De aanloop naar de Reformatie

De Reformatie dan, in Duitschland sedert 1517 doorgezet, oefende op de Veluwe haar invloed. Zoo worden in 1548 als kettersche geestelijken beschouwd de pastoors Gerardus Leesten te Epe, Jacobus Alberti te Terwolde en Altarista te Oene. Eerstgenoemde blijkt echter in 1566 weer goed Roomsch te zijn, want dan krijgt hij opdracht om de pastoors van Doornspijk en Oosterwolde tot hun plicht te brengen. Te Garderen was de pastoor reeds lang overtuigd Protestant, werd gevangen naar Hattem gebracht, viel naar Rome terug, kreeg berouw en werd weer Protestant, en noemde zich Anastasius Veluanus (de Opgestane Veluwenaar). Wegens den afval der Pastoors zond de Koning den 6den April 1558 een bevelschrift aan het Hof van Gelderland om de Pastoors tot onderdanig­heid aan te manen. Dit geschiedt. De Pastoors ijveren in hunne parochies, en schrijven per 18 juni 1561 een vergadering uit, alwaar zij een adres opstellen, behelzende het verzoek aan het Hof van Gelderland, om alles wat tegen Rome indruischt te verbieden. Dan duurt het nog eenige jaren, en dan komt — in 1567 — Alva in het land. Zijn commissaris voor de Veluwe is Mr. Dionys van Wesenhage. De stad Nijkerk en de Veluwsche dorpen worden onderzocht, naar aanleiding van het in 1566 voorgevallene, nl. beeldenstorm, Oranjegezind­heid enz.

Zijn instructie dd. 21 Febr. 1568 bestaat uit tien punten[1]. Wee! wee! ook Vaassen! De Commissaris doet bij en over de pastoors onderzoek, of er in hunne woningen of bij de pa­rochianen zich ook voortvluchtige en verloopen personen be­vinden; of deze ook goederen bezitten en of ze ook Oranje-gezind zijn. De pastoor van Vaassen, Jan ten Holte, alhier in den dienst vergrijsd, geeft in vollen ijver voor zijn kerk enkele ketters te Vaassen op, met name Jan Fransz. en Jan Jorgensz, bijgenaamd Jan Craeck, van wie hij gehoord heeft dat zij op hun jeugdigen leeftijd van nog geen twintig jaren, in Friesland bij de Geuzen geweest zijn. Hoe het met deze Oranje-klanten is afgeloopen, meldt de historie niet. Het spreekt vanzelf dat de beide huisgezinnen waartoe zij be­hoorden in angst en vreeze leefden.

Vijf jaren later, in 1573, ontmoeten wij hier een nieuwen pastoor, namelijk Willem Janszoon. In zijne dagen broeit het al meer en meer. Oorlog in de Nederlanden, pijnbank en schavot, krijgsvolk overal, ook op de Neder-Veluwe, en ook Vaassen heeft er eenige tientallen van jaren onder te lijden. Dr. Hille Ris Lambers schrijft als volgt[2]:

In 1576[3] werd de Veluwe door de Spaansche kwelduivels geplaagd, het kwartier Veluwe drong opnieuw bij de Staten aan, om van hen verlost te worden. Gelukkig voor de Veluwenaars trad in 1576 Gelderland tot de Gentsche bevrediging toe, waarbij besloten werd het Spaansche krijgsvolk te verdrijven. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Zelfs nog na 1578 had de Veluwe van hen te lijden. Ook van het bevriende krijgsvolk had men grooten overlast. De onrust door dit alles te weeg gebracht zal niet bevorderlijk geweest zijn voor de organisatie van de jeugdige Hervormde Kerk in deze landstreek. Trouwens er waren hier zeker nog vele Roomschgezinden en het ge­tuigenis in 1574 door een lid van het hof afgelegd, dat het grootste gedeelte der Gelderschen nog Katholiek was, is zeker ook hier toepasselijk. Langzaam toch was de voortgang der kerkelijke organisatie. Hoewel men in de steden Harder­wijk, Elburg en Arnhem reeds in 1578 geordende Hervormde predikanten had, werden de meeste dorpen der Veluwe eerst na 1590 daarvan voorzien.

En als er in 1592 — er waren toen nog wolven op de Veluwe, waarop men veiligheidshalve jacht maakte — een landdag te Arnhem was uitgeschreven, dan schrijven de lieden uit Hattem en Elburg den 3den januari aan het Hof[4]dat zij niet ten landdag kunnen komen, omdat de vijand onder Oene en Vaassen blijft nestelen.

In die jaren, nl. December 1582 schrijft de heer van „De Cannenburg” A. van Isendoorn a Blois alhier, aan het Hof:

Het ampt van Eep wort heel desolaet[5] 2), alsoe dat hondert ende viif ende twintich soe erven als hoffsteden ledich liggen, eensdeels verstorven, eensdeels van den principalen in den steden vertrocken, alsoe datter nicht oder gans weinich in denselven heelen ampt van Eepe geseit en wordt[6].

Toch kon een politieke en godsdienstige hervorming niet anders komen dan door een geweldige crisis heen. In 1581 zwoer ons volk Filips II af, en werd er gaandeweg meer aangedrongen op reformatie der Kerk. Zoo kwam dan den 22 februari 1583 een stuk af van het nu Oranje-gezinde Hof van Gelderland, dat de Pastoors en de andere geestelijken zich aan een examen moesten onderwerpen.

De Schout van Epe liet dit stuk met de hoofdpunten van het in het vooruitzicht gestelde examen bezorgen aan de pastorie te Vaassen, en de pastoor Willem Janszoon wist wat hem stond te wachten. Maar deze pastoor zag in dit jaar, dat door den val van Deventer, Zutfen en Nijmegen het gewest tegen Oranje was gekant en Pausgezind bleef, waar­door van het examen voorloopig niets terecht kwam. In­tegendeel, kort daarop werd hij benoemd tot Bisschop van Deventer, en kreeg Vaassen een nieuwen pastoor, nl. Peregrinus Jans  van Heerde[7].

 


[1] Hille Ris Lambers, Bijlage XXXII.
[2] Bl. 208  en volgende.
[3] Dit jaar dateert de zerk van de Van Isendoorns.
[4] Inventaris Oud-Archief Arnhem bl. 402.
[5] Verlaten, troosteloos.
[6] Gelre X, 46: alzoo dat er niets of heel weinig in het geheele ambt Epe gezaaid wordt.
[7] Behoort niet tot het geslacht van Van Heerdt.