De missie-statie Vaassen (VIII)

Om U een juist beeld te geven van den voortgang der reformatie in Vaassen, lijkt het mij noodig het leven van Peregrinus van Heerde, in dit bestek verder te behandelen. Dit leven moet voor Peregrinus zelf, zeker zeer moeilijk geweest zijn.
Hij is de oud-pastoor en de nog niet volledig geaccepteerde predikant, die zich blijkbaar van de laatste restjes, die hem van de Katholieke Kerk nog gebleven waren, niet wilde ontdoen, maar wiens verzet-natuur zich ook tegen het Calvinisme richtte, bleef meester op de pastorie, zonder nochtans geestelijke zorg van eenigen omvang uit te oefenen.
Nadat hem door het Hof in Nov. 1595 bevolen was “zich in allen deele aan de Gereformeerde kerkorde te houden” en in 1597 gelast werd “den Catechismus met ijver te bestudeeren en met Gods woord te vergelijken, opdat hij in staat zoude zijn te verklaren, of hij dien al dan niet voor “schriftmatich” hield”, (Gelre deel XXV, blz 121) beloofde hij 2 jaar later aan de Classis om binnen het jaar te Apeldoorn het Avondmaal te zullen ontvangen en “sich alsoe der gemeinte Godts inlijven.”

Maar wat bracht ’t volgend jaar?

In April 1600 werd hij wederom ter vergadering opgeroepen en na aldaar verschenen te zijn bracht hij ten aanzien van het Avondmaal eenige uitvluchten te berde, voorts verklaarde hij den catechismus “in sua qualitate” goed te vinden, maar zich op de onderteekening nog te willen bedenken (Zie hiervoor laatste bronvermelding).

Het eenparig besluit der classicale broeders luidde als volgt:

“Overmits he so langen tidt gehad heeft ende so lange gedragen ist ende nochtans gehn runde verklaringe doen wil, dat he in dinst des Wordes niet behoert geleden the worden ende derwegen door auctoriteit des Synodi van seinen dienst de facto te removeren.”

Doch Peregrinus van Heerde trok zich noch van het eene, noch van het andere iets aan, en bleef de pastorie bewonen.

We meenen te moeten aannemen dat de Roomsch-Katholiek gebleven Vaassenaren, niet bijzonder gesteld zijn geweest op ’t verleenen van geestelijke hulp door Peregrinus van Heerde. Want ondanks alles bleef hij immers priester! Of deze geestelijke hulp weinig of veel malen ingeroepen is geworden, zal wel altijd een raadsel blijven, doch onmogelijk is het niet. Meer waarschijnlijk lijkt mij echter dat de pastoor van ’t naburige Oene, Bartholomeus ter Cluse, waarvan vast staat dat hij het Roomsche geloof trouw bleef, misschien met behulp van die andere pastoors, die eveneens de reine parel van het behoud des geloofs, in veilige hoede hadden gebracht, als Cornelis Voeth van Apeldoorn, Wilhelmus van Wees, van Putten en Henric Wolters van Voorthuizen, in ’t geheim nog eenigen tijd werkzaam zijn gebleven en zeker in noodgevallen hulp verleenden.

Vanzelf voeren onze gedachten ons hierbij ook naar het klooster Nazareth dat even buiten Oene gestaan heeft en in ’t midden der 15e eeuw tot grooten bloei was gekomen door den eerwaarden heer Nicolaas Boudewijns.

Volgens de “Oudheden en gestichten van het Bisdom Deventer” 2e deel, pag. 510 en 511, voerde deze priester gedurende 51 jaren ’t bewind over dit klooster, dat bevolkt werd door Franciscanessen, Tertiarissen, dus geestelijke Zusters die leefden volgens den Derde Orde-regel van H. Franciscus,

Nicolaas Boudewijns moet den dag vóór den feestdag van O. L.Vrouw Geboorte van ’t jaar 1491 overleden zijn en werd “in het koer der kerke, die hij op zijne kosten opgebouwd had, begraven”.

