De missie-statie Vaassen (X)

In Vaassen was in ’t begin bijna geen sprankje katholiek leven meer te ontdeken. Toch was er nog een vrij groot aantal gezinnen, die de schat des geloofs niet verloren hadden, maar, wat zoozeer nodig was, geestelijke hulp ontbrak zoo goed als geheel.
In de oude kerk, waar zoovele eeuwen de Roomsche liturgie haar warmen gloed had verspreid, vonden thans de nieuwgezinden elkaar en onder Dominé Goddaeus’ preeken zongen ze afwisselend hunne eentonige gezangen, de meesten wat onwennig, bij deze zoozeer schrille tegenstelling. Er keerde, zooals we later zullen zien, nogal eens een enkele naar den ouden schaapstal terug. Maar wat is een schaapstal zonder herder, de plannen werden in al hunne gestrengheid uitgevoerd, om de wederopluiking van het katholicisme zooveel mogelijk te beletten, want geheel beletten, dat wist de overheid maar al te goed, was niet mogelijk.

Op “De Cannenborch” klopte de hartslag van het Katholieke Vaassen. Hier was elk gezin bekend, dat de Kerk trouw was gebleven en hier was het dat de Veluwsche pastoors, die niet tot afval te bewegen waren geweest, en die speciaal op de hielen werden gezeten, vaak vluchtplaats en tijdelijk onderdak vonden.

Zoo was het ook geweest met Wilhelmus van Wees, pastoor van Putten, de kloekmoedige herder, die bij de oude leer bleef “sonder dat hij eenige berichtungh heeft willen toelaten noch in conferentie “treden” en die op 19 Juli 1596 door het Hof “geremoveert” was, maar ondanks dit alles toch onbevreesd doorging met prediken, doopen, enz. (Gelre, deel 25, blz. 119).

Ds. Kintzius die dezen “papistische pape” te Putten van de pastorie verdrongen had, getuigde in 1608 van hem, dat deze Wilhelmus van Wees was “die enige orsaecke, daerdoor alle goede reformatie weinich plaetz aldaer mach hebben”.

’t Was op een najaarsdag van ’t jaar 1604, dat deze zielenherder, die onder zulke allermoeilijkste omstandigheden zijn priesterambt vervulde, den klopper op de Cannenborchpoort liet vallen en verzocht binnen gelaten te worden. Wie zou in dien sjofel gekleeden landarbeider een vermomde priester vermoed hebben? De pastoor droeg een kort wambuis van grove stof, een werkbroek die de sporen van landarbeid droeg, terwijl een jekker van ruige, dikke stof en een om den hals geknoopte katoenen geruite doek, hem tot een landman van den lageren stand stempelde.

De moedige priester was dien middag de H. Teerspijze wezen brengen aan Willem Simonszoon in de Wiltbaan. Deze, die ernstig ziek was, had het beheer over de pachthoeve al sinds jaren overgedragen aan z’n zoon Simon, die we bij de bediening van Sophia van Stommel, vrouwe van Cannenborch, als jong knaapje hebben leeren kennen.
Simon is al sinds 14 jaren gehuwd met Gerarda Jansdochter, wiens Vader eene hoeve bewoonde gelegen in den Esch, te Epe, vroeger behoorende aan ’t Augustijnenklooster Bethlehem bij Zwolle en waarvoor deze aan “de provisieren des conventes jaerlicks op St. Martini sess golden guldens te betaelen hadt”. Simons Moeder rust al eenige jaren op ’t kerkhof en Vader zal de krankheid wel niet te boven komen en spoedig met haar vereenigd zijn.
Treden we de ziekenkamer binnen waar de nog geen zeventig jaar oude Willem Simonszoon op z’n ziekbed, dat z’n stervenssponde zou worden, ligt gekluisterd, dan zullen we Simon en Grada aldaar aantreffen, terwijl een glimlach van geluk over het gelaat van hem die zooeven de laatste H.H. Sacramenten ontvangen heeft, speelt.
“Simon” zegt hij tegen z’n zoon, “de pastoor heeft mij beloofd naar ’t kasteel te gaan om er daar over te spreken. Als de goede God mij nu dit laatste groote geluk nog zou willen schenken, vóór ik henen ga om met Moeder vereenigd te zijn dan zou het mogelijk kunnen worden dat ik nog in dit aardsche leven, tenminste de hoop op de vervulling van wat altijd m’n schoonste levensideaal geweest is, met blijdschap mag begroeten. Want wat was het geval? Simons oudste kind, een schrandere knaap van 14 jaar, die naar Grootvader vernoemd was, dus ook Willem Simonszoon heette, had meermalen te kennen gegeven, zoo gaarne priester te willen worden. Wel wonderbaar was de volheid van Godsgenade in de ruime kinderziel neergedaald, die, gekoppeld aan de brave, godsdienstige opvoeding die Willem’s ouders hem gegeven hadden, dezen zin voor priesterroeping had bewerkstelligd.
Nu al meer dan een jaar hadden de ouders gepiekerd, en ook Grootvader sprak in den familieraad mee, waar de mogelijkheid lag, om Willem’s hartewensch zijn begin van vervulling te kunnen geven. Zelf waren ze, ook niet ten deele bij machte, de kosten van deze studie te dragen. Willem zou naar Keulen moeten, naar het door den verbannen Apostolischen Vicaris Sasbout Vosmeer, aldaar in 1602 gestichte Seminarie, want in Holland waar de uitoefening van den Katholieken eeredienst door de strengste plakkaten verboden was, viel aan de oprichting van eene opleidingschool voor de geestelijkheid uit den aard der zaak in ’t geheel niet te denken!
Grootvader, hoewel ernstig ziek, had bij zijne bediening aan Pastoor van Wees het vurig verlangen van zijn kleinkind medegedeeld. Nadat ook de overige gezinsleden, waaronder Gijsbert Aarts, dien we nog kennen uit het voor z’n godsdienstig leven van zoo groot belang geweest zijnde onderhoud met Pastoor Willem Janszoon, ook hunne biecht hadden gesproken en de H. Communie hadden ontvangen, ging Pastoor van Wees zich een kwartier uurs met Willem onderhouden en al spoedig was hem gebleken, dat hij hier te doen had met een verstandigen, door en door godsdienstigen jongen, die voor opleiding tot priester als geknipt scheen.

Fluisterend beloofde hij Grootvader om nog in den avond terug te komen en naar hij hoopte met goede tijding….

 

Bronnen:

  • Gelre, deel 25, blz. 119