De missie-statie Vaassen (XVIII)

We hebben over “De Cannenborch” en zijne bewoners, onzen lezers ook nog een en ander mede te deelen, want ’t was dit kasteel, dat na den dood van Pater van den Broeck nog meer dan eene eeuw zijn naam zou geven aan de missie-statie, waarvan we ’t genoegen hebben in uitvoerigen vorm eene beschrijving te mogen leveren.

Maarten van Isendoorns gade Anna van Voorst tot Schoonderbeek, waarmede hij in 1598 gehuwd was, kwam na een ongeveer 25-jarig echtverbond te overlijden. Eenige jaren later hertrouwde hij met Anna van Steenbergen, dochter van Johan van Steenbergen en van een burgermeisje Mechteld genaamd. Uit z’n eerste huwelijk had hij twee zonen: Hendrik, naar z’n grootvader vernoemd, die in vreemden krijgsdienst was gegaan en diens jongere broeder Elbert, die met z’n Vader op “De Cannenborch” woonde. Maarten van Isendoorn à Blois zou met z’n tweede vrouw nog geen 100 uren voor ’t zevende sacrament verbonden mogen blijven, want 3 dagen na het huwelijk nam God haar in Zijne ondoorgrondelijke raadsbesluiten tot Zich. ’t Is de dood van deze burchtvrouwe, ons door Marie Koenen in hare historische roman “De wilde jager” met zijne bijtoonelen zoo ontroerend schoon geschilderd en waarbij ons Maarten van Isendoorn voor oogen getooverd wordt, als den katholiek, die z’n dierbaar geloof door de nieuwgezinden gehoond en verdrukt weet en bij wien in dat droeve uur, uit ’t diepst zijner ziel opwelt, die schoonste wensch eens vaders: eene priesterzoon te bezitten. Maar zooals hij ’t vroeg, zal het, neen màg het nooit kunnen! God alleen immers, geeft vroeg of laat de roeping, die met de heilige wijding en zalving tot het priesterschap haar hoogste bekroning vindt.

Maar laten we U citeeren uit “De wilde jager”, daarbij teruggaande tot den tijd, dat Willem Simons nog te Vaassen zijne zending had en verbeelden we ons een rijtuig waarin ook Maarten van Isendoorn’s tweede gade gezeten is, de Cannenborchpoort te zien naderen.

Hij staat vóór den wagen, die bij de brug heeft stilgehouden, reikt vrouwe Margriet en Anna de hand bij ’t uitstijgen….. als z’n stiefmoeder langzaam opgerezen, met beide handen op z’n schouders steunend moeilijk uitstijgt, zegt ze “Laat me even rust.”

Ontsteld ziet hij haar matte bleekheid en den pijntrek om haar mond. “’t Is niets”, stelt ze gerust, “Alles tezamen was tevéél voor me, m’n hart verdroeg ’t niet. Maar ’t komt met wat rust wel terecht”…..

“Gaat ’s nog tot aan de bank?” prevelt hij. Ze komen in ’t voorhuis en zij zinkt er neer op de bank. “Ik zal ze roepen”. “Blijf!” haar hoofd bonst neer tegen z’n borst. Hij steunt haar in z’n armen. “Moeder”- “Ja…. Moeder”….

Een oogenblik nog en de last wordt zwaar en roerloos in z’n armen, ’t hoofd zinkt weg van z’n hart.

In ontzetting staat hij, ’n schreeuw stoot in hem op…. Heeft hij geroepen? Hij weet het niet…. Nu onderscheidt hij stemmen…. Sofie, Anna…. “Dood? dood?” schalt het in z’n ooren.

Heer Marten komt, vrouwe Margriet…. ze nemen haar weg uit z’n armen, leggen haar neer….

“Loop het dorp in, of Willem Simons bij z’n ouders…. ’n priester, ’t Oliesel…. gauw dan, gauw!”

’s Is zijn Vader die hem voortdrijft, radeloos rent hij door de lanen, bonst aan vader Simons’schuurpoort, en rukt ze open, tast blind in ’t halfduister naar de zijdeur van ’t woonhuis.

“Heer Willem”….

“Jonker toch? wat is er? Willem is weg naar Heerde”….

Hij staart het verschrikte vrouwtje verbijsterd aan.

“Wat is er gebeurd?” krijt ze nog eens…. “Bij ons…. m’n Moeder”….

“De nieuwe vrouwe van den Cannenborg? Ziek? Gevaar?”

“Ik weet het niet!” stoot hij uit, en is weer buiten. Heerde? er heen rijden? Zinnend naar den weg weet hij…. “Te láát…. toch te laat…. te ver”….

