Ds. Johannes à Loo (1658-1708)

De vierde predikant is geweest Ds. Johannes à Loo, ook wel genoemd de Loo, van Loo, of van der Loo. Hij werd in 1636 te Elburg geboren. Zijn vader heette Lambertus. Jo­hannes werd op 20 augustus 1657 ingeschreven als student te Groningen met bij voeging: Gratis ob commenditiones R(ectoris) D(octoris) Widmarii; alzoo heeft hij zijne studiën aldaar vol­tooid op aanbeveling van Widmarius, die tot zijn dood in 1668 het sieraad der Hoogeschool was.

 

Aanstelling in Vaassen

Waar van Loo tevoren studeerde is mij onbekend gebleven, doch lang is hij in Gro­ningen niet behoeven te zijn, daar hij vijf maanden later, in januari 1658 te Vaassen is beroepen. Conradus Goddaeus is blijkens het Classicaal Actaboek in dat jaar gestorven, en de gezondheid van Joh. Peregrinus was of hopeloos, of hij was reeds overleden. In ieder geval was de baan om te beroepen vrij, hoewel wij in april 1659 lezen van de tractementskwestie tusschen van Loo en Peregrinus, die beiden een accoord getroffen hadden. De Classis moet een gerezen geschil hierover beslechten, doch verwijst dit naar het Hof van Gelderland. Nu was reeds in 1597 het gratiejaar ingesteld, zoodat het best kan zijn, dat dit een kwestie was tusschen Ds. van Loo en nagelaten betrekkingen van Joh. Peregrinus.

De loopbaan van van Loo begon al niet gemakkelijk, want de gemeente, door het heengaan van Goddaeus en Peregrinus in haar rust verstoord, had verschillende raadgevers. Sommigen wilden met beroepen dadelijk voortvaren, anderen kalm af­wachten. De eene groep achtte haastig beroepen opdringerij, de andere groep achtte uitstel fataal. Zoo is er dan geen kleine beroering ontstaan over de komst van van Loo, die ondanks alle protest, hier vijftig jaren den dienst heeft vervuld.

 

Bezwaren tegen de benoeming

Zijn beroeping en bevestiging en intree is dan voorjaar 1658 een feit geworden, doch als hij den 4den mei op de Classicale Vergadering te Hattem met zijn ouderling Egbert ten Holten, scoltus, verschijnt, om als lid van de Classis te worden toegelaten, rijst daar het protest van Ds. Coopsen van Epe, uit “naem van de Gemeente tot Vaessen tegen het beroep van de Kerkeraedt aldaer gedaen”.

De notulen luiden als volgt[1]:

Nadien in Jan. van dit loopende jaar Ds. Coopsen aan de meeste lidmaten van de Classis door een expresbrief had ver­toond zijn misnoegen over de proceduren van de E. Kerke­raad te Vaassen en zijn mede-afgevaardigde Ds. Hanius van Elburg in het beroepen van een predikant, welke hij betuigde dat tegen de openbare zin en genegenheid alsmede tegen de kerkorde, ja zelfs met verachting daarvan, de gemeente te Vaassen met ongehoorde hardheid een predikant zochten op te dringen, en Ds. Coopsen bovengenoemd de Eerwaarde leden van de Classis te bedenken gegeven had, of het niet raadzaam was, dat de broeders der classis, op een zekeren dag tot de beroeping aangesteld, daar ter plaatse verschenen tot handhaving van de goede orde en bescherming van de verdrukte Gemeente, op welk voorstel verscheiden lidmaten waren verschenen[2], wordt gevraagd of dezelve Broeders tegen de kerkorde gehandeld en in het ambt der (classicale) Inspecteurs getreden zijn?

Wordt geantwoord: geenszins! Maar dat zij, aldus de zaak inziende, geijverd hebben tot bewaring der orde en tot wering van schandaal.

