Het uitvaardigen van een plakkaat

De jaren 1583—1592 waren zeer moeilijk. De reformatie stuitte op het platteland der Veluwe nog op veel tegenstand. Het land werd plat getreden, de bewoners beroofd, geslagen en gemarteld, soms ook gedood, en kerkelijke vergaderingen werden opgeschort. Het verlies van de steden Deventer, Zutfen en Nijmegen had de uitvoering van het besluit van 1583, dat nl. de pastoors geëxamineerd moesten worden, on­mogelijk gemaakt.
Doch het duurde slechts enkele jaren, of Maurits bracht deze steden, nl. in 1591, weer aan Oranje, en zoo kwam het plan van 1583 weer naar voren, tegelijk door het uitzicht op meer geregelde toestanden.
Zoo werd dan op 8 mei 1592 het plakkaat van 22 februari 1583 opnieuw uitgevaardigd, waarmee onmiddellijk in ver­band staat een brief van het Hof van Gelderland d.d. 9 Mei 1592, gericht aan alle Veluwsche Richters en Schouten (bur­gemeesters). De inhoud, in tegenwoordig Nederlandsch over­gezet, luidt als volgt:

Brief van het Hof van Gelderland aan alle Veluwsche richters en Schouten,

 

d.d. 9 Mei 1592.

 

Eerwaarde en Vrome, goede Vrienden!

 

Aangezien men boven alles er naar behoort te streven, dat Gods Woord verkondigd en de kerkedienst onderhouden worde, en het daartoe noodig is, dat de geestelijke goederen van pastorie, vicarien en andere die tot bovengenoemden dienst behooren en welks eigendom zij zijn, getrouw bewaard en geëxploiteerd worden,

 

Zoo bevelen wij U zeer ernstig, daarop te letten, dat nl. alle geestelijke goederen in Uw gebied vlijtig opgeschreven en geëxploiteerd worden, opdat tegen Lamberti en Martini de inkomsten binnen komen, waarop men een kerkedienaar in iedere kerk zal kunnen beroepen en bezoldigen.

 

Ook behoort gij aanteekening te houden en met ernst en getrouwheid na te vorschen, waar de inkomsten der laatst verloopen jaren van pastorie, vicarien en andere goederen gebleven zijn, en door wie die ontvangen zijn. Van dit alles moet gij een betrouwbaren staat maken, alsmede van dat­gene wat aan bovengemelden dienst uitgekeerd en ten koste gelegd kan worden.

 

Alles wat in dezen door U gedaan is, moet gij ons schriftelijk toezenden, zonder te dezen opzichte in gebreke te blijven.

 

Zijt den Almachtige bevolen:

 

Geschreven te Arnhem den 9 Mei 1592.