Ds. Johannes Peregrinus (1655-1657)

Johannes Peregrinus was een zoon van Ds. Petrus Pere­grinus, predikant te Voorthuizen van 1617—1659, alwaar laatstgenoemde in hoogen ouderdom stierf. Deze Petrus Peregrinus was een zoon van den Pastoor van Vaassen, en het is niet onwaarschijnlijk dat deze Petrus vernoemd was naar den vader van de huishoudster, die later (1606) met den pastoor trouwde, en Gysbertge Peters heette[1].

 

Als predikant benoemd

Wij ontmoeten Johannes Peregrinus het eerst als Candidaat in 1652, den 21 october te Ermelo op een buitengewone Classicale Vergadering. Het volgend jaar in mei desgelijks te Barneveld, waar hij de verzekering ontvangt dat de Classis hem recommandeert.

Daar Ds. Goddaeus wegens zijn ziekte hulp zocht, zijn de wegen voor Peregrinus naar Vaassen geleid, en blijkt het ons dat hij in het voorjaar van 1655 hier aanwezig is.

Langzamerhand werden er plannen beraamd om hem hier als adjunct oftewel hulpprediker beroepen te krijgen, hetgeen ook gelukte. Kerkeraad en gemeente gingen er mede accoord en zoo vond de stemming plaats met gevolg dat Joh. Pere­grinus als zoodanig beroepen zou worden. Een en ander werd aan de Classis, die 8 mei 1655 te Nijkerk vergaderd was, in dichtvorm door Goddaeus medegedeeld en verzocht. Daar een en ander in goede aarde viel, is hij blijkbaar in juni be­roepen, heeft in juli dit beroep aangenomen, en na de ge­bruikelijke afkondigingen werd hij den 5den augustus 1655 als hulpprediker te Vaassen bevestigd[2].

Dit was voor den zieken herder en leeraar een groote ge­ruststelling, daar hij bekommerd was over de Gemeente en, gelijk wij verder zullen zien. Johannes goed kende.

Goddaeus drukte dan ook zijn blijdschap uit in het vol­gende gedicht:

Gelukwensching Aen den Eerwaerdigen, Godzaligen en WelGeleerden Ds. Joannes Peregrinus op syn bevestinge in den H. Dienst voor de Gemeinte tot Vaessen. In ’t jaer MDCLV den 5 Augusti.

 

Soo slaa Godlike zegen ende welvaert

Tot verkondinge der geheimenissen

Van ’s menschen zaligheed in Uw bediening,

 

Als gy blijdelik hier nu zyt gevestigt

In dienst van de Gemeinte Gods te Vaessen,

Hier tot Vaessen, op yder eens believen

Met vrolokkinge van de gantse mennigt

Die in groot getal hier sich heen begaven.

 

Om door haer tegenwoordigheed gelukke

En voorspoedige staat U toe te wenschen

Op d’ inwydinge tot den Oogst des Heeren.

Daerom vele te meer ben ik gehouden

Op dees tyd U dan ook geluk te bieden

In dees, myn Mede-hulper, Uw bediening

En lang-wenschte bevesting Uwes Amts, in

Myn veelvoudige droefnis ende smerten.

 

Maer geen blinde geluk der oude heidnen,

‘T welk sich draeyende op ’t rad is geschildert,

Daernaa haere God ook sich hadde te schikken.

Weg met sulke geraapte beuselingen.

Maer Gods heilige zegen ende bystand,

Heil en lang leven, in de wil bestaende

Van syn eeuwige raad, ik u hier wensche,

Die met Godlike vleugelen bedekke

Uw ziel, ende lichaem bewaer gestadig,

Met syn Heilige Geest u hert bewone,

Die met krachtige gaven het bestuire,

Als noodsaaklik in uwe dienst behoeven,

Tot voortplantinge van de suivre waarheed

Van Gods woord tegen alle valsche leraers,

Die sich selve, de kudde weinig hoeden.

Tot grootmakinge onses Opper-Herders,

Door weerbrenginge der gedwaelde schapen

Ten stal, daerse tesamen in gehoren,

Tot syn Heilige, duur-gekochte Kerke,

En derselviger onbelette stichting.

Daer hy geev’ vrede, ende goê gerustheed

Samt eendrachtige liefd’ in Uw Gemeinte,

Die sy heb tot U ende gy tot haerent.

 

Daer gy ’t Hemelsche pad met eige voorgang

En met Christliken handel en wandel

Inslaend’, yder u volge onbeschroomlik,

End’ uw deugdlike stappe naa betrede,

Tot wy alle tesame by der herdern

Herder sullen in heerligheed gevoegt syn,

En byblyven in alle eeuwigheeden.