Aangezien er nu een gerucht liep dat de bovenbedoelde predikanten (Paulus Lamberti, W. Wiermannus, B. Medenbach, G. op Gelder, A. Schaert) zouden gesteld zijn in de breuck-cedule (lijst van misdadigers), als beschuldigd zijnde — Zijn Hoogedelen heer Landdrost niet erkennende — van de gemeenteleden van Vaassen bijeengeroepen te hebben door den knuppel rond te zenden, ja de Schout van Vaassen Egbert ten Holten was openlijk aan den Classicalen maaltijd gekomen, zoo werd gevraagd in diens aanwezigheid, in de volle ver­gadering, of dat waar was?

De Schout verklaarde, dat verscheiden Gemeenteleden zulks aangaande de Classis (want dat woord wilde hij ge­bruikt hebben, waarmee nochtans de bovengemelde predi­kanten bedoeld worden) onder eede hadden bevestigd, en dat hij daarop door den Landdrost was gelast derzelver namen te plaatsen op de lijst van misdadigers.

Ds. Coopsen is tegen de aanneming van Ds. Joh. à Loo als lid van de Classis in verzet gekomen, en heeft ingeleverd een zeker bezwaarschrift, onderteekend door meer dan 80 personen, zoo lidmaten als andere “Carspel-lieden” te Vaassen, waarin zij hun misnoegen te kennen gaven over de beroeping van Ds. à Loo tot den kerkdienst te Vaassen. Zij klagen over de voortvarendheid door den regeerenden Kerkeraad met uitsluiting van de meeste oud-ouderlingen en diakenen begaan, en beschuldigen zoowel den bovengenoemden candidaat als den Kerkeraad en sommige afgevaardigden (commissie van beroepingswerk) van onwettig gehandeld te hebben. Hierom hadden zij ook bij bezwaarschrift hun misnoegen aan dien regeerenden Kerkeraad te kennen gegeven, met dienstelijk verzoek dat het hem gelieven mocht om bij beroepingswerk meer acht te geven op de gezindheid der Gemeente, en om van dit beroep, als onwettig, af te zien. Desniettegenstaande was de Kerkeraad met deze beroeping voortgevaren. Derhalve hadden de protesteerenden hun bezwaren te kennen gegeven aan de uit zes personen bestaande “kleine Classis”, die tot het afnemen van het examen bijeengekomen was. Daar hadden zij vernietiging van het beroep gevraagd, of anders gelegen­heid “om hun zaak voor een bevoegde kerkelijke vergadering te bepleiten”. Niettegenstaande dit was men met het examen, dat intusschen gunstig afliep, en met de afkondiging voort­gegaan. De protesteerenden zagen nu geen andere uitkomst dan zich te wenden tot de Christelijke overheid als voedster-heeren van de kerk. Zoo adresseerden zij zich aan het Hof van Gelderland en verzochten onderdaniglijk, of de Classicale examencommissie en de Kerkeraad in hun voortvarendheid mochten gestuit worden, tot de op handen zijnde volle Classi­cale Vergadering, een en ander volgens de Kerkorde, om hun zaak te verdedigen.

 

De uitspraak ten aanzien van het geschil

Het Hof vroeg inlichtingen van de be­klaagde partij, sprak zijn oordeel uit, waarbij de Kerkeraad in het gelijk gesteld werd.

Het verklaarde het beroep voor wettig en gaf last om met de afkondigingen en bevestiging voort te varen. Nu vroegen de protesteerenden aan de Classicale Vergadering, dat deze geliefde te zorgen, dat hun een zoo onaangenaam persoon niet werd opgedrongen, maar dat zij langs een wet­tigen weg mochten voorzien worden van een getrouwen Herder.

Hierop heeft de beklaagde partij zich verantwoord en haar gedrag gerechtvaardigd, waarop de vergadering “dese groote en bekommerlycke saecke in ’t brede overwogen” heeft. Men oordeelde er niet verder op in te moeten gaan. Echter is men tot stemming overgegaan na “langduyrige debatten, pro et contra” en is bij meerderheid van stemmen besloten, dat de beroeping, zooals de zaken staan, voortgang hebbe en dat Ds. à Loo zitting zal nemen als lid van de Classis; dat de Classis de afkeerige gemeente met den Kerkeraad zal trachten te bevredigen, waartoe naast de afgevaardigden van de Classis zijn gecommitteerd Ds. Eybergen en Ds. op Gelder, waarna Ds. Joh. à Loo, na aan de formaliteiten voldaan te hebben, zitplaats heeft genomen.

