Kerkhistorie eind zeventiende eeuw

Kerkstrijd en herstel kerkelijke tucht

Wat het kerkelijk leven van dien tijd betreft, lezen wij in de Classicale Acta van den strijd tegen Cartesius, Socinus, Roëll en Becker. Dit waren gansch ander vier dan Luther, Calvijn, Zwingli en Melanchton. De kerk vergaderde niet in Synode Nationaal, daar dit door de Overheid werd tegen­gehouden, en zoo ging de eenheid te loor, wijl de kerke­lijke tucht over de leeraren en hoogleeraren ontbrak. Dit werd gevoeld, en zoo stelde de Classis in 1666 een negental artikelen op tot herstel van de kerkelijke tucht, door Ds. van Loo in het trouwboek ingeschreven. Het komt hierop neer:

  1. Kerkeraadsleden moeten uitgesproken voorstanders zijn.
  2. De heele Kerkeraad moet een goed voorbeeld zijn van geloof en leven.
  3. Zondag 31 van den Catechismus zal scherpelijk gepredikt worden (kerkelijke tucht).
  4. De tucht handhaven zonder aanzien des persoons.
  5. Kerkeraadsleden moeten be­sprekingen geheim houden.
  6. Als één lid lijdt, lijden alle leden.
  7. Aanstaande lidmaten moeten weten, waartoe de tucht van noode is.
  8. Niemand uit een andere kerk inschrijven dan op vertoon van een beslist betrouwbare attestatie.
  9. Kerk-visitatoren moeten op het punt van de tucht wakker zijn.

 

Katholieke overblijfselen

Verder had men in dezen tijd veel te stellen met de Zondags-ontheiliging, waarover ook gehandeld werd toen in 1702 alhier Classicale Vergadering werd gehouden.

Voorts wordt herhaaldelijk gewezen op de placcaten tegen het vloeken, zweren, dansen en comediën. Ook wordt ge­waarschuwd tegen het Pausdom. Het kwam namelijk herhaaldelijk voor dat de R.-Katholieken kinderen lieten doopen in de huizen, doch men zou probeeren dat dit voortaan in de Gereformeerde kerk geschiedde. Toch heeft men hiertegen de geheele eeuw gevochten en hier en daar tevergeefs. In 1682 wordt gewag gemaakt van Paepsche stoutigheden te Nijbroek, Barneveld, Putten, Vorchten en Vaessen, waar openlijk dienst werd gehouden. De Kerkeraad van Vaassen stelt de staaltjes der stoutigheden op schrift en brengt ze ter Synode.

 

Inwendige organisatie van de kerk

Voorts blijkt dat de predikanten in dien tijd streng gebonden waren aan de formuliergebeden; dit is echter later vrijgelaten. Dat het met de financiën er altoos niet even rooskleurig bij stond blijkt uit het feit dat Ds. van Loo in 1675 lid was van een commissie om aan Gedeputeerde Staten uitbetaling te verzoeken van tractementen voor predikanten, predikantsweduwen, schoolmeesters en voorzangers, die allen rijksambtenaren waren.

Het treft ons, dat Ds. van Loo jaren lang zonder ouderling is gereisd naar de Classis. Toen er echter in 1687 ver­gadering te Epe was, had hij een ouderling bij zich, doch deze werd niet meegeteld. Nu blijkt dat vanwege de ver­goeding van reiskosten van overheidswege, men aan be­paalde voorwaarden moest voldoen, hetgeen later een feit is geworden.

 

Onderwijs en kosterschap

In 1653 was hier, gelijk wij te voren zagen, een school­meester. Uit 1659 weten wij dat hij Johannes Widius heette; in 1693 vervulde Dirck Jans en in 1700 Matthaus Hartochy deze bediening. Zij waren tegelijk koster, genoten hun be­zoldiging deels van het Ambt Epe, deels van de Diaconie, deels van de ouders.

De koster woonde in de Kosterstraat, hoek Dorpsstraat, en hield aldaar ook school. De koster/schoolmeester stond onder toezicht van kerkeraad en Classis meer dan iemand anders. Hij was verplicht de belijdenisschriften te onderteekenen. Moest school houden van Martini (november) tot Paschen, al waren er maar twee of drie kinderen! De vragen die de jongelieden des Zondags in de kerk onder de catechismus-preek opzeiden, moest de schoolmeester door de week op school eenvoudig toelichten. (In Niersen was ook een school­meester, nl. Meester Bijer, ingekomen met attestatie uit Beekbergen in 1697.)

