De missie-statie Vaassen (XII)

In ’t voorjaar van 1605 wasde 14-jarige WillemSimonszoon uit Vaassen vertrokken. Naar het heette was hij inde omstreken van Haarleminde leer gegaan, om zich in ’t tuiniersvak grondig te bekwamen.

Zoo men ziet had Maarten van Isendoorn, die na den dood zijns vaders met “De Cannenborch” beleend was geworden, in samenwerking met Willems vader, alle voorzorgen genomen, dat ’t geheim van Willems priesterroeping goed bewaard bleef, een droeve noodzaak in die dagen.

Willem was niet westwaarts gegaan, doch had met z’n vader en Gijsbert den knecht, die ook in ’t geheim was, de Zuid-Oostelijke richting naar Keulen genomen, waar ze na een reis van vier dagen in goeden welstand met de huifkar waren gearriveerd.

’t Moet zeker de Hoogwaardige Heer Sasbout Vosmeer, de in 1602 uit de Nederlanden verbannen Apostolische Vicaris geweeest zijn, die de reizigers op ’t door hem gestichte Seminarie begroet heeft, om daarna den jongen Vaassenaar onder zijn hoede te nemen. Gijsbert Aarts zal bij ’t afscheidnemen wel een traan hebben weggepinkt en op dat moment wel voor de zooveelste maal herdacht hebben, hoe het toch mogelijk was geweest, hoe hij tijdelijk zóó had kunnen afdwalen, maar hij zal toen tevens dankbaar Pastoor Willem Janszoon herdacht hebben, die hem ter rechter tijd voor verdere afdwaling had behoed en door wien hij met Gods genade den schat des geloofs had gevonden.

Dit Seminarie zou den grooten stoot geven aan de Katholieke Contra-Reformatie in de Nederlanden, waarin vooral doorde Sociëteit van Jezuszooveel en intensief is gearbeid, maar de seculiere geestelijkheid overtrof in aantal al spoedig de reguliere. In 1616 waren reeds ongeveer 200 wereldheeren in de binnenlandsche missie werkzaam.

In ’t eeuwenoude Keulen zouden onder Sasbout Vosmeer’s leiding de priesters gevormd worden, die bestemd zouden worden om de in Holland zoozeer verspreide kudde te behoeden en uit te breiden.

Naast Sasbout Vosmeer zouden geleerde priesters als Philippus Rovenius en Leonardus Marius, zich hier met hunne groote gaven van geest en hart aan de studeerende jongelingschap wijden.

Philippus Rovenius was te Deventer geboren op den 1en Jan. 1574 en in 1599 te Leuven priester gewijd. Was Sasbout Vosmeer de stichter van ’tSeminarie, Rovenius was de eerste president. Toen hij in 1607 Deken van Oldenzaal werd, werd zijn opvolger als president Henricus van Vorden, genoemd naar z’n geboorteplaats. Deze president volgde Rovenius weer op als Deken van Oldenzaal, toen deze door Paus Paulus V den 11en Oct. 1614 werd benoemd tot Apostolische Vicaris, als opvolger van den zoozeer betreurden Sasbout Vosmeer; die in Mei van laatstgenoemd jaar, in ‘t 12e jaar zijner ballingschap, te Keulen overleden was.

Als derde president trad aan, de te Goes geboren Doctor in de Theologie Leonardus Marius die sinds eenige jaren op ’t Seminarie professor was geweest. ’t Was deze Leonardus Marius die in 1631 pastoor van het Begijnhof te Amsterdam zou worden en omstreeks 1640 onzen grooten Vondel voor de Kerk zou leiden en bij wiens dood den 18en van Wijnmaand 1652, die Prins onzer Nederlandse dichters getuigde:

“De maagd en ’t weeskind krijt:

Wij zijn helaas! Ons tweeden Vader kwijt!

Zoo vele letterkloeken,

Die raad aan hem en zijn orakels zoeken

Verstommen, nu hij zwijgt,

En niemand op zijn vragen antwoord krijgt.”

 

Deze godsvruchtige en wijze leermeesters, zouden den braven, godsdienstigen Vaassenschen jongen wel tot den waren zielzorger vormen.

Hoe zij hierin ten volle geslaagd zijn, zullen de eerstkomende vervolgen in den breede ontwikkelen.

We laten Willem Simonszoon in Keulen achter en in gedachten aanvaarden we met Willem’s vader en Gijsbert Aarts den terugtocht.

De jaren die nu voor Vaassen en omgeving, ja voor heel de Veluwe, aangebroken waren, zijn voor ons heilig geloof wel de moeilijkste geweest. De geheele Veluwe was van geestelijke zorg verstoken, zoodat men bewondering moet hebben voor de kleine kudde, die trots en ondanks de bergen moeilijkheden, de kerk getrouw bleef.

Tien jaren zouden voorbij gaan, zonder dat een priester den zegen over een huwelijk zou uitspreken of bij ’t jonge leven de smet der erfzonde zou afwasschen door het reinigende watervan het H.Doopsel. Tal van jaren hebben al diegenen die in hun hart het voorvaderlijk katholiek geloof hadden bewaard, de troostmiddelen der H. Kerk moeten derven, er was geen gelegenheid om hunne biecht te spreken of de H. Communie te ontvangen.

Over de Veluwe hing de koude adem van ’t Calvinisme en ons heilig geloof was schijnbaar van onze zandgronden verbannen. We schrijven schijnbaar, want binnenshuis klopte nog altijd, zooals eerder gezegd, bij velen het katholieke bloed in hun levensader.

Als de nood het hoogst is, is Gods hulp het meest nabij, zoo ook hier in de Geldersche gewesten!

Over eenige jaren zou Vaassen zijn apostel krijgen in een eigen zoon van ’t eigen volk, doch dit groote geluk zou aan Harderwijk reeds eenige jaren vroeger ten deel vallen. Want ’t was de Harderwijker van geboorte, Modestus Stephanuszoon Senck, die na tot priester te zijn gewijd en den doctorshoed in de H. Theologie verworven te hebben, ten jare 1616 in ’t ouderlijk huis te Harderwijk schuilplaats hield en van daar uit als reizende priester de geheele Veluwe bediende, in zoover hier dan van bedienen sprake kan zijn. Want ieder zal kunnen begrijpen, dat gelet op de primitieve vervoermiddelen uit dien tijd en de allermoeilijkste omstandigheden waaronder deze, door allerstrengste plakaten verboden, missiearbeid verricht moest worden, er van ook eenigszins voldoende geestelijke zorg, allerminst sprake kon zijn. Maar Modestus Senck zou spoedig hulp erlangen van een dier stoere zonen van de Sociëteit van Jezus, die in ’t voorjaar van 1617 van Amsterdam naar de Veluwe toog, om met den Harderwijker priester de getrouwen bij te staan en te redden wat te redden viel.

Over hem, door den volsmond Vader de Reijser geheeten, in welken naam de liefde die de verstrooide kudde hem toedroeg te beluisteren valt, in een volgend artikel meer.