Intermezzo

Wat te doen met een pastoor, die door de Kerk eerst ge­schorst en daarna afgezet is, doch niet heengaat? Het spreekt vanzelf dat dit den gemeenteleden een doorn in het oog was, en het “hoogere Kerkbestuur” niet minder.

Derhalve begon de procedure opnieuw. Acht jaren waren heengegaan, vol beroering en onrust, nog andere acht jaren van overweging zouden aanbreken. Al maar de zaak slepende houden, al maar hopende op handhaving, die eigenlijk uitge­sloten was. Want dit stond vast, een volbloed Calvinist was Peregrinus niet, en evenmin een volbloed Roomsch-Katholiek. Zijn geloofspunten kwamen dan ook niet meer ter sprake, maar alleen de kwestie, hoe hem uit de pastorie te krijgen.

Zoo kwam dan zijn zaak weer ter sprake te Hattem op de class. vergadering en te Zutfen in 1601 op de Geldersche Synode. Daar werd aan de afgevaardigden van de Synode opgedragen met den pastoor te Vaassen te handelen, wat de nood vereischen zal. Desgelijks met den koster te Oene, van wien de predikant, Ds. Thomas van Dinstlagen verklaarde dat de koster Roomsch was en zijne diensten weigerde als b.v. het aanbrengen van doopwater.

De afgevaardigden van die Synode wisten er ook geen raad mee, en zoo diende de zaak weer voor de Classis te Nijkerk in 1602 en voor een andere Classis dan die van ons, nl. voor die van Arnhem.