Synode 1605

Niettegenstaande dit alles bleef de zaak alsnog dezelfde. De pastoor raakte aan deze dreigementen gewoon. Nog een­maal waagde de Synode er zich aan, nl. te Zutfen, den 18—20 juni 1605 aldaar vergaderd:

Dat Peregrinus van Heerde eenmaal ten langen laatsten aangespoord worde tot overeenstemming in de leer, ceremonie en ordening der Gereformeerde kerk, of geheel door autoriteit des Hofs van alle kerkelijke diensten verwijderd worde.

De pastoor liet echter alles bij het oude, totdat hij in 1606 gevoelde dat het we] eens mis kon loopen. Want scheen alles uitwendig rustig te Vaassen, en waren er op de kerkelijke vergaderingen — waar de pastoor niet verscheen — drukke besprekingen, de Pastoor zelf had noch geestelijk rust, noch zedelijk vrede, noch maatschappelijk vastheid.

Hij overwoog wat hijzelf doen kon aan zijn hachelijke positie. Den Catechismus onderteekenen, daaraan dacht hij niet. En trouwen! Ja, dan was hij openlijk niet Roomsch meer, en viel hij den Heeren van de Cannenburgh af. Doch trouwde hij niet, dan duchtte hij tot het allerlaatste de kerke­lijke aanklachten. In 1604 is hij wederom vermaand toch te trouwen, daar de Classicale vergadering te Heerde gehouden, als volgt besloot: Het zal ook geen Dienaar des Woords of Schoolmeester, die belijdenis doet van de gereformeerde religie, vrijstaan alleenlijk huis te houden met een ongehuwd persoon, om alle ergernis, ja ook den schijn des kwaads, te voorkomen. Deswege nam hij een kloek besluit: Hij wendde zich tot Ds. Rutgers Vittaeus te Epe, alwaar hij den 2 December 1606 trouwde met Gysbertge Peters, de moeder van zijn kinderen.