De missie-statie Vaassen (XIV)

Willem Simons, Apostel der Veluwe

Verbeelden we ons op een Zondagavond van de maand October van ’t jaar 1619, in de Eperesch te bevinden, dan zouden we, indien we de boerenhofstede die daar tegen den rand van een donker beukenwoud gelegen was, betreden hadden, in het bakhuis bij het knappende haardvuur, een tweetal mannen aangetroffen hebben, die in druk gesprek gewikkeld waren. De oudste was een sneeuwwitte grijsaard, wiens nog kaarsrechte houding ons toch niet weerhouden zou hebben, hem de acht kruisjes te geven, die hij in werkelijkheid dan ook al drie jaar achter den rug had, de ander was een jonkman in de kracht van zijn leven, met een fijn besneden gelaat, waarop men zoowel goedheid als vastberadenheid lezen kon, terwijl de adel van z’n karakter U uit zijne oogen tegenblonk. De oudste droeg de kleeding van den boerenstand uit dien dagen, terwijl, de jongste, wat zijn kleeding betrof, een scherp contrast met dezen vormde, deze droeg namelijk een hoog gesloten wambuis en van z’n broek met leren zitvlak waren de pijpen in een paar hooge rijlaarzen gestoken, die de sporen droegen van een tocht langs modderige wegen.

Maar laten we kennis nemen van het gesprek, dat daar tusschen den ouden boer en z’n gast gevoerd wordt.
“Willem”, sprak de grijsaard, terwijl hij naar den ander opblikte “wat moeten we den goeden God toch uit de volheid van ons hart dankbaar zijn dat hij een van ons eigen volk uitverkoren heeft om Zijne kerk opnieuw vasten voet te doen verkrijgen en hoe moet ik persoonlijk wel het voorrecht weten te waardeeren, dat Hij een mijner kindskinderen tot dit doel in den wijngaard gezonden heeft”. Even zweeg Jan Corneliszoon (want de grijsaard was de vader van Gerarda, de moeder van Willem Simons) om toen te vervolgen: “Hoe was ’t vandaag in Nijkerk, heb je zonder stoornis de Heilige Geheimen kunnen voeren en is ook dáár vooruitgang te bespeuren”.
Toen nam onze jonge ruiter ’t woord en sprak: “Naast God, ben ik den hoogwaardigen vicaris wel dank verschuldigd, dat hij mij deze zware, doch schoone taak, op de schouders gelegd heeft en met Gods hulp hoop ik ter Zijner eer m’n geestelijken zorgen den trouw gebleven katholieken te wijden, maar daarnaast hoop ik toch ook vele afgedwaalden weer op den goeden en veiligen weg te helpen.
Te Nijkerk las ik heden de Mis op de deel bij Wouter Collaerts. Meer dan dertig waren er in ’t zeer vroege morgenuur vergaderd en bij allen mocht ik aantreffen een levendig en vurig geloof en veel goeden wil. Ik doopte er 2 kinderen en 3 volwassenen, nam de biecht af en reikte Ons Heer uit. Als de ziekte, waaraan ik te Keulen zoo geruimen tijd lijdende ben geweest, mijne krachten nu niet meer gaat ondermijnen en ik de goede gezondheid mag behouden, die ik thans bezit, zal ’t kruis van Christus weer in den dorren bodem der Veluwe geplant kunnen worden.

Op mijnen terugtocht spoedde ik m’n ros tot grooten spoed aan en ondanks ’t gure stormachtige weder en de neerzwiepende regenbuien bereikte ik in den vroegen namiddag Harderwijk om eenigen tijd bij Doctor Modestus Senck te verwijlen, dien ik o.a. meedeelde met welke angstvallige zorg Heer Maarten van Isendoorn mij op “Den Cannenborch” huisvesting verleent en door mijne aanstelling als zijn koerier en zoogenaamd gevolmachtigde in zaken het ridderschap der Veluwe en zijne vele ambtelijke aangelegenheden rakende, mij aan het speurend oog der gerechtsdienaars tracht te onttrekken. Dit nu is, vanaf Februari van dit jaar, toen ik m’n missiearbeid op de Veluwe mocht aanvangen, verhoed kunnen worden, Grootvader. Hedenavond vóór middernacht hoop ik “De Cannenborch” te bereiken, na eenige nachtrust zal ’t weer vroeg dag voor me moeten zijn, want te Apeldoorn ben ik op een drietal plaatsen ontboden, om na deze bezoeken in de huiskapel aan “Brouwershof” te Oosterhuizen bij Beekbergen een huwelijk in te zegenen.”

Ja mijn lezers, ’t was niemand minder dan de gezalfde des Heeren, Willem Simons, die we als den toewijdingsvollen priester en als koerier van Maarten van Isendoorn vermomd, bij zijn grootvader van moederszijde Jan Corneliszoon op bezoek, hebben te herkennen. En bij deze schildering, waarbij de verdichting op historische grondslag gebouwd, de geschiedenis geen geweld vermag aan te doen, zien we deze edele zielenherder ten volle uitgeteekend als den geen vermoeienis kennenden heldhaftigen priester, die alle gevaren trotserende, onder de machtige schutse der van Isendoorns, naast wegbereider van de herleving van ’t katholicisme op de Veluwe den eerste priester der missiestatie Vaassen kan genoemd worden. Hij was het, die, zooals we later zullen zien, met enkele Paters van Jezus’ Gezelschap een groot gedeelte der Veluwe ontworstelde aan de dwaling van ’t Calvinisme maar het was ook deze, zichzelf verloochenende priester, die indien het Gods eer betrof of die Zijner Kerk, geen gevaren kende noch eenige weifeling, om ten slotte het offer van zijn leven te brengen en wiens laatste woord stellig moeten geweest zijn een bede tot God voor z’n goed Geldersch volk.