De gedichten en vriendschap met ds. Martinius

Dit alles heeft betrekking op Goddaeus’ pogingen om in zijn Nederlandsche verzen de Grieksch-Latijnsche metriek toe te passen, wat als de nieuwe en hoogste dichtkunst wordt geprezen. In zijn tijd is hij bekend geweest door zijn later geheel vergeten boekje: “De lof van den uil”, dat hij in 1642 onder den schuilnaam van Curtius Jael uitgegeven blijkt te hebben en dat eenige herdrukken beleefde[1]. Het is een in het Latijn geschreven humanistische grap of satire, waarmee hij, zooals Brandt schreef, der menschen aard en zeden onder de gedaante van een zeker dier ontdekte, en al schertsende de wereld haar plichten leerde.

Met den predikant van Epe, Franciscus Martinius (aldaar van 1638-’53) was hij weldra goed bevriend. Beiden hoorden thuis in den letterkundigen Muiderkring van den bekenden P.C. Hooft, bij wien Goddaeus zijn vriend Martinius inleidde. Hooft achtte Goddaeus hoog om zijn geleerdheid, was zeer ingenomen met zijn geestig Uilenboekje, en noemde hem: “een Rozelaer onder de doornen”. Goddaeus komt ook voor in de correspondentie van Hooft, Huygens en Barlaeus. Van Hooft kreeg hij een exemplaar van diens “Nederlandsche historiën”, alsook “Huygens Heilige Dagen”, aan Hooft’s vrouw opgedragen. Hooft noemde zijn eigen Nederlandsen koper, en het Latijn van Goddaeus goud.

Martinius en Goddaeus vielen elkander in den geest: Weldra vinden wij hem in diens pastorie, waar beiden niet alleen over hun arbeid tot opbouw der gemeente, maar ook over hun studiën spraken en plan maakten om tegen den zomer Fransch te gaan leeren, “als zij ten minste het Gallische zout aan den Nederlandschen bodem zouden kunnen doen wennen”.”

Vermoedelijk zijn zij daarin echter voorloopig door andere bezigheden verhinderd geworden, want drie jaren later over­leggen zij opnieuw om een begin te maken met een Fransch-Grieksch college.

Bij herhaling bezochten de vrienden elkander en stelden wederkeerig groot belang in de vruchten van ieders arbeid.

Om zijn verdiensten kreeg Goddaeus uit Kampen een zilveren schaal, waarover Martinius zich zeer verheugde.

Toen de heer van Cannenburgh, Elbert van Isendoorn à Blois in 1645 in het huwelijk trad met Hedwig van Essen, maakten zij samen daarop een Huwelijkszang.

Uit allerlei kleine mededeelingen in Martinius’ brieven blijkt, hoezeer hij huisvriend was in de pastorie te Vaassen. Mogelijk lag de pastorie toen reeds aan de beek. Een en andermaal heeft Martinius, op de hem eigene snaaksche wijze, iets te vertellen -aangaande het rijk met kinderen gezegende echtpaar Goddaeus. Naar aanleiding van de geboorte van het vijfde kind in 1641, schreef hij aan Wendbejel, rector aan de School te Kampen, dat Goddaeus nu twee Cecilia’s (zijn vrouw heette Cecilia Steffens) zou hebben, indien een beetje bijgeloof zich niet tegen twee zelfde namen in één gezin had verzet. Daarom mocht het kind ook niet Eva, Sara of Maria heeten, al stak er ook niets bijgeloovigs in de namen van de moeder aller menschen, de moeder aller geloovigen en de moeder van den Rechter en Verlosser van allen; maar het had den naam van Femina[2] gekregen, opdat het buiten twijfel zou zijn, dat het een meisje was!

Toen het gezin in mei 1645 met een zevende kind was vermeerderd, schreef Martinius schertsender wijze aan den Kamper rector[3], dat Goddaeus in zijn woning een school had geopend, die door zijn eigen kinderen al heel wat leer­lingen had, maar op die voorwaarde dat zij ook mee moesten eten. De Kamper rector had dus op geen voordeeltjes uit de Veluwe meer te rekenen. Goddaeus veegde wat er overbleef, schoon op. Het zaakje ging al heel mooi en nam hem geheel in beslag, zoodat Goddaeus hem maar een enkelen keer be­zocht, en dan met al de deftigheid van een scholarch ver­scheen!