 

Amen, jaa Amen.

 

Huwelijk van Johannes Peregrinus

Bracht het voorjaar aan Ds. Goddaeus droefheid, wegens het overlijden van zijn echtgenoote, de zomer en het najaar bereidden hem nieuwe blijdschap. Want behalve de bevesti­ging, was er een huwelijk ophanden, en wel van zijn dochter Abigaïl, op wie de jonge predikant Joh. Peregrinus het oog had laten vallen.

Zoo zien wij dan, dat dit heuglijk feit plaats vond den 30sten september, alzoo bijna twee maanden na de be­vestiging, en wederom nam Goddaeus de lier en zong het volgende lied:

 

Bruid-psalm

Breedsprakelik uitgebeeld op ’t echtelik vergaren van Ds. Joannes Peregrinus, Predikant tot Vaessen ende Abigail Goddaeus, in ’t jaer 1655, den 30 september.

 

Op deselve verssen en voise (als Ps. 128) ofte naa de wyse van Wilhelmus van Nassouwe.

 

  1. Gelukkig, o gelukkig,
    Voorspoedig en vol heils!
    Meer als het hert gedenken
    Of weet te meten uit.
    Meer als de tonge melden
    Kan door bespraaklikheed,
    Of als de gladde penne
    Kan brengen op ’t papier.
  2. Die hier den Heer gestadig
    In ’t herte heeft geprent
    En ongeveinsd geduirig
    In syne vrese leeft,
    Die van de brede sporen
    Des quaads is afgekeert,
    En doet strak heer betreden
    Het rechte deugde-pad.
  3. Geen onval is te vresen,
    Noch moeit noch ongemak.
    Voor hem die aldus ijvrig
    Ten goede sich begeeft.
    Wat ramp kan U bejegnen?
    Wat sorge ranst u aen?
    Als u bedrijf gelukkig
    Is, wat gy ook begint.
  4. Uw doen sal al beklyven,
    En niet te niete gaen,
    Het werk van uwen arbeid
    ‘T gewenschte loon u geeft.
    Met blydschap hebt gy t’ eten
    U recht-gewonne brood,
    En lieffelik genieten
    Van God ’t bescheerde goed.
  5. Aleens gelyk de wynstok
    Ter huis-zy aengeplant,
    Met telgen ende bladren
    Het heele huis beklimt,
    En inde blyde Somer
    Een lust der ogen is,
    Maer ’t herte doet verheugen
    Met druiven in den herfst.
  6. Soo sullen haer manieren,
    Bevalligheed ’s gelaets,
    Haer praet en heusche reden,
    Verstandelik beleid,
    Haer sorge voor ’t gesinde,
    In sonderheit om U,
    U herte doen verheugen
    Met volle vreugd bedryf.
  7. Als jong’ olyve-bomen
    Gestelt op eene ry
    Ruim uit de aerde groejen
    In ’t wel geaerde land,
    Haer takken ende togen
    Uitbreiden in de rond’,
    En staen vol opgeladen
    Met vruchten allegaer.
  8. Soo sullen insgelyken
    Tot Uwe lust en eer,
    De aengenaeme vruchten
    Der wettelyker ee,
    Uw Sonen ende Dochters
    By ordre rontsom heen
    Seer cierelik bekronen
    U aengerichte disch.
  9. Ei siet, wat hy al heils heeft.
    Wat zegen en geneugt?
    In welke blyde toestand
    Hy duirig is gestelt!
    Die sich te deugd gewennend
    Voor ogen houd den Heer,
    Hoe ryklik hy begnadigt
    De onbevlekte min.
  10. Schoon ’t soetste word wel oftmaels[3]
    Met bittre gal gemengt
    En naa U herte wenschen
    ‘T hier niet aleens gelukt.
    Nochtans de milde zegen
    Des Heeren u beklyft,
    En doet ’t u al gedyen
    Ten besten eindelik.
  11. Ei weest dan al soo hard niet
    Voor ongeval beschroomt!
    Met gunst en heil de Heere
    Van d’hemel oogt op U
    Hy schenkt U ryke zegen
    Van Zyon, uit genaed;
    Daerrnee sal hy genoegen
    U hert, sin en gemoed.
  12. Want eene kleyne wyl niet,
    Maer steeds u blyftse by.
    Soo lang u aertse vlees hier
    Der ziele blyft vereent.
    Sal hy u doen beschouwen
    Jerusalems geluk,
    En hare schoon’ paleisen
    Met heerligheed beglanst.
  13. En als nu loopt ten einde
    U snelle jaer-getal,
    Soo is tot uwe vreugde
    Weer nieuwe grond geleit,
    U kindren Uw geslachte
    Sullen verheerliken,
    Gij sult geteelde spruiten
    In ’t derde lid besien.
  14. By d’ aerdse herts-geneugte
    Voegt sich de geestlike,
    Opdat de soete zegen
    Op ’t hoogst u kome by.
    Gy sult met uwe ogen
    In vree en eenigheed,
    Vermakelik aenschouwen
    Het ware Israel.

