De missie-statie Vaassen (XI)

We hebben den oud-pastoor van Putten, Wilhelmus van Wees als boerenknecht vermomd, “De Cannenborch” zien betreden en we weten ook, dat hij den kasteelheer, Hendrik van Isendoorn à Blois, over een zaak van groot gewicht, want elke priesterroeping is eene zaak van ’t allergrootste belang, wenschte te spreken.

Aan de gedrukte stemming die tusschende muren van “De Cannenborch” heerschte, bemerkte hij alras, dat er iets bijzonders, dat zeer wellicht eene kwade tijding verborg, hem spoedig geopenbaard zou worden. Daar werd aan het einde der hal eene deur open geworpen, en trad de oudste zoon des huizes, Maarten van Isendoorn, haastig op den pastoor toe en sprak: “Wees welkom eerwaarde, maar kom spoedig mee naar Vader, die plotseling ernstig ongesteld is geworden en naar een priester verlangt”.
Geen minuut later had jonker Maarten, nadat de pastoor zich van z’n halsdoek en overjas ontdaan had, aan dezen eene priestertoog gegeven. Nadat de pastoor eene grove steek, waarmede de voering aan zijne overjas was bevestigd, had opengereten en hieruit de listig verborgen witte en paarse stola’s genomen had, spoedde hij zich naar het vertrek waar de ernstig zieke Hendrik van Isendoorn zich bevond. In één ondeelbaar oogenblik, had de reeds op jaren zijnde priester, die aan zoovele stervenssponden had gestaan, gezien, dat ’t ook hier, evenals in de Wiltbaan, wel spoedig zou afloopen.
Hendrik van Isendoorn was nochtans helder van geest en oogenblikkelijk gevaar scheen er niet te zijn. Ja nog in deze ure informeerde hij, ’t zij dan met zwakke stem, naar den toestand op kerkelijk terrein in de Geldersche gewesten en naar ’t aantal priesters dat in de gegeven omstandigheden nog in bediening was, waaruit voldoende bleek, hoezeer het ook dezen van Isendoorn aan ’t hart ging, dat zoovelen, vaak door den hevigen drang op hen uitgeoefend, de kerk meenden te moeten verlaten.
Toen sprak de priester…. En toen hij uitgesproken  was, nam hij de biecht af en reikte Ons Heer uit, terwijl de toediening van het H.Oiesel volgde.

Maarten en Steven van Isendoorn, hunne zuster Anna en Anna van Voorst tot Schoonderbeek, de schoondochter, met wie Maarten in 1598 gehuwd was, waren bij de bediening tegenwoordig geweest en terwijl de priester terzijde stond, wenkte de zieke den oudsten zoon, om naderbij te komen. “Maarten”, sprak de Vader, “jij moet zorgen dat Willem van Simon uit de Wiltbaan naar Keulen gaat en dat God dan geve dat hij eenmaal priester van Zijne kerk worde”. En Maarten legde z’n hand in die van zijn vader en Hendrik van Isendoorn à Blois wist toen, dat alles goed zou zijn en als ’t Gods wil was, Willem Simonszoon eenmaal den priesterlijken staat zou bekleeden.

Den volgenden dag beierde de doodsklok boven “De Cannenborch” en ook in de Wiltbaan waren de gordijnen neergelaten; hier zag men Hendrik van Isendoorn, de edelman, opgebaard, die nog in z’n stervensuur vol zorg voor z’n kerk was geweest, de Moederkerk voor wier eer hij z’n leven lang gestreden had en ook, zoo noodig, z’n bloed had willen storten en daar op de hoeve lag het ontzielde lichaam van Willem Simonszn, z’n pachter, op wiens wasbleek gelaat een zóó innigen trek van geluk en vrede lag, dat z’n verstijfde mond een gebed scheen te prevelen voor z’n heer, wiens grootmoedig besluit, hem nog vóór z’n zalig afsterven, door den goeden priester was medegedeeld geworden.

Twee grootvaders waren Dinsdag gestorven! Terwijl de een zou bijgezet worden in den grafkelder der Van Isendoorns, die gelegen was in het door de ketters in bezit genomen heiligdom, zou de ander op een verlaten hoekje van het daaromheen gelegen kerkhof z’n laatste rustplaats vinden.
Twee grootvaders waren dien dag gestorven! De een, een onbemiddelde pachtboer, die z’n geloof lief had gehad met z’n gansche ziel, was naar betere gewesten heengegaan in ’t zalige bewustzijn, dat wellicht zijn kleinzoon en naamgenoot, eens het altaar zou mogen beklimmen en de ander had in ’t groote geluk mogen sterven, voor dit schoon en verheven doel den grondslag te hebben gelegd; maar deze heeft later vanuit den hemel óók mogen neerzien op dien anderen kleinzoon, dien van zijn eigen bloed, dien, na in de wereld tot den hoogen rang van luitenant-kolonel te zijn opgeklommen, zich verdeemoedigde, z’n uniform verwisselde voor het bruine habijt en het geeselkoord van St. Franciscus volgelingen en eveneens de priesterlijke zalving zou ontvangen.

En in hun eindeloos volmaakt geluk zouden vanuit den hemel, Willem Simonszoon en Hendrik van Isendoorn, met welgevallen neerzien op den missie-arbeid hunner kindskinderen, op de 9 jaren, toen de in de Wiltbaan geboren priester Willem Simonszoon zich in Vaassen en op de Veluwe dood werkte, om na zijn vroegtijdigen dood in 1628, gekroond te worden als “Velaviae Apostolus” en ze zouden ook volgen dien anderen strijd, den strijd dien Pater Hendrik van Isendoorn à Blois, bijna een kwart eeuw na den dood van den Apostel der Veluwe in dezelfde landouwen aanving, hiermede het werk der Paters Jezuïeten, die Willem Simons’ taak na diens dood hadden overgenomen, voortzettende.

Deze heldhaftige priesters hebben ieder afzonderlijk arbeidend het offer van hun leven gebracht met slechts één doel voor oogen, het zielenheil der katholieken van Vaassen en omgeving en de bekeering der afgedwaalden tot de Kerk van Christus.

Op deze plaats een eerbiedige hulde te brengen aan hunne gedachtenis, voelt schrijver dezer opstelling, als een onafwijsbaren plicht, temeer daar ook zijne voorouders, die onder de statie Vaassen hun levensstrijd streden, uit de handen van deze gezalfden des Heeren, het Brood der Engelen ontvingen.