En nog wies het gezin aan. In october 1648 doopte Mar­tinius hun negende telg, en als in maart 1650 hun vierde dochtertje komt te sterven, ziet het echtpaar daarvoor spoedig vergoeding tegemoet.

De beide vrienden ruilden ook wel eens van kansel, zoo b.v. in den dominees hooitijd, de drukke dagen van Kerst en Nieuwjaar. Dit geschiedde dan den tweeden Kerstdag 1640. Nu moet men weten dat de menschen de voor ons dwaze gewoonte hadden den hond mee naar de kerk te nemen. De kosters in het algemeen, en zoo ook de koster van Epe, Oene en Vaassen waren zoogenaamde hondenslagers, dat wil zeggen honden verdrijvers. In sommige kerken ziet men op de pilaren een kleine afbeelding van den koster met zijn zweep.

Toen nu Ds. Martinius hier te Vaassen die beurt vervulde en de koster rondging om de liefdegaven in te zamelen, sloeg hij met zooveel kracht naar een hond, die naar hem gromde, dat de steel brak en hij verder alleen slechts het zakje aan de menschen toereiken kon. De dominee zag dit lachverwekkend geval en schreef aan een vriend te Kampen: “Ik wilde wel dat onze Koster (te Epe) dat godvruchtige voorbeeld eens gezien had, misschien zou hij door zooveel ijver geprikkeld” wat beter zijn ambt verstaan[4].

In 1646 vindt er wat bijzonders plaats in de kerk te Epe, minder lachverwekkend en toch heugelijk, want dan zegent Goddaeus op 15 maart het huwelijk in van zijn vriend met Anneken Verhagen uit Kampen. Zij zijn echter niet lang vereenigd gebleven, daar de dominee van Epe den 14 ja­nuari 1653 stierf. Nog kort te voren had Goddaeus hem een Nieuwjaarsgedicht gewijd, zelf ook ziek zijnde, terwijl hij hem nu een grafschrift van twaalf regels dichtte.

De gezondheid van Goddaeus, gelijk zooeven reeds bleek, liet dikwijls veel te wenschen over. In 1645 had hij een onge­mak aan den rechterarm, en in 1646 gaf hij veel bloed op. Daarbij bezeerde hij tevens in dat jaar zoodanig zijn been, dat hij ruim twee jaren daarmede sukkelde. In die dagen was er een dokter te Epe, genaamd Johannes Voluwens. Deze genoot uit Vaassen ƒ40.- toelage bij zijn tractement, doch het gebrek dreef hem weer uit Epe vandaan. Als God­daeus in April 1649 weer beter is, sukkelt hij naar Epe, doch zijn vriend Martinius laat hem des avonds niet teruggaan, en houdt zijn vriend onder zijn dak.

Tegen het jaar 1650 reist hij voor een familie-aangelegenheid van vrouwszijde naar Keulen. Te Vaassen houdt nie­mand van de leden des Kerkeraads aanteekening in de re­gisters. Er staat te lezen:

“De kinderen die voortnae gedoopt zyn tot het eynde des jaers toe, en zyn niet aengeteyckent, noch register daervan gehouden, overmits de Predicant nae Ceulen verreyst was”.

Sedert 1653 wordt hij voor zijn verder leven ziekelijk. Uit zijn gedicht daarover blijkt dat hij vreeselijk lijdt aan rheumatiek. In 1655 treft hem een zware slag, daar den 24 april zijn vrouw hem door den dood ontvalt. Zelf was hij onbe­kwaam zijn dienstwerk te verrichten, zoodat het in de pastorie toen wel treurigheid en klagen was. De Classis stelde opnieuw den 8 mei daaraanvolgend de predikbeurten vast.

 


[1] Hiervoor zij verwezen naar het tijdschrift Het Boek, deel XXII, waar Dr. F. Kossmann een artikel wijdt aan Goddaeus en zijn teruggevonden uilenboekje.
[2] Femina = vrouw.
[3] Directeur van de Latijnsche school.
[4] In 1642 klaagt nl. de Koster-Schoolmeester Joh. Torsius van Epe over de vermindering van zijn tractement, en dat hij “in den dienst der costerye niet wel tot het uitdryven der honden en can verstaen”.