De missie-statie Vaassen (VI)

Vond het Lutherdom dat in de twintiger jaren der 16e eeuw naar ons land overwaaide hier geen vruchtbaren ontwikkelingsbodem, eveneens verging het de sectie der Wederdoopers of Anabaptisten die tot de zestiger jaren onder de reformatorische groepen het grootst getal aanhangers hebbende, zich ten slotte zag verdrongen door die andere dwaling, het Calvinisme geheeten.

Er waren in die tijd misbruiken in de kerk geslopen en ook het zedelijk leven van den clerus, liet, voor wat een groot deel van hen betrof, alles te wenschen over. Was het wonder dat het volk den noodigen eerbied voor deze priesters verloor en een niet onbelangrijk deel zijn godsdienstplichten ging verwaarloozen en al of niet aansluiting ging zoeken bij kettersche secten?

Maar de kerk hield ook hare goede priesters en al was de afval groot, niet allen luisterden naar de dwaalleeraars en werden ontrouw aan hun voorvaderlijk geloof.

Hoe was het in ’t midden der tweede helft van de 16e eeuw in Gelderland en meer in ’t bijzonder op de Veluwe gesteld, wat betreft den voortgang der zoogenaamde reformatie?

In 1544 had in Garderen als pastoor gestaan Jan Gerritszoon Verstege, die in die jaren preekte tegen het primaatschap van den Paus en de H.H. Eucharistie. Nadat hij gevangen genomen was “herriep hij zijne stellingen, maar vluchtte daarna naar Duitschland, waar hij een volksboek schreef: “Der leken wechwijser”, dat algemeen verspreid werd. Hij noemde zich toen “Anastasius Veluanus” dat is “De opgestane Veluwnaar”. Zijn herroeping bleek meer te zijn geweest eene bedachtzaamheid op eigen behoud, dan eene afzwering zijner dwaling. Hij keerde daarna het katholicisme voor goed den rug toe. Doch deze “opgestane Veluwnaar”, die noch Luthersch noch Calvinistisch was, doch z’n eigen opvattingen had in den geest der latere Remonstranten (Dr.J. de Jong, Handboek der Kerkgeschiedenis, deel II, bl. 253) heeft veel reformatorisch zaad op den Veluwe-akker gestrooid.

Van dit zaad was nog weinig Protestantsch gewas gewonnen, want in 1576 was het overgroote deel der Veluwe nog katholiek, doch een jaar nadien, werden op de Veluwe de eerste kerken reeds in dienst gesteld der “nije leere”, Elburg in 1578 en Harderwijk in 1579.

Wat Vaassen betreft, hier was de dusgenaamde hervorming nog niet doorgedrongen, al waren er ook hier enkelen, die naar den verkeerden kant begonnen over te hellen.

’t Was voor een dier wankelmoedigen dat Pastoor Willem Janszoon op den avond van den dag dat er rouw kwam over “Den Cannenburch”, z’n schreden richtte.

Willem Simonszoon, had den pastoor bericht gegeven dat z’n knecht Gijsbert Aarts in geloofszaken zich op dusdanige wijze uitliet dat hij zich verplicht gevoelde den herder hiermede in kennis te stellen.

Men kon den goeden en wijzen pastoor de zorgen van ’t voorhoofd lezen, toen deze de boerenhofstede betrad, om hem die met ’t gif der ketterij besmet was tot andere en betere inzichten te brengen.

Gijsbert zat in een hoek van de keuken een boekje te lezen, dat hij bij de binnenkomst van den priester snel tusschen zijn kleederen verborg, waaruit deze direct de gevolgtrekking maakte, dat het en geschrift moest zijn, dat in dit stadium, voor Gijsbert minder geschikte lectuur moest worden geacht te zijn.

Meer dan twee uren hebben nadat Willem en Aleidis zich verwijderd hadden, de priester en de boerenknecht zich toen onderhouden “op het stuck des geloofs”, het uiteindelijk resultaat gaf den priester ten volle de bevrediging zijner wenschen: Het ter halverwege verloren geraakte schaap, was weer terug en in de goede haven aangeland.

Toen de pastoor in den laten avond naar de pastorie terugkeerde had hij bij zich een tweeden druk van Veluanus’ volksboekje “Der leken wechwijser”, ’t was hetzelfde boekje waarin Gijsbert zoo naarstig zat te lezen, toen de pastoor de keuken was binnengetreden.

Den volgenden dag ontving de door deemoed herboren Gijsbert, die “Der leken wechwijser” met een berouwvol hart aan den pastoor had ter hand gesteld, van dezen een klein boekje, uit het latijn vertaald, welks oorspronkelijke titel luidde: “Scutum fidei orthodoxae adversus venosa tela Johannis Anastatii Veluani….” Of “Schild van het orthodoxe geloof tegen de giftige pijlen van Anastasius Veluanus”.

Het was de laatste druk van ’t duodecimo’tje dat door den Dominicanenpater Joannes Bunderius geschreven was tegen de kettersche denkbeelden die door “Der leken wechwijser” verspreid werden.

Gijsbert Aarts bleef een trouw zoon der Kerk. We zullen hem in ’t vervolg onzer schetsen nog een enkele maal ontmoeten.

 

Bronnen:

  • Dr.J. de Jong, Handboek der Kerkgeschiedenis, deel II, bl. 253
  • Der leken wechwijser, Anastasius Veluanus
  • Scutum fidei orthodoxae adversus venosa tela Johannis Anastatii Veluani, Joannis Bunderius