De missie-statie Vaassen (II)

Vaassen bezat een kerkje of liever kapel, die volgens een oorkonde, onder no. 65 opgenomen in het “Oorkondenboek der Graafschappen Gelre en Zutphen, door Mr. L. A. J. W. Baron Sloet” in het jaar 891 of 892 gesticht moet zijn door Brunhold, toen Arnulf V koning van Duitslanden Gerhardus, Abt van de Abdij Lorsch, in de Kreis Bensheim gelegen) was. Deze kapel in Vaassen, in bovengenoemde oorkonde als Fasna vermeld, was bijkerk van het kerspel Epe.

Volgens oorkonde No. 339 eveneens bij Sloet, werden in het jaar 1176 Herghe (Heerde), Gaedsberg (Hattem) en Vorchten zelfstandige parochies en van Epe afgescheiden, een en ander geschiedde op lastvan Godfried van Rhenen, bisschop van Utrecht.

Fassen (Vaassen) en Unen (Oene), zoo waen in dien tijdde schrijfwijzen van deze dorpen, zouden nog meer dan een halve eeuw bij de moederkerk Epe blijven behooren, maar uit een oorkonde van 14 Mei 1243 blijkt, dat ook Vaassen een zelfstandig kerspel is geworden (Sloet No. 636). In deze oorkonde vindenwe de spelling Vasen en is er sprake van Dominus Henricus en Dominus Johannes Fratres, tevens van Johannes, plebanus (pastoor) de Vasen.

Mogelijk was Vaassen reeds een weinig vroeger een zelfstandige parochie, want in het Prov. Archief van OverijselI, bl. 53 wordt gewag gemaakt van den eerwaarden heer Reinier, in 1335, plebanus te Vasen.

Dat Johan te Holt of ten Holte in 1520 reeds pastoor te Vaassen was (zie J.S. van Veen in het Archief voor de Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht, deel 44/1919, bl. 123 en Kerkgeschiedenis van Vaassen, door Ds. G. v. d. Zee, 1932, bl. 9) lijkt me wel aan twijfel onderhevig.

In 1571 werd Pastoor Johan ten Holt, standplaats te Vaassen hebbende, herder van Epe. Als we nu aannemen dat Johan ten Holt direct na zijn priesterwijding, op, laten we zeggen, 25-jarigen leeftijd tot pastoor te Vaassen werd benoemd, dan zou deze na zijn gouden priesterfeest en idem als pastoor van Vaassen aldaar gevierd te hebben, op 76-jarigen leeftijd nog verplaatst zijn naar Epe.

Het is uit den aard der zaak niet mogelijk, hier Ds. v.d. Zee te volgen, waar hij op bladzijde 9 van z’n werkje (zie boven) de volgende proeve van kerkgeschiedenis geeft:

“In het jaar 1520 treffen we hier aan den jeugdigen pastoor Johan ten Holte. Zijn voorgangers zijn ons tot heden onbekend. Deze stond hier z’n leven lang, en maakt alzoo den invloed van Dr. Maarten Luther op de Kerkhervorming mede. Ten Holte is zijn leven lang goed Roomsch gebleven. In zijn tijd, en wie weet hoe lang te voren reeds, werd de pastorie bij beurte door den Paus en den Hertog van gelder begeven. Dit beteekent dus, dat genoemde heeren om de beurt een pastoor benoemden”.

Moet de pastoor in 1520 jeugdig genoemd worden, omdat hij in 1571 als zoodanig naar Epe schijnt vertrokken te zijn?

Zijn leven lang stond hij niet te Vaassen, want dat hij in 1571 pastoor van Epe werd, kan een feit genoemd worden.

Had de laatste zin van het hierboven geciteerde niet anders geredigeerd kunnen worden? Dat “heeren” is nu niet bepaald een gelukkige vondst van Ds. v.d. Zee.

Als in de Kerkgeschiedenis van Vaassen” een hypothetisch oordeel was uitgesproken, wat betreft het jaartal 1520 en Pastoor ten Holt’s pastoorschap in dat jaar te Vaassen, zou ik wellicht mijn zienswijze, dat in bovenvermeld jaar Johan ten Holt geen priester kan geweest zijn en dus geen pastoor te Vaassen, niet naar voren gebracht hebben.

 

Bronnen:

  • Archief voorde Geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht, deel 44/1919, blz. 123, J.S. van Veen
  • Oorkondenboek der Graafschappen Gelre en Zutfen, Mr. L.A.J.W. Baron Sloet, oorkondes 65, 339 en 636.
  • Kerkgeschiedenis van Vaassen, ds. G. van der Zee, 1934
  • Provinciaal Archief van OverijsseI, bladzijde 53

 

P.S. In dit artikel komen een aantal spelfouten voor. Deze stonden ook in het artikel dat werd overgenomen. Zo klopt het ‘eerdere’ 1335 niet met de daarvoor genoemde datum 14 Mei 1243.