Ds. Goddaeus heeft op het huwelijk van zijn dochter ook nog een tijdvers gemaakt, zoowel in het Latijn als in het Nederlandsch. Dit is zeer kunstig, want alle letters die er in voorkomen en als Romeinsche cijfers kunnen gelden, zijn gebruikt, en vormen bij optelling het getal 1655, het jaartal van hun huwelijk.

Aldus:

VIrgo peregrIno IVVenI DatVr abIgaILa fILIVs et MoX est, qVI peregrInVs erat.

“Aldus verduitst”:

abIgaIL   VVort   aen   peregrIIn  ter troVVVe gegeVen,

Soo VVort een VreeMDLIng ras Voor een sone gerekent.

Het is in één woord kunstig en geestig! We zullen wel niet ver van de waarheid af zijn als we veronderstellen dat de jongelieden ook in de pastorie woonden, ter verpleging van den vader en verzorging van het groote gezin.

 

Overige wetenswaardigheden

In 1656 ontmoeten wij Joh. Peregrinus als “predikant van Vaassen” op de Classicale Vergadering. te Heerde, met den ouderling Jan Klaassen. Daar toont hij zijn beroepsbrief en wordt daarop als lid van de Classis aangenomen. Nog éénmaal zien wij hem in april van het volgend jaar (1657) te Harderwijk, en daarna wordt zijn naam niet meer genoemd.

Uit dat jaar is ons nog iets eigenaardigs bekend van de gemeente betreffende het begraven. De Classis hoorde name­lijk vele klachten over het begraven op Zondag, en bepaalde, dat men dit moest nalaten en dat de overheid verzocht moest worden dit geheel te verbieden. Maar voorts was aan de Classicale Inspecteurs[4] gebleken, dat

“tot Vaassen by het begraven van de doden veeltyts nog gepleegt wierd nederknieling en bygeloovige voorbidding. Wat hier in te doen zy? Wordt geantwoord: dat de Deputaten nog moeten handelen met die van Zutphen en deze zaak zullen brengen by het Landschap”.

In ons eigen archief staat op bladzijde 22 van het Trouwboek slechts een enkele aanteekening in het Latijn over Ds. Pere­grinus, welke hierop neerkomt: Na 1655 zijn er tot 1670 geen aanteekeningen. Ds. Peregrinus had geen enkelen naam opgeteekend, en wat er na zijn dood is opgeschreven, is elders door de ongunst der tijden verloren gegaan.

In 1658 presenteert zich Ds. Johs à Loo als beroepen predikant van Vaassen op de vergadering te Hattem, ver­gezeld van den ouderling Egbert ten Holten, terwijl wij in 1659 nog lezen van een tractementskwestie tusschen Joh. Peregrinus en Joh. á Loo.

Het waarschijnlijkste is dit: Joh. Peregrinus is in najaar 1657 of voorjaar 1658 gestorven, en hijzelf of zijn weduwe heeft een overeenkomst gesloten met van Loo.

 


[1] Ons is nog bekend Jacobus Peregrinus, door de Jezuïeten verdreven, als candidaat bevestigd te Wachtendorff in Gulik 16…; te Ochten 1637; + 1671. Zijn zoon Paulus Pere­grinus, geb. 1641; pred. te Ingen 1666; + 1727. Diens zoon Jacobus was pred. te Zoelen, Nijkerk, Tiel, Zwolle, ‘s-Graven-hage + 1735. Voorts Gualtherus Peregrinus, pred. te Ommeren 1649. Ging naar Nederlands-Indië + 1680.
[2] Van Alphen Handboek 1903 zegt abusievelijk 1656. Dit zal alleen conclusie zijn, omdat Goddaeus in 1656 emeritus werd. Een soortgelijk geval hebben wij te Vaassen in 1736 en 1738, toen Hoogland Jr. bevestigd werd, eerst als adjunct, twee jaren later tot vollen dienst.
[3] Dikwijls.
[4] Dit lijken mij nog iets meer dan Kerkvisitatoren geweest te zijn, daar zij (de Inspecteurs) ook altijd bij een beroeps­vergadering aanwezig zijn.