De missie-statie Vaassen (V)

We schrijven ’t jaar 1576 en ’t is een warme dag op ’t einde van de maand Juli, dat we een geestelijke die omtrent 50 jaar oud kan zijn “De Cannenburch” zien betreden.

Zwijgend verleent de kasteelheer, Hendrik van Isendoorn à Blois, den priester en den hem vergezellenden misdienaar toegang en gaat dezen door de hal, vóór, naar een in den rechtervleugel van de burcht gelegen vertrek, ’t welk Pastoor Willem Janszoon met het bij een bediening gebruikelijke “Pax huic domini[1]” binnentreedt.

In een groot ledikant, dat een hemel heeft, ligt de burchtvrouwe te zieltogen. Naast deze legerstede staat een kruisbeeld en branden de gewijde kaarsen.

Allen die in de ziekenkamer vereenigd zijn, weten dat hier geen aardsche hulp meer baten kan en Sophia van Hommel hier haar laatsten strijd voert.

Bij de binnenkomst van den priester treedt de oudste zoon, Maarten van Isendoorn, dezen met eene brandende kaars in zijne hand tegemoet en geleidt hem naar de stervende.

Nadat allen zich op de knieen hebben geworpen, zet Pastoor Willem Janszoon het H. Sacrament op de tafel en aanbidt het een wijle.

Vervolgens besprenkelt de priester de ziek een het vertrek met het gewijde water, terwijl hij spreekt: “Besprenkel mij, o Heer, met den hysopstengel: zoo word ik gereinigd: wasch mij, dan word ik witter dan sneeuw.”

Allen, behalve de priester en de zieke, verlaten daarna het ziekenvertrek en Sophia van Hommel spreekt hare laatste biecht….

Nadat zij, die de kamer verlaten hebben, weder binnengetreden zijn, spreekt Maarten van Isendoorn voor zijne Moeder, die daartoe niet meer in staat is, de schuldbelijdenis: Confiteor[2] Deo omnipotenti. Beatae Mariae semper Virgini, beato Michaeli Archangelo, beato Joanni Baptistae, sanctis Apostolis Petro et Paulo, omnibus sanctis, et tibi, pater: quia peccavi nimis cogitatione, verbo, et opere mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa.
Ideo procor beatam Mariam semper Virginem, beatum Michaëlem Archangelum, beatum Joannem Baptistam, sanctos Apostolos Petrum et Paulum, omnes sanctos, et te pater, orare pro me ad Dominum Deum nostrum”.

Daarna ontvangt de zieke Ons Heer.

Nadat de priester de witte, voor een paarse stool verwisseld heeft, reikt hij aan de zieke het kruisbeeld ter vereering en volgt de toediening van het Heilig Oliesel, dat door de stervende met veel godsvrucht ontvangen wordt.

Na den zegen gegeven te hebben, verlaat de pastoor “De Cannenburch” en op het voorplein van het kasteel wendt hij zich tot z’n misdienaar, die een knaap van 12 jaar kan zijn, en zegt tot dezen: “Simon, zeg tegen Vader dat ik tegen den avond nog even kom aanloopen in de Wiltbaan, doe hem en ook Moeder mijn groeten.”

Buiten de slotgracht gekomen ging de priester schuinslinks naar de pastorie en Simon ging rechtsaf naar de Wiltbaan, waar hij spoedig ’t ouderlijk huis, eene flinke boerderij, bereikte.

Simons Vader heette Willem Simonszoon en deze was pachtboer onder de heeren van “De Cannenburch”. Nu al meer dan eene eeuw had zijn geslacht op deze pachthoeve gewoond.

Z’n vrouw heette Aleidis en was de dochter van Jan Janszoon, die kerkmeester te Vaassen was.

Simon was hun oudste zoon, want behalve hem, hadden deze eenvoudige, godvreezende landlieden, nog een 6-tal kinderen, die zij allen braaf en godsdienstig opvoedden.

Nog vóór de avond gevallen was, werd de priester nogmaals naar het kasteel geroepen, want vrouwe Sophia had eene plotselinge inzinking gekregen, zoodat men op ’t ergste voorbereid moest zijn.

Toen de priester de slotbrug overging, wist hij dat God Zijne dienares reeds tot Zich genomen had, want de gordijnen waren reeds neergelaten.

Na in ’t kasteel met de bewoners eenigen tijd gebeden te hebben voor de zielerust van de overledene, vertrok de pastoor en nam denzelfden weg, dien Simon ’s middags genomen had. Hij ging namelijk z’n aangekondigd bezoek aan Simons vader brengen.



[1] Vrede zij dit huis

[2] Ik belijd voor de almachtige God, voor deH. Maria altijd Maagd, de H. Aartsengel Michaël, de H. Joannes de Doper, de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, alle heiligen en u, broeders, dat ik zeer gezondigd heb door gedachten, woorden en werken: (klopt drie keer op zijn borst) door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn allergrootste schuld. Daarom bidik de H. Maria, altijd Maagd, de H. Aartsengel Michaël, de H. Joannes de Doper, de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, alle heiligen en u broeders, voor mij te bidden tot de Heer, onze God.