Het Vorstendom Gelderland heeft samen met het Graafschap Zutfen een Schoolwet ontworpen in april 1678, vastgesteld 3 juni 1681, bestaande uit eenige hoofdstukken, samen 35 artikelen. Het blijkt dat de school niet een algemeen Christelijke, doch een specifiek Gerefor­meerde school is geweest. Art. 5:

De Schoolmeesters zullen de kinderen van jongs af, elk na syn begryp en jaren met den eersten ook lezen het Vader Onse, de twaalf Artykelen des geloofs, de thien geboden, de insettinge des H. Doops, des Hoogweerdige Nachtmaals Christi, het morgen en avond­gebed, mitsgaders het gebed voor en naa den eeten.

De uitdrukking in de belofte, afgelegd bij den Heilige Doop, dat wij onze kinderen, als zij tot hun verstand zullen gekomen zijn, in de voorzeide leer naar ons vermogen zullen onder­wijzen, doen en helpen onderwijzen, beteekent volgens de authentieke historische gegevens dus niet, dat de kinderen pas op 14-jarigen leeftijd naar de catechisatie moeten[1].

Wat de artikelen omtrent het Kosterschap betreft is voor ons eigenaardig de volgende bepaling:

Hy zal de kerk, byzonderlyk den predikstoel en boeken suyver en reyn, en de duyven daar af houden, alsook den kerkhof, daar op zullen sy geen Verkens, Peerden of eenige andere beesten houden mogen.

 

Toen den 9 en 10 mei 1702 hier classicale vergadering werd gehouden onder presidium van Ds. van Loo, klaagden de gemeenteleden over het feit dat door den dood van den koster-schoolmeester hun kinderen van onderwijs verstoken waren, en vroegen hoe zij nu een bekwaam schoolmeester zouden kunnen bekomen. De Kerkeraad moest zich in ver­binding stellen met de Ambtsjonkers van Epe.

 

Kerkmeesters

Naast dezen functionaris lezen wij van Kerkmeesters, als b.v. Jan Gerritsz., Arien Hermans en Warner Janssen, op verschillende tijden. Een college als zoodanig was er niet. De Kerkmeester was aangesteld door den Kerkeraad of door de Overheid.

 

Nieuw lidmatenregister en kerkelijke gebruiken

Toen Ds. Van Loo hier in 1658 kwam, was het lidmaten-register zoek geraakt, en legde hij een nieuw boek aan. De eerste lijst dateert uit den tijd van omstreeks 1660. Het blijkt dan dat er in de eerste twintig jaren die daarop volgen onge­veer 100 lidmaten waren. Bij sommigen staat hun vak ver­meld, als b.v. Abraham Ambrosius, papyermaeker. Zeer opmer­kelijk is de naam Gysbert Pilgrums, die beslist een zoon van den pastoor geweest is, gelijk de vóórnaam van moeders kant, de achternaam van vaderskant uitwijst. Dat hier voorts in 1689 nog nakomelingen waren blijkt tevens uit het feit dat op Kerstmis van dat jaar belijdenis deden Pilgrum van Hierde en Maria van Hierde. Verder lezen wij de namen Slyckhuys, Van Warven, Van Laer. Het afleggen van belijdenis des ge­loofs geschiedde op de verschillende Christelijke feestdagen. Bruidsparen werden driemaal afgekondigd en daarna op Zondag in den huwelijkschen staat ingezegend. Het doopboek uit dezen tijd draagt duidelijk de sporen van het doorleefde oorlogswee. Immers was 1672 het donkere jaar. Zoo begint het in 1673 aldus: “De Naemen der kynderen die in de Kerck te Vaessen gedoopt syn nae het verloop ofte invasi (inval) der Franssen”. In 1686 lezen we van een Franschen vluchteling (Hugenoot) die zijn kind laat doopen, en in 1694 van een heidens kind, waarmee bedoeld is een kind van ouders die geen lidmaat waren.

De kerkelijke en diaconale administratie is pas eeuwen later goed geordend. Toch blijkt dat de kassen te Vaassen in 1685 reeds gescheiden waren, daar de kerk in dat jaar van de Diaconie ƒ210.— leende tegen 5 %. Het kwartier Veluwe had op deze zaak nog geen reglement uitgevaardigd, zoodat er op vele plaatsen als b.v. te Doornspijk in geen jaren rekening werd gedaan[2].

Ds. van Loo voelde ook warm voor het Oranjehuis.



[1] Per slot van rekening blijft staan met of zonder historie, met of zonder doopbelofte: Deuteronomium 6 vs. 7 en Psalm 78 vs. 1—8.
[2] Acta 1693.