 

Verzoening

Op deze hoogst onaangename vergadering volgde een bezoek van de Classicale Commissie, die den 10den augustus van datzelfde jaar, te Nunspeet op de vergadering verslag uitbracht omtrent haar verzoeningswerk.

Zij maakten hun aangewende moeite bekend, doch klaagden dat hun boodschap door den Kerkeraad van Vaassen was verdraaid als nergens toe noodig. Daarom waren zij, hoewel door den Schout Egbert ten Holten aangeschreven, niet alleen niet behoorlijk ontvangen, maar tevens op on-noodige kosten gejaagd, voorts ten hoogste gehoond en in hun eer en deputatie aangetast. Derhalve verzochten zij advies van de vergadering, hoe zij zich te dezen opzichte moesten houden.

“Is verstaen dat deselve exorbitantien[3] soo merckelyk streckende tot infractie[4] van de Ere end autoriteit des classis, oock in haar naam aen het Ed. Hof gebracht sullen, ende voor deselve serieuselyck geklaegt sal worden”.

Hiervoor werden twee predikanten afgevaardigd, en voorts werd tot de volgende vergadering aangehouden om de kerkeraad, met name den Schout, te censureeren. Daarna volgde in 1659 de mededeeling dat de Schout nog geen uitsluitsel gegeven had, wanneer hij de verzoeningscommissie daad­werkelijk wilde ontvangen, waarop hem gelast werd te Elspeet te verschijnen bij gelegenheid van een bezoek aan die gemeente van de Classicale broeders. Wilde hij de zaak niet bijleggen, dan werd deze bij het hof aanhangig gemaakt. De Schout (tevens ouderling te Vaassen) blijkt de kwestie in der minne geschikt te hebben, maar bleef weigerachtig om de kosten te betalen, gevallen op het bezoek der Commissie.

En hiermede was dit voorspel van Ds. Johs à Loo zijn komst te Vaassen uitgespeeld. Ongetwijfeld zal de jonge predikant er veel verdriet van gehad hebben, doch het ging hem als Paulus schrijft in 2 Corinthiërs 12 vs. 20. Gelukkig is de vijftig­jarige ambtsbediening hier rustig verloopen, en blijkt er veel opruierij in het spel geweest te zijn. De schout, overtuigd van rechtmatig gehandeld te hebben in het beroepingswerk, kon door Ds. van Loo ook niet bewogen worden de kosten te dekken.

 

Huwelijk

Toen de rust was weergekeerd in Vaassen werd het Ds. van Loo al te rustig, en zoo zag hij om naar een vrouw. Op 29-jarigen leeftijd teekent hij den 18 juli 1665 te Amsterdam aan met Lucretia Feyt, oud 26 jaren, dochter van Gerard Feyt. Het volgend jaar betaalde hij daarvoor zijn bijdrage aan de Classicale Weduwen- en Weezenbeurs, waarop hem

“van de gantsche vergaderinge in syn aengevangen houwlyck den rycken seegen des Heeren met alle heyl en voorspoet in den naem des Heeren is toegewenst”.

 

Gezin

Hoewel destijds genoemd een onaangenaam persoon, werd hij nu afgevaardigd naar de Synode.

Aangezien het doopregister van 1654—1670 ontbreekt (ook niet te Arnhem is), zijn wij niet in staat een volledig over­zicht te geven van zijn kindertal. Doch wij lezen dat in

1675 den 15 augustus. is gedoopt Lambertus Joannes

1677 den 29 april Henricia,

Pinksteren 1684 zijn dochter Susanna belijdenis des geloofs aflegde. Twee jaren later trad zij in het huwelijk met Ds. Jan Hendrik Ledeboer, predikant te Almelo.

 


[1] De artikelen 4, 5 en 7 in tegenwoordig Nederlandsch overgezet.
[2] die nochtans verklaard hebben in de zaak zelve niets gedaan te hebben, ziende dat de beroeping op dien dag geen voortgang had.
[3] buitensporigheden.
[4] krenking.