Examinering van pastoors, vicarissen en schoolmeesters

Hierop volgde 12 juni 1592 een brief van het Hof aan den Drost en de Schouten, houdende bevel om aan alle pastoors, vicarissen en schoolmeesters opdracht te geven zich te onder­werpen aan het examen, als bedoeld in het plakkaat. Dit zou op 26 juni 1592 gehouden worden te Arnhem voor de ambten (gemeenten) van Veluwezoom en de Veluwsche ambten Ede, Barneveld, Voorst, Apeldoorn, Nijbroek, Scherpenzeel en Hoevelaken, en op 3 juli 1592 te Harderwijk voor de ambten Nijkerk, Putten, Ermelo, Doornspijk, Oldebroek, Heerde en Epe.

Aan den magistraat van Harderwijk werd bij brief van 28 juni door het Hof verzocht, de hand er aan te houden, dat op den bepaalden dag het examen aldaar “synen voortganck gewinnen mueghe”, met kennisgeving dat het examen te Arnhem dien dag was afgeloopen.

Daags te voren, op 3 juli werd aan Henrick van Essen, den rentmeester der geestelijke goederen te Harderwijk, de komst van de geestelijken en van den Arnhemschen predikant met twee ouderlingen

“om mede an und over die vurs.[1] examination te wesen”,

medegedeeld. Hierbij was het ver­zoek om hen allen in een herberg te doen gaan om ze aldaar het noodige aan te bieden.

Omdat het Hof niemand uit zijn midden kon afvaardigen (bij Ds. Fontanus en zijn beide ouderlingen Herman Engelen en Ernst Joosten) verzocht dit Hof den Magistraat van Harderwijk

“eenighen uut oiren middel bij und aver die vurs. examination te willen deputieren[2], und die handt daeran halden, dat ein alsulck gotlick und hoichnodig werck christlich und stichtlick angefangen und geeindiget werden mueghe”.

Uit het oudste Classicale Acta-boek[3], dat met deze ge­schiedenis aanvangt, blijkt dan dat behalve bovengenoemde personen op 4 juli 1592 aanwezig waren de afgevaardigden der magistraten van Harderwijk, Elburg en Hattem, predikanten en ouderlingen uit die steden, en voorts de volgende pastoors van de Veluwe:
Wilhelmus die Weese van Putten
Georgius de Cooten van Ermelo
Johannes Wilhelmi van Nunspeet
Johannes te Uitslach van Doornspijk
Johannes Cleeffkens, substitutus in Heerde
Peregrinus van Heerde van Vaassen
Bartholomeus ter Cluiss, dienaer in Oyen[4], vor twee jaer daerhin beropen van den huislieden.
Henricus Wolteri van Voorthuizen
Everhardus Swaer van Nijkerk, is in die kerk, maer niet in die vergaderinge gecomen, (het soude zyn eer mogelijck te nae hebben gegaen, als gewesen decanus).

Ook waren voorts in ’t geheel niet opgekomen:
Lambertus Elberti, vicaris te Nijkerk, en de beide school­meesters aldaar: Conradus Alutarius en Timanus.
Timannus Alberti, dienaer in ’t Oldebroeck
Ludolphus Poick (Pieck), pastoor in Epe
Johannes Nucke, vicaris in Oosterwolde
Jan Jansen, schoolmeester in Heerde en Gerardus Brandt, schoolmeester te Vaassen.

De leiding van de vergadering berustte bij Ds. Fontanus van Arnhem, die eerst tot assessor verkozen, voorzitter werd, daar de eerstgekozene[5] de leiding niet op zich wilde nemen. Zoo was dan ook Ds. Fontanus de eigenlijke examinator. De breedvoerig in de acta uitgeschreven punten, waarover ge­handeld werd, zijn als volgt:

  1. De heilige Schriften.
  2. De Wet.
  3. Het onderscheid tusschen Wet en Evangelie.
  4. Adams val.
  5. De vrije wil.
  6. De zonde.
  7. De Middelaar.
  8. Het evangelie.
  9. De twaalf artikelen.
  10. God.
  11. De Engelen.
  12. De Schepping.
  13. De voorzienigheid Gods.
  14. Jezus Christus.
  15. De apostelen en evangelisten.
  16. Het priesterdom.
  17. De eengeboren zoon.
  18. De Hel.
  19. De hemelvaart.
  20. De kerk.
  21. De rechtvaardiging.
  22. De goede werken.
  23. De Sacramenten.
  24. De doop.
  25. Het Avondmaal.

Reeds na de eerste zitting zijn de Pastoors van Putten en Voorthuizen vertrokken, schreven in haast een brief, waarin zij verklaarden bij hun oude geloof te volharden. Zij ver­zochten dat hiervan aan het Hof mededeeling gedaan werd.

Voorts lezen wij: Na[6] gedane examen is bevonden, dat de pastoors niet genoegzaam zijn gefundeerd geweest, en derhalve voor ge­reformeerde kerkedienaars in deze Classis nog niet aange­nomen, maar vermaand, dat zij zich wilden wijder bekeeren en derwegen is het onderzoek op verderen tijd opgeschort. En opdat alle valsche leer geweerd worde, zijn hun de artikelen voorgehouden, welke in de Classis te Arnhem de pastoors onderteekend hebben, opdat zij die ook wilden aannemen en nakomen, gelijk sommigen absoluut, sommige op bepaalde voorwaarden onderteekend hebben, blijkens het geschrift daarvan zijnde:

Copie van de artikelen aldus luidende:

Artikelen, welke de pastoors ten platten lande in Neder-Veluwe na het wettelijk examen, gehouden in de classicale vergadering te Harderwijk den 4 Juli en volgende anno 1592 naar den ouden stijl, ingewilligd en onderteekend hebben:

  1. Wij voorzeide pastoors erkennen en bekennen eerstelijk de Schrift des Ouden en Nieuwen Testaments de eenige en volkomene leer en regel van het zaligmakende geloof en van den Christelijken wandel te zijn, verwerpende alles wat daar­mee in strijd is.
  2. Bekennen daarbenevens, dat de hoofdsom derzelve leer in den Catechismus, welke in de Nederlandsche gereformeerde kerken en scholen geleerd wordt, begrepen is. Derhalve keuren wij dezen goed en nemen hem als schriftmatig aan, belovende dat wij ons daarnaar zullen instellen en dat wij onze toe­hoorders zooveel zullen verklaren als maar eenigszins mo­gelijk is.
  3. Voorts beloven wij ook in ’t bijzonder, dat wij alle Zondagen na de predikatie aan onze toehoorders duidelijk zullen voorlezen: de tien geboden Gods, de twaalf artikelen des Christelijken geloofs, de inzetting des heiligen doops en avondmaals van Christus, besluitende met het Onze Vader, gelijk dat alles in den Catechismus gevonden wordt.
  4. Belangende den heiligen Doop beloven wij dien in onze kerken in tegenwoordigheid der toehoorders alzoo te bedienen, gelijk het formulier in den Catechismus meldt, met nalating van duivelbanning en alle afgodische praktijken van bijgeloof.
  5. Aangezien het heilig Avondmaal van Christus langen tijd op het platte land vanwege de troebelen niet is uitgedeeld geworden, zal hetzelve, om alle misbruik te voorkomen, in geen kerk, of bij kranken of gezonden, uitgedeeld worden. Men vrage eerst het advies van de Classis.
  6. Betreffende verder de afkondiging dergenen, die zich in den huwelijken staat begeven, zal dit op drie achtereen­volgende Zondagen in de kerk na de predikatie geschieden, en zullen zij niet eerder ingezegend en gehuwd worden, vóór en aleer de afkondigingen zonder verhindering geschied zijn. Wel te verstaan, dat zulks ook in het kerkgebouw en niet in particuliere huizen geschieden zal, alles naar uitwijzen van den Catechismus.
  7. Wanneer de afkondiging bij de predikanten verzocht wordt, zullen zij naarstiglijk vragen, of die personen elkander ook in den bloede of zwagerschap te na zijn. En in geval van twijfel zullen zij zonder grondig bericht niet voortvaren.
  8. De namen van de gedoopte kinderen, alsook van hun ouders, peten en onechte vaders, alsmede de namen der ten huwelijk ingezegenden zullen in aparte registers met jaar en dag ingeschreven worden, en tot voorkoming van alle onregelmatigheden door de kerk bewaard worden.
  9. Alzoo ook aangaande de begrafenissen der dooden, ziekenbezoek en andere kerkelijke plechtigheden; deze zullen niet anders uitgeoefend worden dan naar uitwijzen van den voornoemden Catechismus.
  10. Aangezien ook op de feest- en heiligendagen, door den Paus ingesteld, groote afgoderij gepleegd en misbruik begaan is geworden, wordt het raadzaam en noodzakelijk geoordeeld deze geheel en al af te schaffen, echter met uitzondering van den Hemelvaarts- en Nieuwsjaardag, en de dagen direct volgende op Paschen, Pinksteren en Kerst. En ingeval de gemeenteleden een predikatie in de week begeeren, zal men daartoe den Goedensdag oftewel Vrijdag ordentelijk mogen gebruiken.
  11. De Pastoors die tot heden langen tijd met een bijzit geleefd hebben, zullen deze personen trouwen, of zich van hen afscheiden, tenzij zij elkaar beloften van echtverbintenis gedaan hebben. En waar zij op denzelfden voet zouden willen voortleven, zal zulks zonder toestemming van het Hof van Gelderland niet geschieden. Evenzeer zullen zij  nadien in alle nuchterheid, eerbaarheid en kuischheid en kortom in alle vroomheid en godzaligheid leven, opdat zij goede herders en voorbeelden van hunne gemeente zijn mogen.
  12. Zoo dikwijls zij tot classicale of synodale vergaderingen aangeschreven  en  opgeroepen  worden,  zullen  zij   daar ge­willig verschijnen, om van alle punten der Christelijke religie verder bericht te ontvangen, en alles mede helpen verrichten. Maar ingeval nu iemand ten opzichte van voormelde regels ongehoorzaam bevonden wordt, zal hij, na ordentelijk ver­maan, van zijn dienst geschorst en ingeval van voortdurende ongehoorzaamheid, afgezet worden, tot hetwelk dan de hooge overheid zal verzocht worden.
  13. Deze artikelen zullen zonder deze eerst te toetsen aan de Synodale handelingen aangenomen worden, en niet anders uitgelegd worden dan een uitvloeisel daarvan.

Deze artikelen zijn door alle aanwezigen onderteekend, maar door vier hunner werd nadere overweging bedongen over het tweede en twaalfde, o.a. door Peregrinus van Heerde, pastoor te Vaassen, die schreef als volgt:

Ick Pilgrum van Heerde attesteer mitz desen, dat ik approbeer alle articulos, die in den Classe vorgesteldt zyn, utgenomen den tweeden ende den twelffsten, daer op begeer ick die beletynge (belet),

 

Pelgrum van Heerden.

 


[1] Voorzeide.
[2] Afvaardigen.
[3] Notulenboek. Serie 2 letter A.
[4] Oene.
[5] Henricus Heningius.
[6] In de tegenwoordige spelling.