Classis 1608

Deze stap gaf hem in 1607 wel rust, doch toen de broeders predikanten zagen, dat hij in de leer niet overtuigd gerefor­meerd was, oordeelde de Classis, den 13 april 1608 te Hattem vergaderd, dat alsnog ernstig bij het Hof op afzetting des pastoors werd aangedrongen, alsmede van den jezuëitischen schoolmeester, die beide,

so ouden als jongen aldaer so lange so meer tot bygeloof verleiden, en daarin gestyfd worden.

Voorts:

sullen mede den Ed. Hove voordragen de grote ontstichtinge tot Vaeschen, allwaer een olden paep nu veele jaeren tegen des Ed. Hoves meeninge ende placaten by den jonckeren is gehandhaafd ende nu met een Jesuitschen schoelmeister versterckt, ten eynde door des Ed, Hoves eernstige beveehlen beide, de paep en de schoelmeister mogen verwyderd worden.”

Zoo was dus in den grond der zaak de pastoor door de kerk wel afgezet, doch door de R.-K. plaatselijke overheid sedert 1600 gehandhaafd. Desgelijks is het Epe vergaan met den pastoor Ludolph Pieek, die in 1592 niet erkend, in 1597 nog gevraagd werd hoe hij over den Catechismus dacht en 25 April 1598 eigenlijk werd afgezet met behoud van alimentatie[1], terwijl ook de predikant van Oene in 1600 klaagde, dat de R.-K. Ambtsjonkers groote afbreuk deden.

Eerst in 1609 is de zaak ten einde gebracht. Op 13 maart gelastte het Hof den Schout van Epe Peregrinus van Heerde te verbieden zich met den Kerkdienst te bemoeien.

Dit geschiedde en de Schout schrijft aan het Hof als volgt: Hij zegt van den pastoor vernomen te hebben dat deze een

cranckelich bedlegerigh, laemme, gichtig man sij ende nu een lange, ruyme tiit van jaeren nerrigens anders heeft kunnen coemen als “daer men hem heeft gevuyrt[2] ende met een stoel gedraegen, ende light alnoch tegenwordich aen die voerschreven cranckheit den meesten tiit te bedde, weshalven hem onmoegelick op die sinodale vergaderongen te com­pareren[3], als die gantsche gemeinthe alhier notoir[4] is.

Seght oeck, dat hy sedert den jaer 1592 tot huyden toe niet heeft gedoceert, noch ennige kerckeliche ceremonien in ’t minste ofte meeste (synes wetens) heeft geuseert[5], die ennichsins solden kunnen stryden tegens die Gereformeerde religie, ende verseuckt oetmoedelick, dat UEd. L. ende G.[6] hem gelyeven goetlichen te vergunstigen, dat hy die gemeintte in dit aenstaende hoechtiit van Paesschen Godtz wordt[7] noch mach trouligh prediceren[8] sonder prejudicie[9]der Gereformeerde religie, om inmiddels ende nae het hoechtiit te doen in dese saecke alst behooren sall.

 


[1] Zie ook Aartsbisdom, deel 37 bl. 130.
[2] gevoerd.
[3] verschijnen.
[4] bekend.
[5] betracht.
[6] lieve ende goede.
[7] Woord.
[8] prediken
[9] schade