De missie-statie Vaassen (XIII)

Joannes Riserius of Vader de Reyser werd te Amsterdam geboren 28 Nov. 1573, hij trad in de Sociëteit van Jezus 22 Maart 1594 en werd priester gewijd 29 Maart 1603. Wij vinden hem in ’t jaar 1611 werkzaam in de Jezuïeten-statie te Utrecht, om het oude Ultrajectum van tijd tot tijd te verlaten, en alsdan de zielzorg op de Veluwe mede waar te nemen.

In een verslag van den toestand der Hollandsche Missie ten jare 1616 door den Apostolische Vicaris Philippus Rovenius en gepubliceerd door A. v. Sommen S.J. in den 1en jaargang van ’t Archief Aartsbisdom vinden we o.a. wat de Veluwe betreft het volgende opgeteekend: “Tota Velua fere caret sacerdote, nisi quod Pater Riserius e Societate Jesu subinde Geldros invisat” of “Heel de Veluwe bijna, is van zielzorg beroofd, behalve dat Vader de Reyser van nu af de Gelderschen bezoekt”.

’t Zal wel achter in het jaar 1616 geweest zijn dat Roverius dit verslag op schrift stelde, want het waren de eerste maanden van het volgend jaar, dat Vader de Reyser voor het eerst op de Veluwe verschenen moet zijn, om zijn zegenrijke missiearbeid aan te vangen.
Deze Jezuïet moet er dag en nacht gewerkt hebben, wellicht nog meer in den nacht, vanwege het geheime karakter zijner zending, doch na Modestus Stevenszoon Senck, moet aan dezen Ignatiuszoon den palm der eere gegeven worden, voor ’t vervoeren van den pioniersstaf, in dit voor ons geloof allermoeilijkst tijdperk.

Voor het nageslacht is nog bewaard gebleven een verslag door Vader de Reyser persoonlijk geschreven en toentertijd door hem aan zijne oversten afgezonden. Dit verslag werd door den bekenden geschiedkundige Pater Allard S.J. in het 20ste deel van “Studiën” vertaald weergegeven en willen we onzen lezers wat het overgroote deel betreft, niet onthouden. Het citaat volge dan hier ter juiste kenschetsing van den precairen toestand, waarin het katholicisme in den aanvang der 17e eeuw, zeker op de Veluwe verkeerde.

Vader de Reyser uitte zich als volgt:

“Toch heeft het land veel inwoners, maar overeenstemmend met den dorren bodem, die enkel door een groenen zoom is begrensd: want onverpoosde oorlogen hadden het volk verwilderd, en daar alleen de naam van katholiek op het nageslacht was overgegaan, werd lichtelijk het geloof verloren door hen, wier zeden te midden der ondeugden in gevaar verkeerden.

Het was dertig jaar geleden dat zij het katholiek vaandel gezien hadden. Op on-roomsche wijze vierden zij het huwelijk, allen bezochten zij de tempels der nieuwgezinden. De naam van biecht was of onbekend of een voorwerp van spot. Wie zou op de overwinning rekenen door zulke vijanden omsingeld. Ik vond er toch die zich gewaardigden mij gastvrijheid te verleenen, en toen de bazuin van het woord Gods den christen soldaat stoutmoediger had gemaakt, brak het niet aan dezulken, die met mij ten strijde togen, ten hunnent den standaard des kruises oprichtten, de geburen opriepen tot het heilig Misoffer en de preek. H. doopen der kinderen, het biechthooren van geheel een leven, het hertrouwen op katholieke wijze, hielden mij geheele dagen bezig.

Hoe vaak heb ik moeten worstelen met mijn knipperende oogen, die om nachtrust vroegen! Hoe gaarne had de zwakke natuur het heilig werk aan een ander overgedaan, zoo ik maar een deelgenoot had kunnen vinden van mijn nachtwaken! Ik wilde en moest niet ontaarden en mijn post niet verlaten, zoolang er kwamen toestroomen, die mijn heilaanbrengende hulp afsmeekten. Bijgevolg werden op de naamlijst der katholieken opgeschreven die van Beeckbergen, Twello, Voorst, Brummen ….. enz, benevens een groote menigte van adelijken. Ook richtten zij op zeven plaatsen huiskapellen op, waarheen zij in het vervolg als naar eene vrijplaats hunne toevlucht zouden nemen, wanneer deugd of geloof nieuwe aanvallen mochten verduren”.

Uit dit verslag valt voldoende op te maken, hoe de geloofsafval zich op de Veluwe voltrokken had, maar óók hoe Vader de Reyser orde in den chaos trachtte te scheppen, wat hem met Gods hulp dan ook is mogen gelukken. Bij honderden haalde hij de banden met de Kerk weer nauwer aan of behoedde hij voor totalen geloofsafval. Dat zijn missie-arbeid zich ook tot Vaassen heeft uitgestrekt, valt genoegzaam af te leiden uit zijn boven geciteerd verslag, waar onder de adelijken zeker ook de Van Isendoorns moeten gerangschikt worden.
Ja, Maarten van Isendoorn à Blois moet ook Vader Reyser op “de Cannenborch” gastvrijheid hebben verleend en op het kasteel zal in dien tijd wel een huiskapel ingericht zijn, die later zou uitgroeien tot het vaste bedehuis der Vaassensche katholieken. Ook het kasteel het Loo, thans “het oude Loo” geheeten en in gerestaureerden toestand met de gotische kerk te Beekbergen en het kasteelde Horst te Loenen, de eenige historische monumenten die Apeldoorn nog bezit zullen in dien tijd van een huiskapel voorzien zijn geworden.

Hier toch woonde Vrouwe Margriet van Voorst, dochter van Egbert van Voorst tot Schoonderbeek en Johanna van Arnhem en sedert kort weduwe van Herman Wolter van Isendoorn à Blois, 22 Juli 1616 overleden, na 17 jaren met haar door den echt verbonden te zijn geweest. Deze Herman Wolter was een jongere broeder van Maarten, heer van “de Cannenborch”. Anna van Voorst, Maarten van Isendoorn’s gade, was een zuster van bovengenoemde Margriet.

Tot het jaar 1619 zou Vader de Reyser de Veluwe als arbeidsveld behouden, want in dat jaar zou, na ontvangen priesterwijding, op verzoek der katholieke Veluwnaars naar zijn geboortedorp wederkeeren, die groote zoon van Vaassen Willem Simons, om met de zielzorg van deze gewesten belast te worden. Het was z’n oude leermeester te Keulen, Philippus Rovenius, die den jongen priester, wellicht mede ook door den invloed van Maarten van Isendoorn, dezen zwaren werkkring toevertrouwde.

 

Bronnen:

  • v. Sommen S.J. in den 1en jaargang van ’t Archief Aartsbisdom Studiën, 20ste deel, Pater Allard S.J.