Ursula en de elfduizend maagden

Het kerkgebouw was gewijd aan de Heilige Ursula en de elfduizend maagden. De legende is als volgt[1]:

Nog voor de helft der 3e eeuw van het Christendom, onder keizer Maximinus den Thraciër, was er een Christelijk koning in Brittannië, Dionorus genaamd, wiens eenige dochter Ursula, bij uitnemendheid schoon, maar aan den hemel verloofd, door een heidensch vorst, Holofernes, voor zijn zoon ter vrouwe begeerd werd. De vader durfde het aanzoek van den machtigen en gevreesden nabuur althans niet rechtstreeks afwijzen, maar stelt ook op raad zijner van God verlichte dochter, een driejarig uitstel, benevens den doop des aan­staanden schoonzoons, tot voorwaarde. Inmiddels zouden door de beide vorsten tien edele jonkvrouwen elke, gelijk zij zelve, met duizend andere jonkvrouwen in haar gevolg, aan de toekomstige bruid tot speelnooten worden toegevoegd. Deze, uit alle oorden der wereld, tot uit Konstantinopel en Griekenland toe, bijeengebracht, verlustigen zich inmiddels met spelevaren aan de kust, houden spiegelgevechten, en besturen met eigene hand hare schepen. Maar ziet — juist was het de laatste dag, vóór dat die der bruiloft zou aan­breken — daar verheft zich eensklaps een storm, die ijlings geheel de vloot in zee en naar de kust van Gallië drijft. Zij landen gelukkig in de haven van Tiel, danken God voor de redding, meer echter nog daarvoor, dat Ursula hare kuischheid bewaard heeft, en zij besluiten, op hoogere in­geving, tot een pelgrimstocht naar de heilige stad. Rijn-opwaarts komen zij langs Keulen tot Bazel, waar zij de schepen moeten achterlaten, om nu, na vele heidenen bekeerd te hebben, onder geleide van den Bisschop Pantilus, ja, verge­zeld van koningen, hertogen, graven en ridders, naar Rome te trekken. Paus Cyriacus, door een engel Gods van hare komst verwittigd, ontving de heilige schare reeds op een afstand en geleidde haar feestelijk met kruisen en vanen binnen Sint-Pieter. Zij bezoeken de graven der heiligen, verdienen aflaat in verschillende kerken en vergaderen zich weder tot den terugtocht. Cyriacus met zijne diakenen, door God vermaand, vergezelt haar. Gelukkig komen zij weder te Bazel, toeven daar eenigen tijd, en keeren van daar in hunne schepen naar Keulen. Maar ziet, toen juist werd deze stad door de Hunnen belegerd. De heilige maagden, niets kwaads ver­moedende, vallen onverhoeds in de handen en straks onder de zwaarden en knotsen dezer barbaren, en vinden er den dood. Ook Ursula verkiest den dood boven het leven. Wel wilde de koning, door hare schoonheid getroffen, haar ter vrouwe nemen, maar zij blijft trouw aan haren hemelschen Bruidegom en ontvangt met hare gezellinnen den bloeddoop. Straks na dit gruwelijk feit worden de Hunnen door een schare van hemelsche kamp vechters, in aantal juist aan dat der maagden gelijk, verslagen. Keulens uitgeredde burgerschaar trekt nu naar buiten, om de verstrooide ledematen der slacht­offers zorgvuldig bijeen te vergaren, en tot eeuwigen roem en zegen van Keulen rusten deze daar sedert in vrede.

Hoogst naïef wordt erbij gevoegd dat dit alles zoo in het jaar 237 gebeurd zou zijn, ofschoon men later, om den ergerlijken anachronismus[2]het tusschen de jaren 452 en 466 verplaatst heeft.

 


[1] Kerkh. Archief 1859 II bl. 3 en volgende.
[2] Foutieve tijdsbepaling.