De missie-statie Vaassen (IV)

Het kasteel “De Cannenburgh” te Vaassen, welke naam zoo onafscheidelijk verbonden is aan het dorp, waar zoovele eeuwen en tot op den huidigen dag nog de trots van is, moet op ’t laatst der 14e eeuw een “heerenhuysinge”, of wat ook mogelijk is en wat door Craandijk in zijn “Wandelingen door Gelderland” verondersteld wordt “een dier hoeven geweest te zijn, waaraan de Veluwe zoo rijk was en waaraan de deelgerechtigheid in ’t gebruik en de opbrengsten der marke was verbonden.”

In 1372 bood “De Cannenburch” aan den graaf van Blois met het leger der Heeckerens acht dagen weerstand. Vijftien jaren later wordt “dat huys, hof, wollen ende goet ter Vannenborgh mit allen synen toebehooren, gelegen in ’s kirspel van Vaessen” als leen genoemd en blijkt “De Cannenburch” bewoond te worden door Godert van Hoenen, gehuwd met Aleijt Petersdochter van Steenbergen. Deze Alijt schijnt na den dood van haren man, hertrouwd te zijn met Claes van Herwen.

In 1418 is Reynart Claessoon van Herwen de bezitter en omstreeks dien tijd vinden we het goed als volgt beschreven: “(1424) het huys en watermoelen met toebehooren en een stuk land dat 7 molder roggen doet met eenen ponde goets gelts te verkeergewaden.”

Aleyt van Herwen, dochter van Reynart en gehuwd met Derck van Keppel treedt in 1466 als bezitster op, terwijl tien jaar later Aleyt’s zoon Claes van Keppel zich het goed door erving ziet toegewezen; diens broer Henrich van Keppel erft hetzelfde in 1502 en weer vijftien jaar later heeft Johan van Keppel, een zoon van den laatstgenoemden van Keppel “De Cannenburch” in zijn bezit.

Nadat een broer van Johan van Keppel, evenals z’n grootvader Derck van Keppel geheeten, “De Cannenburgh” nog eenigen tijd bezeten had, werd het goed door dezen in ’t jaar 1535 aan Karel, Hertog van Gelre verkocht.

Steven van Rutenborch wordt er daarna mee beleend en in 1543 komt de burcht voor 600 goldguldens in ’t bezit van Seger van Arnhem.

Nog in ’t zelfde jaar verdient Seger van Arnhem er 100 goldguldens aan, want hij verkoopt hem voor 700 goldguldens aan den vermaarden Gelderschen krijgsoverste Maarten van Rossum.

Toen deze in 1555 te Antwerpen aan de pest overleden was, kwam “De Cannenburch” in ’t bezit van zijn broeder Johan van Rossum.

Eene zuster van dezen, Margaretha van Rossum, die op 18-jarigen leeftijd was gehuwd met den 56-jarigen Johan van Isendoorn, werd op háár beurt weer erfster.

Een harer zonen, zij schonk 7 zonen en 7 dochters het leven, Johan van Isendoorn geheeten, kreeg in 1563 “De Cannenburch” bij magescheid toebedeeld, doch nog in hetzelfde jaar transporteerde deze ongehuwde Johan, het goed aan zijn jongeren broeder Hendrik van Isendoorn.

De van Isendoorns stamden uit het oud-adelijk geslacht De Cock, want hun naam-stamvader was Willem de Cock, heer van Isendoorn, zoon van Willem de Cock en Mabelia van Arckel.

De heerlijkheid Isendoorn was eene afsplitsing van de heerlijkheid Ochten in de Betuwe gelegen en zelve weder gesplitst in het kasteel en het Hof.

Hendrik van Isendoorn, die in1563 in ’t bezit van “De Cannenburch” kwam, was de eerste van zijn geslacht die zich van af à Blois noemde. Hij was ridder, heer van het Hof, Stockum, Lathum en de Cannenborch. Heer van Stockum en Lathum en bovendien erfmaarschalk van Limburg, werd hij door z’n huwelijk met Sophia van Hommel, weduwe van Johan van Groesbeeck, dochter van Steven van Hommel en Margaretha van Ruitenburg.

Tot in het jaar 1865 zouden de afstammelingen van het geslacht van Isendoorn à Blois “De Cannenburch” blijven bewonen, want in dat jaar op den 9den December stierf op het adelijk huis Baron Frederik Carel Theodoor, gehuwd met Charlotte Theodora Maria Alexandria baronesse van Oldeneel tot Oldenzeel.

Deze echt was kinderloos gebleven. De douarière bleef op het kasteel wonen en ging aldaar op 5 Juni 1881 naar betere gewesten over, als roem nalatende, eene edele beschermster van de missiestatie en latere parochie Vaassen te zijn geweest.

Hierover op ’t eind mijner schetsen uitvoerig meer.

 

Bronnen:

  • Wandelingen door Gelderland, Craandijk