Op den Cannenborg terug, vindt hij in de hal Sofie en Anna…. binnen bij de doode als slapend uitgestrekt op het rustbed, dat onder beeld en lantaarn is opgesteld, ’n Oogenblik staat hij op ’t kalm afgewend albasten gelaat te turen, op de saamgelegde fijne handen, die een klein zwart kruis houden.

“Is daar Willem Simons?” Z’n Vader heft zich op, hem tegen.

“Hij was weg”….

“Zoo moeten we sterven en begraven worden als heidenen!” vaart heer Marten uit. Hij schudt de gebalde vuisten omhoog en knarst de tanden samen. “Vervloekte ketters!”

“Marten!” smeekt vrouwe Margriet, “stil nu, stil”….

“De doode is zoo vlak bij Vader”.

“’t Is hun schuld! Zooals alles…. Heel ’t ongeluk van den Cannenborg door hen! wee, dit tuig”

“Vader, in alles toch Godswil, ook nu”….

“En jij! Ik weet dat al. Straks ga je me zeggen: “Dit is een teeken dat God geeft”…. ik hoor ’t al…. je wilt niet weg hè? Je blijft hier leuteren en lanterfanten…. Laffe jongen zonder ruggemerg!…. Dat ééne geluk gun je me niet…. Maar je zult…. Ik wil en je moet. Zij is zeker hier komen sterven, dat ik ’t je zeggen zou eindelijk….. Ik heb zelf m’n priesterroeping verloochend…. De Cannenborg en ’t geslacht van de Isendoorns gingen me boven God…. ik hoopte op den zoon, die ’t voor me verzoenen zou…. Nee roep niet…. laat me spreken…. Waanzin? Goed! ’t Woelde al lang. Al zoo lang die andere zoon van me…. Zie je, dat is nu ’t geslacht van de Isendoorns…. hij en jij…. Maar nu dwing ik je…. de allerlaatste zál priester zijn. Daam rijdt vooruit en ik ga morgen met je mee tot het einde van het bosch…. Alles gebeurt zooals we afspraken. En je komt hier niet terug vóór je wijding…. Versta je?

Vrouwe Margriet wenkt Elbert met hoofd en handen toe te geven, om den radeloozen man te bedaren. Maar Elbert tast naar z’n Vaders armen en dwingt hem neer op z’n stoel…. hij ineens de sterkste, want heer Marten laat hem begaan, gedwee als een kind. “Morgen, Vader, ja…. maar nu moeten we alleen aan háár denken”.

“De dood in ons huis, alleen de dood”, en heer Marten’s blik blijft in dien doffen wanhoopsschreeuw naar Elbert geheven. Die slaat de armen om hem heen. En ’t wordt stil. Vrouwe Margriet sluipt de kamer uit.

Als Elbert met z’n Vader ook in de hal komt, is er in hem na den storm een troost van stilte. Kaarsen branden naast het doodsbed. Er liggen jasmijnen naast het doodsbed. Er liggen jasmijnen als bruidsbloemen over haar witte lijkwa. Ze lijkt rustig en heel jong….

“We zullen de completen bidden” zegt heer Marten na lang verzonken zien. Hij heeft z’n zelfbeheersching geheel herwonnen en z’n stem klinkt onaangedaan.”

Kalm neemt hij de bel en laat die luiden als een helle klok. Of ze op dit teeken wachtten, komen de dienaars en met hen volk uit Vaassen, Moeder Simons vooraan. En het wisselgebed omruischt de doode, die glimlachend schijnt te luisteren”….

 

Elbert van Isendoorn werd geen priester, maar werd nadat na den dood van zijn vader, Hendrik, de oudste, z’n eerstgeboorterecht in 1634 aan hem had overgedragen, heer van “De Cannenborch” om dit tot 1681, ’t jaar van z’n dood te blijven. Maar vaders hartewensch zou, zooals mijne lezers uit een mijner vorige opstellen reeds kunnen weten, toch in vervulling gaan, al zou hij dit groote geluk in dit ondermaansche dan ook niet meer mogen beleven. In Hendrik den luitenant-kolonel, zou een dier late priesterroepingen belichaamd worden en na te Keulen bij de Minderbroeders-Recollecten te zijn ingetreden, zou hij als een nederige Franciscuszoon naar de voorvaderlijke burcht wederkeeren om er ruim zeven jaren lang de kudde van Vaassen te hoeden.

 

Bronnen:

  • De wilde jager, Marie Koenen