Meer over ds. van Loo

Toen Prins Willem III, Koning van Engeland, in 1695 op het Loo kwam, schreef hij een strooibiljet:

„Verwelkoming van den Koning van Engeland en troostzang by den dood van Maria van Engeland.”

Wij weten dit van A.E. Borger, en het werd schrijver dezes medegedeeld door Dr. J.P. de Bie uit Den Haag.

Tevens blijkt nog uit het volgende, dat Ds. van Loo een dichterlijken geest had. Hij wist van de vriendschap die er tusschen Goddaeus en Martinius was geweest. Nu had een zoon van den voormaligen Eper predikant zijn standplaats te Nunspeet. Deze Ds. Petrus Martinius kreeg 11 april 1695 een zoon, dien hij naar zijn grootvader Franciscus heette. Op hem maakte ds. van Loo een gedicht[1]: “geroemt naast Suilichem, dien prince der poëten, gelyk also syn lof van Hooft is uitgemeten”, dat voorts “de brave Camper school, tot haren grooten nut, zyn dienst heeft eerst genoten” en “daarna die Eper kerk, daar nog niet is vergeten syn trouwe hoederschap, waarvan nog veele weten te roemen tot syn loff, die noit sal t’ ondergaan, soo lang als daar die kerk sal bloeyend blyven staan”.

Wij besluiten hiermede het leven van Ds. van Loo, die door middel van Ds. van Kalkenstein van Epe in 1708 zich verontschuldigde niet ter vergadering te kunnen komen wegens doodelijke krankheid. In dat jaar is hij dan ook gestorven, na precies een halve eeuw[2] zijn werk te hebben verricht.

 


[1] Bij Van Slee bl. 104.
[2] Uit het Gemeentearchief te Epe blijkt, dat ds. Van Loo van 1676—1685 vijftig gulden ’s jaars van de gemeente genoot. Ook staat op de verpondingsverbalen het bedrag, toegekend aan den koster. Van 1667—’69 genoot de Chirurgijn te Vaassen ƒ 50.— ’s jaars van de Gemeente. In 1680 zat hier als zoodanig Joannes de Graef. In 1663 treffen we aan Doctor Diderick van Geyn, en in 1694 Doctor Niendam.