De missie-statie Vaassen (IX)

We schrijven ’t jaar 1604 en nog steeds gelijkt de pastorie te Vaassen een niet te nemen burcht, waar de predikant Peregrinus van Heerde, die niet volledig voor de Synode wenschte te capituleeren, zich met de moeder zijner kinderen, de voornoemde Gijsbertje Petersdochter, verschanst hield.
In Juni van bovenvermeld jaar zou de Synode wederom te Arnhem bijeenkomen en voor de zooveelste maal maatregelen van tucht tegen Peregrinus e.a. nemen. Thans viel ’t volgende besluit:

“Peregrinus de Hierdt, pastoor tot Vasen eintlyck te constringeren, dat hij met ons eenparich in lere ende in ceremoniën sije ende sulckes binnen 1 Maendtz tijt laete blijcken, ofte dat hij van sijn ministeris, als lange genoch een spotter geweest zijnde, afgesettet worde.”

Ook de Jezuietische schoolmeester (wat waren en zijn de Jezuïeten, die keurbende van St. Ignatius, die ons land voor een niet onbelangrijk deel uit de grijpklauwen der Hervormers gered hebben, toch een boemannen) komt aldaar weer op het tooneel.

Laten we kennis nemen van hetgeen ten opzichte van dezen schoolmeester-Jezuiet, die hoogstwaarschijnlijk de laatste hoedanigheid evenmin bezeten hebben dan een der synodebroeders, geordonneerd wordt. Het volge hier, evenals de voorgaande citaten, in de oude schrijfwijze overgenomen en uit de nagelaten notities van wijlen Pastoor J.H. Hofman, thans berustende in de bibliotheek van het Klein-Seminarie te Apeldoorn.

“Dat Theoodorus van der Heijden, jesuita, die hem tot Vasen des schoeldientz aenneemt, ad examen verschreven worde om te vernemen, wat in hem zij ende doer wiens authoriteit hij den dienst angeferdet”.

Een belangrijk feit schijnt zich in 1606 voorgedaan te hebben, toen huwde Peregrinus van Heerde, de reeds jaren afgevallen oud-pastoor van Vaassen, voor den predikant te Epe, Ds. Rutgers Vittaeus, met haar, met wie hij zoovele jaren in concubinaat had geleefd en deswege velen, Katholieken en Protestanten, eene bron van ergernis was geworden. Volgens Ds. G. v. d. Zee in zijne “Kerkgeschiedenis van Vaassen” werd dit huwelijk op den 2en December 1606 voltrokken. Desondanks blijft hij in de oogen der classicale broeders “een olden paep” , die met “den jesuytschen schoelmeester” niet te vertrouwen is, al deed hij ook als predikant practisch geen dienst.

Op aandringen der Classis, bepaalde de Synode in 1608:

“Sullen mede den Ed. Hove voordragen de grote ontstichtinge tot Vaeschen, allwaer een olden paep nu veele jaeren tegen des Ed. Hoves meeninge ende placaten bij den jonckeren is gemainteneert ende nu mit eenen Jesuitschen schoelmeister versterckt, ten eijnde door des Ed. Hoves eernstige bevehlen beide de paep ende schoelmeister mogen geremoviert worden” (Gelre deel 25, blz. 121).

In een noot op dezelfde bladzijde lezen we, dat de predikant van Oene in 1600 verklaarde, dat het kerkbezoek redelijk was, doch dat de jonkers “groet afbruck” deden en dat in 1601 door denzelfden predikant en door dien van Epe geklaagd werd, dat de koster Roomsch was en b.v. het brengen van water voor den doop weigerde. ’t Lijkt dan ook wel erg, een Roomsche koster in een Protestantsche kerkgebouw! Vandaag nog voor vele dominé’s om van te griezelen. Te moeten bedenken, dat zulke kosters vele kinderen in ’t geheim katholiek gedoopt hebben.

In ’t jaar 1609 zou dan eindelijk ’t rijk van Peregrinus een einde nemen. Op 13 Maart van dat jaar ontving de Schout van Epe van ’t Hof de lastgeving om aan Pelgrum van Hierden het verbod te doen toekomen zich met den kerkdienst te bemoeien. Het antwoord dat de Schout van den, ook nu nog tegenstribbelenden apostolaat ontving, heeft hij in een schrijven aan het Hof verwerkt en is té merkwaardig om hier niet te vermelden. De schoutschrijft van den “pastoer” vernomen te hebben, dát

“sijn L. een cranckelick, bedlegerigh, laemme, gichtich man sy ende nu een lange ruyme tijt van jaeren nerrigens anders heeft kunnen coemen als daer met hem heeft gevuyrt ende met een stoel gedraegen, en de light alnoch tegenwoordich aen die voorschreven cranckheit den meesten tijt te bedde, weshalven hem onmoegelick op die sinodale vergaderongen te compareren, als die gantsche gemeintte alhier notoir is. Seght oeck, dat hij sedert den jaer 1592 tot huyden toe niet heeft gedoceert noch eenige kerckelicke ceremoniën in ’t minste ofte meeste (synes wetens) geuseert, die ennichsins solden kunnen strijden tegens die Gereformeerde religie ende verseuckt oetmoedelick, dat H. Ed. L. en de G. hem gelyeven goetlichen te vergunstigen, dat hij die gemeintte in dit aenstaende hoecktijt van Paesschen Godtz wordt noch mal troulich prediceren, sonder prejudicie der Gereformeerde regelie, om inmiddels ende nae het hoechtijt te doen in dese saecke alst behoeren sal” (Gelre, deel 25, blz 121-122).

Het Hof herhaalde echter zijn bevel en vulde dit in zoover aan, door de mededeeling, dat met Paschen in den dienst zou worden voorzien. Na “leendienst” door de predikanten van Apeldoorn en Beekbergen werd ’t volgend jaar Hermannus Godaeus de opvolger van Peregrinus van Heerde.
Of de laatste met zijn “cranckelick” lichaam op zijn stoel (zie boven) de pastorie is uitgedragen geworden en waarheen men hem heeft “gevuyrt” wordt door de historie niet vermeld. Maar mogelijk en zeer te hopen is, dat hij nog vóór z’n dood den weg naar de kerk teruggevonden heeft en als een berouwvol zondaar is gestorven.

 

Bronnen:

  • Gelre deel 25, blz. 121-122