

Als opvolger van Pater van den Eeckhoute mocht ons gewest begroeten Vader Gerardus Grumsel van wien ook zeer weinig met zekerheid bekend is, hoewel hij toch een kwart eeuw hier ’t geloof onderwezen moet hebben.

Daar in ’t tijdvak 1650-1675 vele wisselingen plaats vonden bij het Apostolisch Vicariaat lijkt ’t ons niet ondienstig, ons even op zijpaden te bewegen.

De Apostolische Vicaris Philippus Rovenius werd den 10en Maart 1640 door de Staten verbannen. Door Paus Urbanus III werd den 24en Augustus van ’t zelfde jaar tot Coadjutor van Rovenius met recht van opvolging benoemd Jacobus de la Torre, een Hagenaar van geboorte, die door Rovenius in 1637 benoemd was tot Domkanunnik. In 1647 benoemde Paus Innocentius X hem tot Aartsbisschop van Ephese i.p.i. en 19 Mei van dat jaar werd hij als zoodanig te Munster geconsacreerd door den Nuntius Fabio Chigi, den lateren Paus Alexander VII. Eenige maanden later 23 Aug. 1647 werd ook hij door de Staten verbannen en zijne goederen verbeurd verklaard. Toen Rovenius op 11 October 1651 te Utrecht overleed en aldaar in ’t geheim begraven was, volgde hij dezen ondanks zijne verbanning op als Vicaris Apostolicus, doch vijf jaren later deden zich bij hem verschijnselen van geestes-krankheid voor, die hem tot z’n dood, hij overleed 16 Sept.1661 in het klooster te Huybergen, zouden bij blijven.

De Brusselaar Zacharias de Metz die in 1656 door Paus Alexander VII tot Coadjutor van de la Torre was benoemd overleed in ’t zelfde jaar als de laatste, doch eenige maanden vroeger, namelijk op 13 Juli 1661 te Amsterdam.

De Propaganda Fide heeft de handelingen van de la Torre van de laatste 5 jaren van zijn leven om redenen van genoemde geesteskrankheid nietig verklaard.

Balduinus Cats, omstreeks 1601 te Gorcum geboren, die president was geweest van het Collegie Pulcheria te Leuven en daarna pastoor te Haarlem en Aartspriester van Kennemerland, werd in 1662 door Paus Alexander VII aangesteld tot Apostolischen Vicaris en 9 Sept. 1662 tot Aartsbisschop van Philippi i.p.i. te Keulen geconsacreerd. Doch ook deze Vicaris zou het doorluchtige ambt niet lang bekleeden, want reeds ’t volgend jaar overleed hij op 18 Mei 1663 te Leuven.

Een stadgenoot van hem, Joannes van Neercassel, geboren in 1623, die de philisophie had gestudeerd te Keulen ende theologie te Parijs bij de Oratoriaten (wereldpriesters die gemeenschappelijk leefden, zonder kloostergeloften) werd zelf Oratoriaan. Hij wordt ons geschilderd als een hoogstaand, vroom en ijverig man, wiens welsprekendheid beroemd was die daarbij tevens eene theologische geleerdheid bezat als weinigen.
Eéne schaduw viel naast zoovele groote deugden echter ook op dit leven, namelijk dat van Neercassel niet vrij bleef van Jansenistische invloeden, welk euvel veel Oratorianen nogal aankleefden. Tot 1652 was hij professor aan ’t Seminarie te Mechelen. In 1662 werd hij Coadjutor van Balduinus Cats met recht van opvolging en 9 Dec. 1662 te Keulen tot Bisschop van Castorië i.p.i. geconsacreerd. In 1663 zien we hem als Vicarius Apostolicus optreden, 23 jaren zou hij ’t hooge ambt blijven bekleeden tot 27 Mei 1686, toen hij te Zwolle overleed. ’t Is onder zijn bestuur dat een groot gedeelte van de werkzaamheden van Vader Grumsel viel en ook nog voor een klein gedeelte die van Pater Hendrik van Isendoorn, redenen waarom wij deze belangrijke figuur niet minder uitvoerig meenen te mogen voorbijgaan.

Laten we U allereerst het oordeel van den te vroeg ontslapen bekenden kerkhistoricus Dr. Gisbert Brom over Van Neercassel uit het 18e deel van ’t Archief van het Aartsbisdom overschrijven. Het luidt als volgt:

`Van Neercassel, door geboorte met de besten en invloedrijksten in den lande vermaagschapt, van natuur zoowel innerlijk als uiterlijk, met de schitterendste gaven bedeeld, in zijn geloofsijver altoos onvermoeid en het vuur, dat hem overal bezielde, ook aan anderen mededeelende, als controversist en kanselredenaar gelijk geen zijner katholieke land/ en tijdgenooten gevierd, Neercassel schijnt mij, zelfs met zijne zwakheden en gebreken nog een waardig figuur te maken in de reeks groote mannen, die de 17e eeuw tot de gulden periode hebben gemaakt onzer geschiedenis`.

´t Was van Neercassel die belangrijke geschriften over den toestand der Hollandsche missie naar Rome opzond en Dr. Gisbert Brom besluit het voorwoord van de publicatie van de relaties van Van Neercassel aldus:

“Verder blijkt mij uit dit verslag wederom, hoezeer de vrijheid der Katholieken allerwege met den dag bleef toenemen, en dat onze missie, uit haren schuilhoeken te voorschijn tredende en niet meer met boeten en banvonnissen bedreigd, thans een tijd van krachtig leven en volle ontwikkeling beloofde in te gaan.

Ach, dat er weldra een wesp moest komen knagen aan zulk een edele vrucht, voor wier groeien en bloeien zooveel gewerkt en geleden was!”

 

Bronnen:

  • 18e deel van ’t Archief van het Aartsbisdom Utrecht
  • 31e deel van ’t Archief van het Aartsbisdom Utrecht
  • Reusens, Analectes XXVII blz. 66