Zou dit klooster, waarvan we nog kunnen vinden dat Pater Cornelis van Tiel, in ’t jaar 1550 aan deze stichting, welks volledige naam Sint Marie van Nazareth was, verbonden is geweest, omstreeks 1600 nog zusters, benevens een rector geherbergd hebben?
Hieromtrent is niets met zekerheid bekend, doch afgaande op ’t feit dat Gelderland aan de reformatie zoolang weerstand bood, aan den invloed der van Isendoorns, te Vaassen en omgeving, ten slotte gelet op het spel dat een Peregrinus van Heerde met de heeren der Synode speelde, lijkt me de zoogenaamde kerkhervorming, wat Vaassen en omtrek aangaat, zeker tot ’t jaar 1606 nog niet vast gefundeerd te zijn.
‘k Geloof mijne hypothese niet al te gewaagd, dat gedurende de laatste jaren der 16e en ’t eerste decennium der 17e eeuw vanuit ’t klooster Nazareth, door een aldaar waarschijnlijk nog aanwezig geweest zijnden rector, ook te Vaassen de troostmiddelen onzer H. Kerk zijn uitgereikt en toegediend geworden. Over dit klooster kan uit oude bronnen nog medegedeeld worden, dat het na de ontvolking, wellicht plm. 1625, tot eene bierbrouwerij is ingericht geworden.De Staten van Gelderland hadden het geconfisqueerde klooster met opstallen en landerijen voor de zeker toen niet, onbeduidende som van ƒ 50.000 verkocht. Na 1602 moet het door den Schout van het dorp als woonhuis gebruikt zijn geworden.
In de 18e eeuw zijn door amovatie ook de laatste resten van dit huis van gebed en wereldonthechting verdwenen. Wie weet mij de plek aan te wijzen waar de Zusters van Nazareth hunnen lofzangen zongen?

Na deze noodzakelijke afdwaling gaan we weer naar Vaassen en zien we dat over Peregrinus van Heerde op de Synode, in Juni 1600 te Arnhem gehouden, als volgt geoordeeld werd:

“Pelegrinus pastoor tot Vaessen is ’t weigerlick bevonden, hem te begeven tot der tafel des Heeren, alsock in het onderteicken der christiken Catechismi. Wordt derhalben des ministerii gantzlik onweerdig erkondt.”

Weer zijn we een jaar later, en er wordt Synode gehouden te Zutphen, thans heette het: “Van den pastor tot Vaesen wert den deputatis synodi afgeleydt daerin te doen wat de noot verreysschen sal”, en 2 jaar later oordeelde de Harderwijksche Synode, die in Juli 1603 gehouden werd dat:

“Alsoo de Synodus verstaen heeft ende by goede navorschinge bevonden, dat 4 dienaren deeses landts tot den Kerckendienst onbequam sijn om diversche redenen, leer en leven aangaende, vindt de E. Synodus goet, dat deselve dienaren als Reynerus Wijncoop tot Barneveldt, Peregrinus de Heerd tot Vasen, Johannes Laurentius tot Pufflijck en Jacobus Walewijn tot Leeuwen van haeren dienst gedeporteert worden, met onderscheid nochtans dat voor de twee eersten als oude pastoren alimentatie aen den E. Hove sal versocht worden.”

Verder werd op deze Synode gewag gemaakt van een schoolmeester te Vaassen, die Jezuiet heette te zijn. Hoort hier de Synode: “Van Theodoro van der Heijden, schoolmeester tot Vaesen, gheseyt werd Jesuyts te sijn, is besloten dat hij van den Ed. Hove tot Arnhem verschreven sal werden ende in den kerckenraedt aldaer geëxamineert.”

 

Bronnen:

  • Gelre deel XXV, blz 121
  • Oudheden en gestichten van het Bisdom Deventer, 2e deel, pag. 510 en 511