De missie-statie Vaassen (VII)

We zijn enige jaren verder en Pastoor Willem Janszoon is van Vaassen weggeroepen of is aldaar gestorven, zekerheid daaromtrent bestaat tot op heden niet.

Vermoedelijk op ’t einde der tachtiger jaren van de 16e eeuw, werd tot pastoor van Vaassen aangesteld Peregrinus van Heerde. Deze pastoor nu, kan niet bepaald aanspraak maken op een smetteloozen levenswandel, neen erger nog, hij ontstichtte zijne parochianen door meerdere zaken en gedragingen en ’t schijnt wel vast te staan dat hij in concubinaat leefde met zekere Gijsbertje Petersdochter. Hij behoorde tot de verdorven geestelijkheid dier dagen, waarvan de een spoediger dan den ander, het overgroote deel ten leste, de zijde der hervorming koos.

Het lukt mij niet de onverkwikkelijke geschiedenis van Peregrinus van Heerde’s of Pelgrum van Hierden’s pastoorschap in den breede uit te meten, daar wij gevoeglijk kunnen aannemen, dat Peregrinus vóór zijn huwelijk met Gijsbertje Petersdochter in ’t jaar 1606, sinds jaren voordien niet meer als pastoor van Vaassen kon aangemerkt worden.

De bekende historicus Dr. J. S. v. Veen spreekt in de Bijdragen en Mededeelingen van de Vereeniging “Gelre” deel XXV op bladzijde 120 reeds in 1592 van den oud-pastoor van Vaassen. Ik voor mij meen met deze zienswijze accoord te kunnen gaan en geloof vrij sterk te staan als ik in dat jaar, zeer wellicht reeds vroeger, in Peregrinus van Heerde den eersten predikant der “Gereformeerde religie” te Vaassen zie.

Nadat in 1581 de afzwering van Philips de Tweede had plaats gevonden, was er 2 jaar later een plakkaat verschenen, waarin de geestelijkheid geboden werd, zich aan een examen te onderwerpen.Van den uitslag van zulk een examen zou afhangen of de examinandus bekwaam zou worden geacht de leer der nieuwgezinden te onderwijzen.
Pastoor Willem Janszoon zou, want deze was in 1583 zooals we weten nog pastoor te Vaassen, evenals de Apeldoornsche pastoor Cornelis Voeth dit later deed, zeker fier getuigd hebben, dat hij liever “sijn dienst ontset werde” dan het ware katholieke geloof te verzaken.
Maar deze kloekmoedige getuigenis zou bovengenoemd jaar door den pastoor niet gesproken behoeven te worden, want het examen (?) ging niet door, omdat de hervormingsgezinden, mede ook doordat eenige steden in ’t Geldersche in de macht van Alva kwamen, hunnen invloed voor een groot deel verloren zagen gaan.

In ’t jaar 1591 heroverde Prins Maurits de steden Zutphen, Nijmegen en Deventer en dit werd oorzaak dat het examineeren thans doorgezet zou worden.
Het eerste examen dat juli 1592 te Harderwijk gehouden is geworden, zag ook Peregrinus van Heerde onder de examinandi. Maar Peregrinus bezat eene weerbarstige natuur, zoodat hij ook hier niet met de hem ter onderteekening voorgelegde 13 artikelen accoord wenschte te gaan. Volgens Ds. v.d. Zee in zijne “Kerkgeschiedenis van Vaassen” moet hij zijne bezwaren als volgt op schrift hebben gesteld:

“Ick Pelgrum van Heerde attesteer mitz desen, dat ick approbeer alle articulos, die in den Classe vorgesteldt zijn, uitgenomen den tweeden ende den twelffsten, daer op begeer ick beletijnge. Pelgrum van Heerden.”

Eenigen tijd daarna in September 1592 werd er Synode in ’t Nijebroek gehouden en hier was het dat Peregrinus’ bezwaar tegen ‘t 12e artikel grootendeels om hals gebracht werd. Dit artikel nu behelsde onder meer het oproepen der predikanten tot classicale of synodale vergaderingen en bevatte voorts eenige maatregelen van tucht en orde. Vooral wat dit laatste betreft, was de voormalige pastoor nu niet een bepaald zachtzinnig lam. Z’n bezwaren tegen het tweede artikel, dat handelde over den catechismus der gereformeerde kerk had hij echter ook dáár niet laten vallen.

Vond Peregrinus “bij de jonckeren” op den Cannenburch steun? Wij weigeren zulks te gelooven, al wordt dit in zijn meest beslisten vorm door Ds. v.d. Zee ook geboekstaafd. Deze schrijft op pagina 25 van z’n meer genoemd werkje o.a. ’t volgende:

“Hij (Peregrinus) overwoog wat hij zelf doen kon aan zijn hachelijke positie. Den catechismus onderteekenen, daaraan dacht hij niet. En trouwen! Ja, dan was hij openlijk niet Roomsch meer, en viel hij den heeren van de Cannenburgh af.”

Dat een Van Isendoorn aan Peregrinus van Heerde, die op zoo vele wijzen ergernis gaf en niet in ’t minst door z’n niet twijfelachtig immoreel leven, steun zou hebben verleend, kan als uitgesloten worden beschouwd. Daarvoor hadden de Van Isendoorns een te hooge opvatting van hun Katholiek-zijn. Moet op hen, omdat zij ’t waren, die Vaassen voor een groot deel uit de klauwen der reformatie hebben gered, thans deze smet worden geworpen? Laat ik de zaak anders stellen. Mogelijk, maar dan ook zeer begrijpelijk is, dat de van Isendoorns, toen de verandering van godsdienstig inzicht zich bij Peregrinus van Heerde begon te voltrekken, dus in het beginstadium daarvan, al hun invloed hebben aangewend, om dezen tot andere en betere inzichten te brengen. Maar dat een van Isendoorn na 1592 gemeene zaak zou hebben gemaakt met een apostaat (want een katholiek die slechts één geloofswaarheid verzaakt, is immers apostaat) is niet aan te nemen.

Maar de treurige slotsom van Peregrinus van Heerde’s weinige stichtenden levenswandel was, dat Vaassen in feite meer en meer naar de reformatie ging overhellen, bij een groot getal inwoners het geloof ging verflauwen, in één woord, met het godsdienstig leven was het langzamerhand treurig gesteld geworden.

Maar de goede kern bleef trouw aan de Kerk van Christus, die wat Holland betreft, toen haar moeilijksten tijd beleefde, de goede kern, ten deele bestaande uit de voorouders van velen die thans nog te Vaassen en omgeving woonachtig zijn. Laatstgenoemden danken het groote voorrecht, hun Katholiek-zijn door Gods genade, dus aan den vurigen geloofsijver van hun voorgeslacht, dat, in den tijd toen de afval van de Kerk zich ook te Vaassen voltrekken ging, aan de verleiding weerstand bood en het Roomsche vaandel getrouw bleef.

 

Bronnen:

  • Bijdragen en Mededeelingen van de Vereeniging “Gelre” deel XXV, bladzijde 120, Dr. J. S. v. Veen
  • Kerkgeschiedenis van Vaassen, ds. G. van der Zee, 1934