Dichtkunst van Goddaeus

We willen Ds. Goddaeus ten slotte nog zien als dichter.

Tijdens zijn ziekte hield hij zich meer dan ooit bezig met de Grieksche en Latijnsche dichters, en kwam zoodoende in 1656 tot de uitgave van zijn bundel poëzie:

“Nieuwe gedichten sonder rym, naa de Griexe en Latijnse Dichtmaten ingestelt. Noit voor desen in Neder Duits gesien ofte Gebruiklik”.

Deze bundel van 164 bladzijden is uitgegeven in kwarto formaat bij Johan Toll te Harderwijk. De Classis hechtte in 1657 aan de uitgave hare goedkeuring,

“in dier voege, dat men daarin niets gevonden heeft tegen Gods H. Woort, noch tegen ’t Formulier van enigheit”.

Deze merkwaardige bundel gedichten is nog in enkele exemplaren voorhanden[1], en voor de Gemeente van Vaassen heb ik ze bijna geheel overgeschreven en in een perkamentbandje laten binden, waarbij tevens zijn portret is gevoegd.

Het boekje bevat eerst een voorwoord, waaraan we dit ontleenen:

“Want sekerlik, wy beleven een eeuwe, soo laaksiek en nieuwsgierig, dat daerin de gene, die niet iets nieus voor den dag brengt, geen gehoor kan krygen”.

Verder schrijft hij o.a. aan de Hoog Mogende Heeren gedeputeerde Staten:

“Ende om hier beneffens Uwe Doorl. Groot-Mog. een seker bewys en rekenschap van myne dagelixe oeffeningen te vertonen, geduirende myn langduirige swakheed, waardoor ik niet machtig zynde den Predikstoel te betreden, nochtans dien kostliken tyd, my van den Heere bescheert, niet lui en ledig heb laten passeren, maer denselven naer myn uiterste vermogen seer smertelik uitgekocht, ende tot heilige bedenkingen heb aangewendt, daerdoor ook andere, als ik hoop, sullen gesticht worden”.

Voorts bedankt Ds. God­daeus voor de hulp van de Heeren Staten ondervonden, en hoopt dat zijn boekje goedgunstig zal worden ontvangen. Zoo schreef hij in juli 1656.

Hierop volgen eenige felicitaties, waarna er een lange weldoorwrochte letterkundige voorrede komt, 28 bladzijden kleine letter, waarin hij zegt, dat dit soort nieuwe rijmlooze gedichten van het Grieksche gebergte komt naar de Geldersche hoogten en Hollandsche dalen.

Na dit voorgerecht komt de hoofdschotel:

“Toneel der Oude Wereld, waerin de aller-befaemste Menschen van den eersten Adam af tot op den Tweden, met alle de voorouders Jesu Christi op ’t plein gebracht, ende in nieuwe en ongehoorde Gedichten voorgestelt worden”.

Vervolgens: Een aantal Psalmen Davids, Bruidspsalm op het huwelijk van zijn dochter Abigaïl met Ds. Joh. Peregrinus; Eergedicht op den Bijbel; Klaagzang op zijn langdurige ziekte en overlijden van zijn vrouw; Gelukwensch op de bevestiging van Ds. Pere­grinus; Een lang gedicht over zijn ziekte, naderenden dood, zalige opstanding, en eeuwig leven, alsmede allerlei kleine gedichten. Ook zij nog vermeld: Hellebrand, de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus. Het slot is een gedicht aan den drukker, zeer geestig en toch ook ernstig. Hij zegt o.a. dat de druk van den drukker te Haarlem is be­gonnen, maar zyn druk is van Adam af. De Heere Jezus heeft echter de pers gedrukt voor zondaren.

Het is ondoenlijk, hier veel af te schrijven, maar we willen iets laten zien:

No. 67. Moses.

Hy gequelt[2]1), ‘t Egypte quelde,

Met de tien vermaerde plagen,

Spyt Jannes ende Jambres,

Leidde Isrel door de Schelfzee,

Ende was Gods Wets-besteller,

Offeraer, Koning, Prophete,

Heeft geglinstert als de Sonne,

Syne lykplaets noit bekent was,

Tot spot ende spyt der Hellen,

Want God heeft hemselfs begraven.

 

Ps. 42 vs. 1.

Als het hert met dorst bevangen

Naa de waterstromen hygt.

Aldus hygt ook myne ziele

Naa u, God, angstelik,

Ende dorst met groot begeer

Naa U o leefryke God.

Wen sal ik toch ingelaten

Sien des Heeren aengesichte?

Den 8sten mei 1655 was de Classis te Nijkerk vergaderd, waarheen hij een gedicht had gezonden, om zich te veront­schuldigen, dat hij niet aanwezig kon zijn. Dan stelt hij zijn a.s. schoonzoon aan de Classis voor als predikant van Vaassen. Ook verzoekt hij kennis van zijn gedichten te nemen, opdat de Classis die goedkeure.

 

Waardering voor de dichtkunst

Toen de Gedichten verschenen waren, kwam de beoor­deeling. Zijn broeder, Ds. F. Goddaeus[3] van Bennekom, had reeds zijn meening in zijn gelukwensen, die voor in het boekje staat afgedrukt, aldus geuit:

“Gij hebt de menschen door Uw nieuwe gedichten als door den donder getroffen en verstomd doen staan!”

Latere beoordeelaars noemen hem dichter noch rijmer, doch verzenmaker en vinden zijn poëzie stroef en prozaïsch.

Dr. J. van Vloten[4] vindt hem

“een hopeloos verzenlijmer, die alleen merkwaardigheidshalve in Neerlands letter­kundige geschiedenis te vermelden is. Hij is op potsierlijke wijze te werk gegaan. Het doorbladeren is een vermakelijk tijdverdrijf”.

Hoe het zij, één ding is zeker, hij was een literair ontwikkeld man, en zijn pijnlijke ziekte zal aan zijn pennevruchten niet voordeelig zijn geweest.

 


[1] O.a. in de bibliotheek van de Maatsch. d. Ned. Letter­kunde te Leiden en in het Rotterd. Leeskabinet.
[2] gekweld
[3] In 1647 door de Classis geëxamineerd.
[4] Nederlandse Dichters der XVIIe eeuw, bl. 354.