Verbod katholieke godsdienst en verblijf in Keulen

Ten opzichte van de R.-Katholieken zij verhaald, dat hun godsdienst verboden was. Velen hadden altaren in huis, onder voorwendsel van sieraad.

Toen in 1650 Ds. Goddaeus naar Keulen was, hielden zij samenkomsten, en eenmaal daaraan gewend, zetten zij die in 1651 voort. De Classis bracht deze zaak bij de Synode. Deze actie der R. Katholieken ging nog eenige jaren door, zoodat wij in 1653 lezen:

“dat sommige kinderen den School­meester tot Vasen met paepsche boecken worden toegesonden; dewelcke hoewel hy belooft heeft, deselve niet te sullen toe­laten; wort nochtans den plaatselyken predikant en den Kerkeraad aldaer van de E. Classis bevolen daer op goede achtinge te nemen om sulcks te weeren”.

 

“Ende alsoo oock tot Vasen op den Cannenburch ende op Schoonderbeeck tot Putten, publique paepsche ’t samencomsten worden gehouden, oock Cloppen[1] worden gebruickt om stervende personen te berechten: oordeelt de E. Classis dat hetselve”

door de afgevaardigden als een punt van be­zwaar naar de Synode zal worden verwezen.

 


[1] Geestelijke zusters.