Particuliere synode 1593

Een jaar later kwam dan ook de zaak weer voor, en wel te Arnhem, waar particuliere Synode[1] gehouden werd van 25—29 Sept. (1593). De tekst van de notulen is aldus:

Daar men vervolgens is toegekomen aan het afdoen der bezwaren, is gebleken, dat bijna alle Gereformeerde kerken zeer geklaagd hebben over het onordentelijke leven en onzuivere leer der pastoors op het platte land van de Veluwe, te weten dat sommigen gansch tegenstrevend, anderen geheel huichel­achtig waren, en heeft derhalve de Synode op behagen van het Hof van Gelderland, ook met deszelfs autoriteit het noodzakelijk geoordeeld, dat op de volgende wijze met hen gehandeld zou worden, als met name: dat de pastoors van Apeldoorn, Oene, Scherpenzeel, Hoevelaken, Elspeet en Putten metterdaad afgezet, maar de anderen als (die van) Beekbergen, Epe, Vaassen, Wilp, Lunteren en Oosterwolde van hun dienst geschorst worden tot de naaste particuliere Synode, alwaar men nader zien zal, of ze waardig zijn, weder­om toegelaten of ook geheel verwijderd te worden.

Het blijkt echter dat schorsing nog heel wat gemakkelijker ging dan afzetting, want hoewel in bovenstaande notulen sprake is van de autoriteit van het Hof van Gelderland, zoo komen de pastoors over twee jaar wederom ter sprake.

Inmiddels werden op dezelfde Synode (1593) wegens de klachten over het gemis van prediking plannen beraamd om door combinatie in de vacaturen te voorzien. Daarom besloot deze vergadering dat Apeldoorn, Beekbergen en Vaassen bij toerbeurt door de predikanten van Arnhem en Harderwijk zouden bediend worden.

Zoo was dus de schorsing een feit geworden. De pastoor deed geen dienst meer, en de predikanten der beide genoemde steden vervulden hier den dienst.

 


[1] Reitsma en Van Veen IV 37.